Pagina's

donderdag, mei 22, 2008

De tijd is een verwarrend begrip geworden

Alle haast is weg uit mijn leven en meestal ook de klok, of beter misschien, de kalender. Ik moet alles noteren anders ben ik het zo vergeten en de agenda blijven volgen om te weten wat voor dag het is. Meestal ben ik vrij. Wat een genade dat ik kan schrijven en sinds kort ook weer lezen. Binnenkort ga ik verder in Bieri’s ‘handwerk van de vrijheid’. Wat een geluk om zo vrij te zijn.
De regen gisterenavond was een kortdurende zegen, gelukkig want tegen de avond komen twee vrienden hier om te tafelen en nu het goede weer dan toch heeft ingezet, doen we dat het liefst in de binnentuin, nu nog nabij de blauwe regen die wél iets van haast heeft want de bloesem waait al rijkelijk weg.
Geregeld word ik overvallen door de angst en dan weet ik plots weer wat haast is want dan weet ik me geen raad met de teksten die al klaar zijn, dan is het alsof elke blijdschap erover van me wordt gestolen, maar ik doe niets met dergelijke ongerustheid. Ik denk aan wat Jan Wolkers ongeveer zei, dat een dichter zijn laatste gedicht schrijft vlak voordat de kist wordt dichtgetimmerd. Dat gedicht schreef ik al, het ligt klaar, ik wil alleen niet in een kist het graf in, maar gewikkeld in een groot doek, een troostdoek van vilt – ik weet wie ze maakt, vervuld van liefde, het voelt als een volheid van zachtmoedig geluk zo de aarde in te gaan.
“Hoe is het als je beroep je in je latere leven als in watten of sneeuw ontglipt en hoe krijg je dan weer vat op de tegenwoordigheid?” Het is een zin die ik schreef naar aanleiding van de twee romans van Pascal Mercier. Het is een vraag aan mezelf. In een vingerknip immers ben ik al mijn werk en bijbehorende plannen kwijtgeraakt, op een morgen in 2005. Is het gemis van werk kwaliteitsverlies?
Het is een vraag die al heel lang niet meer speelt, overbodig is geworden. De gewaarwording, de ervaring, niet meer te werken, heeft een korte periode aan me gevreten als door een zwarte rat. Ik was een ‘bevlogen werker’. Het heeft me, na dat drama in maart 2005, geholpen een zeker dagritme te volgen en van meet af aan te blijven schrijven. Toen ik alleen nog met dat vastgeschroefde hoofd van doen had, wat me wel genoeg leek, en mobiel was, ontwikkelde mijn leven zich naar een andere, meer autobiografische kwaliteit, een die de vorige als het ware leek te vervolgen. Ik ben weliswaar blijven schrijven, maar de gevolgen van het herseninfarct zijn onvergelijkbaar ingrijpender dan de eerste kwade aanval op mijn gezondheid. Pas nú ervaar ik kwaliteitsverlies, een verlies zonder enig verband met arbeid. Het is de onafhankelijkheid.
De tijd is veranderd. Voorgoed. Soms besef ik dat zo hevig, dat ik opeens wél alle haast heb. Het is een idee dat mogelijk niet strookt met de werkelijkheid. Sommigen noemen dit ‘uitgesproken pessimisme’, maar nee, ik trek me niet terug naar een eindigheid en ik weet dat nooit, voor wie ook, alle dromen zijn te verwezenlijken, maar de gedachte, plots in het alledaagse, aan haastige spoed is daarom niet minder beklemmend. Misschien is het ook een idee dat te veranderen is, zoals in wezen alle menselijke ideeën te herzien zijn. Maar heb ik voldoende vat op de tegenwoordigheid? Ik strijd tegen mijn lot, niet om me ervan los te maken maar om er in te leven.
Het is tijd, tijd voor mijn vrienden, twee lotgenoten, en van ons alledrie wordt gezegd dat ‘het nog een geluk bij een ongeluk’ is hoe we er vanaf gekomen zijn. We weten dus van iets ernstigs toch nog iets moois te maken, ‘geluk’.

