Pagina's

zaterdag, maart 31, 2007

“The miracle of my life”
Overwegingen van ambivalentie bij maakbaarheid, zingeving, toekomst

(Een log voor drie dagen.)

De uiterlijke verfraaiingsmogelijkheden – cosmetische chirurgie - worden door veel collega-ethici, filosofen en ook door in academische ziekenhuizen werkende plastisch chirurgen overwegend negatief bekritiseerd. Verbeter je leven in plaats van je lijf is veelzeggend en exemplarisch. De scepsis ten aanzien van verkrijgbare schoonheid, geluk en zelfvertrouwen komt op mij over als een misschien te conservatief moreel oordeel over zowel het (mankerend) vermogen van de hedendaagse mens te leven met wie h/zij is, als over de specialisten in kwestie die én de grens van geneeskunde overschrijden én ten onrechte de maakbaarheid claimen. Dat de mens ook zelf schepper kan zijn van het zelfbeeld waar dit afhankelijk is van fysieke kenmerken, dat is velen een doorn in het oog. Ik heb een aantal van die programma’s gezien en meen dat het een weldaad is, máár, er zijn ook vragen, er is ook twijfel. Kan er niet teveel?

Het is vrijwel niemand onbekend dat moderne televisieprogramma’s, zoals het Amerikaanse Extreme Makeover en het naar Brits concept Nederlandse Make me beautiful, bij mensen het verlangen oproept naar een toekomst waarin zij zichzelf ervaren als degenen die zij denken te zijn omdat ze daar al vaak levenslang naar uitzien. Wie er naar kijkt, hoort ook elke aflevering dezelfde verzuchting, dezelfde verbazing, dezelfde blijdschap, omdat zij zichzelf zien als het middelpunt van een wonder dat wel in ’t verschiet leek te liggen maar niet echt voor mogelijk werd gehouden. “Eindelijk mijn zelfvertrouwen terug”, “Hier kon ik alleen maar van dromen” en “Dit is het grootste en meest onvergetelijke moment van mijn leven.” “The miracle of my life.” “A new personality.” De metamorfose die de ‘lelijke eendjes’ – gewone mannen en vrouwen - gratis ondergaan, wordt ervaren als een gift, niet alleen omdat ze uitverkoren zijn maar vooral omdat dit hen overkomt.
Wie zou er iets van dit individuele geluk willen afdoen? De beleving zichzelf te zijn, zichzelf waardevol te vinden na jarenlang getob, aannemelijk lijden, over minderwaardigheid en schuwheid, zich weer te durven, te willen tonen, onder de mensen te willen zijn en vertrouwen te hebben in de toekomst. Dit persoonlijk ervaren goed (bonum) is er niet mee gediend het te beschimpen. De cosmetische verandering dient hun welzijn, hun zelfontplooiing en het subjectieve idee van authenticiteit.
Het zijn vaak ontroerende beelden over de eigen wonderen. Die beelden worden altijd versterkt door impressies over voor en na de behandeling. Er kan over worden getwist of die neus nu werkelijk zo ontsierend was als het voor hem of haar leek, maar de resultaten die worden getoond laten weinig of geen twijfel over de esthetische verbetering – ofschoon er voor schoonheid versus lelijkheid geen objectieve maat bestaat. De uiteindelijke presentatie aan de familie vormt onder ovationeel gejuich het hoogtepunt, voor de persoon zelf, voor de familie die op het puntje van de stoel zit, en natuurlijk is het ook het erepodium voor al die experts die met mensenhanden God’s evenbeeld opnieuw hebben gekneed. Voor al deze mensen blijkt ‘every second’ van het wekenlang afzien het volle pond waard. Die op zich korte periode van afzondering en zwoegen, lijkt bepalend voor de rest van hun leven.

De samenleving sluit mensen vanwege uiterlijk ontsierende eigenschappen buiten, minstens in de eigen ervaring van de mensen die hierboven zijn beschreven, herkenbaar ook in de euforie als het wonder is geschied. Alsof ze een nieuw, vers, lichaam hebben gekregen (wat natuurlijk een dwaze gedachte is). Hoe voltrekt zich die uitsluiting, wanneer is dat begonnen? Ligt het aan de fysieke verschijning? Of is het de beleving van de eigen lelijkheid die hen doet uitstralen dat ze ‘zo’ nergens bij willen horen? (Als ik kijk naar de afbeelding hierboven, zie ik een door omstandigheden depressieve vrouw die het in haar moeilijke gang door het leven niet meer de moeite meer waard vond zichzelf te verzorgen, alle wilskracht verloor en waardoor het ook lijkt alsof ze nog dag en nacht huilt. Ze is pardoes uit het dal van berusting getrokken voor dit programma’ en overrompeld door geluk, opgeknapt, en ziet misschien eigenlijk grotendeels zichzelf terug zoals ze was. Vermoedelijk gaat het vanaf nu beter, maar ook blijvend beter? Er moet, dunkt me, nog iets anders zijn dat hier het vraagteken weghaalt. Is alleen deze nieuwe verschijning voldoende om te willen behouden en niet terug te vallen in een soort ‘verloren leven’?)