[© MN, in “Elk leven een troostdoek”. Afbeelding: ‘Troostdoek’ van Yvette Cals.]

woensdag, mei 21, 2008


Alleen in waardigheid elkaar gelijk

In lijden is niet te selecteren,
hoewel de variatie onmetelijk groot is.
Elk lijden is lijden in zichzelf
en veel lijden blijft ongezien, niet erkend.

Ook in liefde is niet te selecteren.
Elke liefde is een liefde in zichzelf,
maar niet elke liefde is wenselijk of ‘rijk’, wordt
zo doorgrond of ervaren, of beantwoord.

De liefde, wie weet er niét van, is een herberg
of kerker, en in beide gelden regels die omarmd worden
en harmoniëren, ’n waarborg voor geluk of bron zijn voor gevaar
of die beknotten, uiteendrijven wat bijeen zou willen zijn.

Zo zijn de verschijnselen van mensen,
hoewel veel naar het schijnt van hetzelfde is,
zo uniek dat men luisteren moet om te weten
hoe deze of gene ziel ons weer verrast.


[© MN, in”Ieder de mens die hij is”. De moeilijkste les is ‘goed leven’.Ofschoon de individuele waardigheid in beleving of oordeel wordt betwist en men de waardigheid schenden of krenken kan, zouden we stikken in dubbele moralen als niet één gezichtspunt onze leidraad mag zijn. De afbeelding behoort tot het mooie werk van Hildegarde (zie Links), de abdij van Thoronet, voor mij bij uitstek symbolisch voor menselijke waardigheid.]

dinsdag, mei 20, 2008


Een mens krijgt de nodige tijd

Het is gelukkig weer morgen geworden. De vogels zijn evenwel levenslustiger dan ik, terwijl ik er wel van geniet ze te horen.’Laat vogels alle kilte maar wegfluiten’. Na een bepaald tijdstip in de avond, momenteel 21.35 uur, komt aan al het gekwetter plots een eind. De stilte van de vogels valt vaak met mij samen. Zodra het zachte hoofdkussen juist is geschikt, ben ik gerust.
Ik heb alle tijd. Het is elf uur en ik moet me nog douchen. Het is geen lege, oningevulde tijd. In de muziek van Anouar Brahem, maar vaak ook in alle stilte, zoek ik schilderijen en ik tast in mijn gedachten naar de werkelijkheid of droom over een bed met uitzicht op zee. Het bed is leeg want ik zit op de veranda, die is hier uit het zicht. Het is de stem van de zee die me roept. “Alles kent een einde.” Ik noteer het alvast. 'Ik zou wel even, net als nu het zuchtje wind, langs je wangen willen blazen.’ Ik kan niet goed tegen hitte. Er staat gelukkig een frisse zijwind.
Mijn moeder zou deze maand midden tachtig zijn geworden. Zou haar woord doorheen de tijd soepeler zijn geworden? Ik herinner me haar boze weerstand tegen de boeken van Wolkers. Dat was haar uiterste, toentertijd. De tijd van fatsoen, van taboes en regels, strikte regels. De tijd op weg naar een explosie van veranderingen. Ze stak nog een Peter Stuyvesant op en las verder in ‘Een roos van vlees’. Zij vormde zich een mening en werd zienderogen woedend op het gejubel erover in de krant. (Een paar jaar geleden was ik in Mimizan, aan de Atlantische oceaan. Ik heb de hele dag aan haar gedacht. ‘Mimi, een gelukkiger strand heb ik niet eerder gevonden.’ Niet al mijn broers en zussen denken er zo over, ‘gewoon, het is vér voorbij de tijd’ Maar het lot van moeders is anders, die raak je nooit kwijt. ‘Dan veeg ik de traan van haar gezicht en reikt ze me de hand, geurend naar wie zij is, het kan niet anders dan dat zij met witte zijde is gereinigd.’)
Vaak moet ik weg van het scherm. De vingers van mijn rechterhand tegen het jukbeen, de duim onder de kaak, zo ben ik mijzelf een steiger. Als het tijd is, schrijf ik verder. Ik geloof niet dat het al tijd is door de laatste deur te gaan. Soms voel ik me een dichter aan de rand van zijn leven, maar ik troost me met de gedachte dat het ieders deur kan zijn.

[© MN, in “Impressie van gemijmer”, of liever, in “Er twijnt zich een draad van samenhang”. (Zie eventueel gedichten 3 december 2006, 2007.) Deze en de komende logs zijn vorige week al geschreven, maar alles wacht op z’n tijd. Painting by Basher.]

zondag, mei 18, 2008


Een pen met andere inkt in dezelfde hand
Een welgevallige daad?


Waarom vloeien er telkens maar teksten
van moeite, melancholie en gewicht uit je pen,
zie je dan niet de Blauwe regen?

Kijk, de Pioenrozen zijn er weer, de
Seringenboom houdt lang haar bruidswit, en
zei je niet, laat de vogels de kilte van de regen

maar wegfluiten? Ja! Hoor hun onverstoorbare
gekwetter, en dáár, een merel neemt een bad,
hij hoeft niet bloot, noch in zon of frisse zijwind,

maar schudt heftig zijn sproetenkoppie in het water,
wappert zijn vleugels, zie hoe vogels net als mensen
genieten van licht en luchtigheid.

Vreemd toch dat ik heb verzwegen,
dat de Catalpa’s en de Acacia binnen één week
al in hun groenste kazuifel staan.

Mag het weer even droog worden, dan
plant ik de trap in de aarde en snoei de Wingerd
alvorens die opnieuw de dakgoot opvreet.

Jongen, het is zo zacht, te weldadig
om te wachten, je hoofd valt er heus niet af
en wandel, evenals Lazarus.


[© MN, in “Een dichter in Mei” want mijn hart klopt bij zo’n boeket. Afbeelding: foto van Mariem’s Blog (from Finland).]

zaterdag, mei 17, 2008

De wind uit de zeilen (of uit de ziel?)
Socialisatie beweegt zich langs het slingerende pad van nuchtere noodzaak


Dit is niet een beeld dat gemakkelijk mededogen oproept, zoals het vorige van 10 mei wel omdat daarin, naast het schrijnende, een zekere distantie spreekt, het is waarschijnlijk wel de eigen schaamte, maar tevens een respect naar voorbijgangers van wiens opmerkzaamheid en vrijgevigheid hij afhankelijk is. Het beeld hierboven heeft dat niet en is des te schrijnender omdat er zo publiekelijk sprake is van anomie, van machteloze normloosheid, zo sterk en opdringerig laveloos dat velen misschien alleen maar denken aan woorden als weerzinwekkend of walgelijk. Een hopeloos leven, zoals van vele thuislozen, altijd weer met een verhaal dat bij wijze van spreken zo persoonlijk is als ieders vingerafdruk. Velen lopen er onverstoorbaar aan voorbij, maar even zovelen kunnen het niet weerstaan minstens uit een ooghoek de ellende een ogenblik te zien. Het geplooide, strak gespannen vlees, alsof iets van binnen naar buiten wil breken. Die ijswitte huid. Dat kwetsbare, verslonsde hoofd, beroerd door de fles. Toch is het beeld niet zo heel bijzonder want vrijwel niemand leeft in (keurige) balans wanneer hij is onttrokken aan alles wat mensen bijeenhoudt, in een menselijke, waardige gedaante.

De werkelijkheid is dat we noch van de man noch van de voorbijgangers iets weten. We willen vaak wel meer weten, daarom vinden veel mensen het ‘zo leuk’ op een terras en te fantaseren over wat ze denken te weten over wie er voorbijkomen.

Een gezin kan zo worden gekenmerkt door liefdeloosheid, onverschilligheid en afwijzing, dat er sprake is van een zeer gebrekkige socialisatie, van een slecht geïnspireerd milieu. De kinderen hierin voelen zich ongewenst, ervaren hun ‘thuishaven’ als een onbetrouwbare en bange basis en niet weinigen ontwikkelen hieruit een depressieve grondstructuur die uiteindelijk leidt tot hulpeloosheid. Wie hier een ogenblik bij stilstaat, kan wellicht de pijn bevroeden die het ontbreken van bindingen, van gehechtheidrelaties met zich kan meebrengen.
Er ligt een wereld van verlies. Sommigen hebben hun hele leven nog niets dan trubbels gekend. Begrippen als ‘veiligheid’, ‘vertrouwen’ en ‘genegenheid’ zijn zo goed als vreemd gebleven. Ze gingen wel naar school, maar ‘voor wie, waarom?’. Zo ging de school als drempel naar de samenleving eigenlijk al verloren, enige tijd later ook de kans op werk. Veel in hun leven lijkt op de creatie van persoonlijke angst en onzekerheid.

Een zeiler zal denken dat het niet het ergste is wat hem kan overkomen als hij even niet de wind in de zeilen heeft. Als hij geoefend heeft in geduld, zal hij niet in paniek raken denk ik en de tijd van het stille dobberen nuttig weten te gebruiken. De wind keert terug, dat is zeker. Existentiële onzekerheden zijn onvermijdelijk, maar een langdurig uitblijven van enig perspectief verhindert het ontstaan van hoop. Een bestaan zonder hoop kent geen toekomst. Voor de thuisloze mens is het daarom minder zeker dat het hem nog eens voor de wind zal gaan, maar ‘eens thuisloos, altijd thuisloos’ is niettemin het andere uiterste. Er zijn er veel die de feitelijke val weer te boven komen, alleen niet als de wind ook uit de ziel is.

[© MN, “Elk mens een verhaal”, met excuus voor de lengte. Afbeelding: foto gemaakt met grote aarzeling in Brussel door Marie Jeanne Smets (zie bij de Links).]

donderdag, mei 15, 2008


Onzichtbare en veel op slot houdende pijnen
(Neen joh, het is gewoon ijdelhe
id)

Het is warm, 26 graden. Ik ben, zoals altijd, gekleed in het zwart. In de schaduw lees ik het boek van Bodar. Soms leg ik het even terzijde en laat het woord tot me doordringen. Ik mijmer over andermans gedachten. Ik ben trots, soms jaloers op iemands scherpzinnigheid, maar meestal verrukt, zoals bij Mercier, Montaigne en Manguel.
“Heb je het niet warm?”
Ik schud licht van niet. “Nee hoor.” Wel van mijn onbeweeglijkheid. Wie voelt continu zijn hoofd dat als een container op zijn schouders rust? Last? Ik heb last van de gedachte dat mijn naaktheid niet meer de begerenswaardige naaktheid is zoals dat tot ver in mijn leven, minstens voor mij, een estheet, wel is geweest.
Velen weten in welk een huis ik woon. Weten zij dan ook wat het betekent daarin te leven in plaats van in het vroegere geen enkel onheil vermoedende lichaam, zoals nu dat van henzelf? (‘Ontneem niemand de verbeeldingskracht! Of het mededogen, of de toewijding, de pogingen tot troost. Wat kan iemand méér dan dat?’)
Ik hoor alleen het ritselend ruisen van het jonge blad. Ik herinner me dergelijk onbevangen wuiven van Vlieland, dat doodstille eiland. Mijn hemel, vijf en veertig jaar geleden, Eureka heette het huis waar we logeerden en de beheerder meneer Katoen, aan wie ik véél later nog wel eens terugdacht omdat hij me aan de schrijver Paul Léautaud deed denken. Ik herinner me de jurk die mijn moeder droeg, zwart gerimpelde stof met grote bloemen. Zij ademt nog het meest in mijn gedachten.
Fanny, mijn fysiotherapeut, een avonturierster die om je lacht en je serieus neemt, bracht mij naar Maurits, osteopaat en eenzelfde koning onder de mannen. (Bekwaam zoals Fanny en Marie-José en Inge, maar wat het eerste opvalt, zijn de hartelijkheid, de ernst, de aanraking en de openhartigheid. Dat is deugddoende professionaliteit.) Vele weken later vertrouwde hij me toe hoe onzeker mijn komst hem had gemaakt. “Ik dacht, nee hè Fanny, iemand in zo’n huis breng je toch niet naar mij?” (‘Is het dan zo’n bouwval? Nee, het is op het randje van het mogelijke gerepareerd.’)
“Ik geef me aan je over, maar ben doodsbang. Als het instort, is het niet jouw schuld.”
“Maar ik weet werkelijk niet hoe ik bij C1 moet komen, en daar moet ik zijn.” Niemand realiseert zich zijn of haar C1, de bovenste wervel, dat is nu typisch iets voor sommige patiënten, mensen die te gast zijn in een huis dat twintig jaar geleden meteen tegen de vlakte was gegaan.

[© MN, in ‘Impressie van gemijmer’. “Geveld” door Ludo van den Heuvel.]

woensdag, mei 14, 2008


Moeder die in kindschap sterft, maar moeder blijft

Een indrukwekkende impressie van een zoon die van ver komt (soms schrijft als iemand die ook leeft in een tijd van ver, maar nu niet) en luistert naar zijn moeder die ver heen raakt, Moeder of kind van Antoine Bodar (1944), een sympathiek en begaafd priester – wat hij als zesjarig jongetje al wilde worden - met een even opmerkelijk karakter als levensloop, een estheet bij uitnemendheid, een man met een controversieel imago maar evengoed een man die in heel rustige en ontroerende en sobere taal over het ouderschap schrijft.
Hij schetst vooral het almaar frêler wordende portret van zijn dementerende moeder. Een liefdevolle hommage, - totaal onvergelijkbaar, maar en toch enigermate weer wel, althans ik moest er aan denken dat ik rond de eeuwwisseling het veel uitvoeriger boek las van Kees van Kooten, Annie (Bezige Bij, 2000).
Het boekje van Bodar is voorts een wel heel korte étude in presentie, waardoor ik geregeld dacht aan die andere A.B., Andries Baart, hoogleraar aan dezelfde universiteit als deze A.B. “Luisteren is de ander volgend toehoren en zo meedenkend de aandacht gericht houden. Wat is meer vernederend dan de ander ‘maar’ te laten praten en wat is meer hoogachtend dan de ander betrokken toe te horen.” En Baart kwam vanzelf in mij op vanwege zijn sublieme essay Aandacht (Lemma, 2004).
Hij schrijft erg kort maar behartenswaardig over zorg en verzorgers, in een stijl die bezield is door het besef waarover het gaat wanneer ouderen buiten eigen benul veranderen, mensen de macht over hun leven gaan verliezen. “In het zorgberoep trilt de zorgroeping mee.”
In een bijgevoegde CD leest Antoine Bodar zijn boek voor; boek en luisterboek, ik wil het graag luidkeels aanbevelen.

[© MN, “Elk mens een verhaal”. Foto is van Klaas Koppe. Een fraaie gebonden uitgave van “Moeder of kind” – De HoorSpelFabriek, in samenwerking met uitgeverij Maarten Muntinga, 31 pag., € 14,95.]

maandag, mei 12, 2008

De geest die waait en doet leven

Is het niet Gods adem
zonder welke wij levenloos zijn
en in stukjes breken?

Is het niet de onzichtbare geest
dat ál in ons verzint
dat goed en warm is?

Wie God niet kennen wil,
maar de liefde betracht,
heeft weet van God.


[© MN, in “Liefde is een laaiend vuur en geen stroom water blaast haar uit”. Laatste strofe vrij naar Antoine Bodar. Ik bedoel ook, zouden alle deugdzaamheid en hoog geachte waarden ‘gewoon’ vanzelf ‘in’ de mens gegeven zijn? Hoe zou een vrijdenker daarover denken, waarbij ik uiteraard aanteken dat het niet nodig is te geloven om deugdzaam te kunnen zijn en omgekeerd, men is niet deugdzaam omdat men gelovige is. Sommigen menen dat de mens 'van nature slecht' is. Hoe komt hij tot het goede? Of: waardoor is iemands hart belangeloos geroerd tot barmhartigheid? Painting by Julius Guzy.]

zaterdag, mei 10, 2008


Veelvuldig gekwetst, meervoudig gewond

Het beeld van de verlorenheid, van de omgevallen en geschonden man, een beeld zoals ik dat in verscheidene bijdragen eerder heb geschetst en dat zó verweven is met mijn professionele en dus persoonlijke levensloop, dat het mij raakt en dwingt opnieuw stil te staan bij de grote verdrietige individuele teloorgang. Hoe wonderlijk is het niet dat deze foto tevens de koestering toont, de wederkerige troostbiedende en trouwe toewijding van twee honden, hetgeen te zien is als een expressie van wat ‘goed leven’ is, of sterker, dat de wijze waarop de twee dieren aanwezig zijn tamelijk precies illustreren om welke waarden het gaat in het leven. We zien dat het verborgen verdriet bijeengebonden wordt door geluk, - ook al behoudt de man de houding van een verdronken zelfbeeld.
Misschien wordt het door de dieren daarom wel eerst als een charmant, nee, vertederend beeld gezien.
Het is een verhaal in zichzelf. Negeren is er geen aandacht voor hebben. Negeren is verstoten, onverschilligheid. Vernederen.
Het is (hier) onbekend welke misstappen er zijn begaan of waardoor het pad naar de eenzaamheid misschien wel definitief werd geëffend; vaak denkt men aan ‘eigen schuld’, maar hoewel er zeker sprake kan zijn van een bepaald eigen aandeel, al dan niet uit onvermogen, is het ondenkbaar zijn toestand zo eenzijdig te definiëren. In het landschap van de familie ligt het vertrekpunt van ieders levensloop en wat hij of zij daar meemaakt, kan de latere etappes van de reis al aanmerkelijk beïnvloeden.

[© MN, “Elk mens een verhaal” (Zouden we maar iets meer weten, niet om het verhaal te horen, maar om er naar te luisteren.) Wie deze foto heeft gemaakt, is mij onbekend, maar gevonden op MariemStumbleupon.com.]

donderdag, mei 08, 2008


Tussen drama en werkelijkheid

De tijdelijkheid van mijn bestaan
is mij soms zo nabij, dat elke liefdevolle
ontmoeting meer is dan een weldaad.

De dood zit zo dicht op mijn huid,
dat het schedelbot koud is en nat, ik ben
mezelf een toevlucht en slaap.

Zo ongeveer trillen mijn beenderen
en vlucht mijn bloed in de omhelzing,
uit angst verlaten te worden.

[© MN, in “Krakende wagens”. Miss.Tic: “La poésie est un sport de l’extrême” – maar dat neemt niet weg dat de beleving reëel is en moeilijk te bevechten. Afbeelding: Photo by Anke Merzbach.]

zondag, mei 04, 2008


Een dramatische schepping

Het moet een verwoestende onzekerheid
zijn geweest, in bijna ademloze stilte
bidden dat vele deuren worden gepasseerd,
zo zijn veel mensen gegaan en toch gesneuveld.

Of moeten we de harde woorden ons voor de voeten
smijten, ze zijn genadeloos vermoord, vergast, hen is wreed
het leven ontnomen, het is tallozen aangedaan,
aangedaan, een bloedend lijden.

Hoort de klokken ter gedachtenis van deze graven,
dik bemost in het groen van vrede, terwijl hetzelfde de ogen
dichtknijpende geweld elders, we komen vingers van één hand tekort,
talrijk en ver, doorgaat en toch hopen we dat de humaniteit

minstens hier behouden blijft, gesticht op de beenderen
van de huilende medemens, aan hen de eer, het ontzag.
Aan ons, niet vrij van schuld, de eer de broze beloften
niet te breken. We zijn stil en weten niet wat we denken.


[© MN, voor 4 en 5 mei, in “Is menselijkheid te vieren? Vrijheid wel!” Laat het maar het fiere beeld zijn – van Ulli Predeek - van een vrouw die de trompet blaast over de blote werkelijkheid, het tegenbeeld van het grove onfatsoen toentertijd dat om naaktheid niet werd gemaald. (Terzijde: het log van 3 mei had ik later moeten plaatsen, het blijft nu jammerlijk vrijwel ongezien.)]

zaterdag, mei 03, 2008

Een stijlvol boek van de geest
fragmenten en bewaarde woorden van anderen

Gevangen in het bewind van de technocratie – het keurslijf van de autonomie, daar begint ’t mee, waar zij, Monique Deryckere, beschrijft dat deze vrijwel enig overgebleven ideologie een totalitair karakter dreigt aan te nemen en daartegen, tegen de excessieve aanwezigheid daarvan, wil zij een tegengif bieden: haar lijvige boek, op fraai papier met talrijke illustraties, is een hommage aan de menselijke creativiteit. Zonder een vurig pleidooi daarvoor raken we immers niet alleen onze woordenschat kwijt, maar ook onze individualiteit. Het is een stil en ook een machtig boek over mensenverlangens (die vaak zo schrijnend onvoldaan blijven).
Haar vorm is een lexicon van enthousiasme, dromen en muziek, een vorm van groepen van woorden die volgens haar een uitdrukking zijn van de vitale behoeften van de mens, het zijn portretlijnen ofwel, dat is preciezer, het is een spiegel van haar levenshouding – of, naar Wittgenstein, een afbeelding van haar wereld.
Het voortdurend verwonderen voert de mens – Monique zegt ‘de intellectueel’, naar Ortega y Gasset in “De horden der opstand” – het verwonderen voert de mens door het leven, omdat het een beginnen is van begrijpen. Dit herinnert ons misschien aan ‘De uil van Minerva’, de vogel met door het licht verblinde ogen, toegewijd aan de godin van de wijsheid en beschermster van kunsten en wetenschappen - de kunst die volgens Paglia boven de realiteit staat en die overleeft.
Het lexicon begint gelukkig met het woord uit het centrum van ons leven: aandacht. We verbinden ons met een mens of met een gebeurtenis en gaan er deel van uitmaken of we wenden ons af en glijden weg in de schaduw van de eenzaamheid. Haar groep ‘aandacht’ kent zeven begrippen en bij elk vindt zij passende en verrassende citaten van filosofen, schrijvers, journalisten of anderen. Het is een tombe van woorden, uitgewerkt vanuit gezichtspunten van anderen, zoals Cioran, Henry Miller, Herbert Read, Baudelaire, Julia Kristeva, Gombrowicz, Musil of Pessoa. Soms heeft een ‘groep’ een wat magere woordenlijst; bij onvrede staan slechts de woorden ‘frustratie’ en ‘onvrede’ – waarom niet tevens: desinteresse, onverschilligheid, opstandigheid, teleurstelling? Waarom komen sommige woorden, zo van betekenis voor de vitale behoeften of tekorten, nergens tevoorschijn? Bekommernis, geweten, gevangenschap, moed, tederheid, tragiek, troost, solidariteit, verlatenheid, vluchtigheid, vriendschap, wreedheid. Soms kent een ‘groep’ geen nadere woordenlijst of uitwerking, bijvoorbeeld afzondering, liefde, motivatie. Vreemd, denk ik. Bij motivatie is toch minstens te denken aan onderscheidende begrippen als ambitie, bezieling, competitie, expressie, gemeenschapszin, ontplooiing – maar goed, ik hoef eigenlijk niet op te sommen wat mijns inziens soms ontbreekt of toegevoegd zou kunnen worden. (Soms ook een variant op ‘dat we weten hoe het niet moet, maar niet hoe het wel moet’.) Je ziet ook altijd maar ‘een stukje’ van de wereld, en er zijn meer vragen dan antwoorden. Het is een persoonlijk lexicon, rijk genoeg in zichzelf en met zorg vormgegeven, een lexicon dat inspireert en beweegt naar een mogelijk bredere of andere verbeelding.

[© MN, Afbeelding: pagina 268, “I and me”, een van de schitterende pastels van Monique Deryckere. Het boek: Monique Deryckere Crombez, Un Vocabolario Essenziale. Dromen, Sterren en Muziek, 511 pag.,
geb., € 37,- is te bestellen bij de auteur: monique.jacqueline@skynet.be
Het spijt me dat ik zó weinig energie heb weblogs te lezen. Wat spijt me? De eenzijdigheid.]