Duidelijk is dat reclame en televisieprogramma’s hierover overstelpend en opdrin­gerig zijn en geen enkele twijfel laten over ‘the miracles’ die mogelijk zijn. (Sporadisch hoor of lees je over de pijnlijke tegenvallers op dit vlak.) Het is voorstelbaar dat de confrontatie daarmee mensen, diep ten onrechte, in de hoek drukt van de minderwaardigheid, van het lijden, in het ergste geval in die van het isolement. Veel van deze mensen zullen in wat hen wordt voorgespiegeld zich misschien voor het eerst bewust worden wat nu de oorzaak lijkt van hun persoonlijke ongeluk. Wat mij treft, is wat dit in wezen betekent: veel mensen voelen en weten zich niet zomaar ongelukkig, maar weerloos. Dat is niet te dramatisch voorgesteld, want die ongelukkigheid wordt bewerkt – ‘wij maken weer een nieuwe, krachtige mens van u’ - door wat technologisch allemaal kan en onophoudelijk als een relatief betaalbare keuze wordt opgedrongen. ‘Ik word straks niet langer gemeden, maar gevierd’. Is dat zo? Zij vieren zichzelf. Ze wor­den niet opeens door jan en alleman uitgenodigd, maar komen (weer) tevoorschijn.

Wat kan, dat kunnen mensen niet laten.
Eigenlijk kan er teveel?

Soms rijst even de gedachte dat ik me aansluit bij de vele critici die er al zijn, ook al lijkt het dat die een soort rivier vormen die tegen de berg wil opstromen. Mijn argument is dan, dat het te gemakkelijk is en ‘te kort van blik’ te kiezen voor de emotie van mensen van vandáág – dat sluit al onze zintuigen voor de fundamentele vraag die de mensheid zichzelf met de nieuwe scheppingsmoge­lijkheden serveert, namelijk of we er werkelijk en van harte mee instemmen dat voortschrijdende, dominante, technologie de geschiedenis van het menselijk bestaan mag schrijven. Of ligt het in de aard van mensen altijd te kiezen voor al dat profijtelijk is, in welk opzicht ook? Ligt het in het vermogen van mensen af te zien van werkzame technieken vanwege de gedachte dat het moreel verwerpelijk zou zijn steeds meer zelf de schepper te zijn – terwijl het menselijk samenleven een zee van ellende toont die onbeheersbaar blijkt? Waarom speelt de glamour zo’n stekende rol? Wat is ‘echt’? Is de nodige zelfwaardering werkelijk afhankelijk van uiterlijke kenmerken? We zéggen vaak wel, “het gaat er om wie je bént”, maar dat is niet altijd even aannemelijk. Soms zijn schijn en werkelijkheid niet goed te onderscheiden. Soms lijkt de zelfwaardering op een soort nulpunt bevroren of geconserveerd, totdat een het ánder die om haar geeft (om wie zij is) genoeg is en aan de bel trekt. ‘Verbeter je leven in plaats van je lijf’, het is allerminst een loos gezegde, het is vol hoop en aanmoediging, maar het is denkbaar dat het op deze onconventionele wijze toch mede mogelijk wordt gemaakt.

Ik behoud mijn vragen, maar kies voor de mensen. De keuze kent denk ik wel een zeer gemeen maar ook doorzichtig addertje: de televisieprogramma’s, de marketing, worden gemaakt met het doel de ‘gewone man’ het geluk van zijn leven te willen bieden. Dat is de valsheid, de misleiding. De truc genereert een massaal bereik en naamsbekendheid, maar in de realiteit is het ‘lot uit de loterij’ hoofdzakelijk voor welgestelden. Dat is het mondiale, schrijnende, onfatsoen in de mensheid, dat het lijkt alsof het leven, zo het al geluk brengt, alleen bedoeld is voor de elite, alle overigen zijn er voor de gewoonheid, voor het vuile werk, voor het onvervulde verlangen.
Er kan heel veel. Veel van wat werkelijk nodig is, wordt zo langdurig als mogelijk onbereikbaar gehouden tenzij het werkelijk profijtelijk wordt het pad naar klein geluk wat te verbreden.
[Afbeelding: van www.inlandcosmetic.com]

vrijdag, maart 30, 2007

Die Sonne machts möglich

Es gibt keine Sprache wo
man von die Sonne nicht reden kann,
aber Ländern, wo Sie versengt, ja, es scheint eben
dass Sie dort dass Leben vertreiben will.

Ist dass nicht merkwurtig, wir atmen von Ihr
und gleichzeitig führt Sie an zum Tod.
Genau, wir wissen was die Dunkelheit bedeutet, aber
verstehen wir auch die endlose Finsternis,

Ich habe nur ein Bild von mir Heutzutage,
kann mich nicht vorstellen nicht zu sein, gar nicht.
Und dann, dann das rätselhafte Licht
wo die Sonne es selbst sagt, jetzt ist es Tag

und wenn Sie zum schlafen gehen, versunken in der Träumen,
dann ist es Nacht und bin Ich anderswo.
Die Sonne die wir uns schmachten und anbeten,
ist keine Wahrscheinlichkeit, wenn Sie nicht hier ist,

ist Sie dort, in die Wüste zum Beispiel,
es scheint uns so klar von Einfachheit,
die Sonne, der Mohnschein und das Gestirn, oder,
ist dich eine bessere Antwort erdenklich?

[MN, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg. Afbeelding: „Und immer wieder geht die Sonne auf“ von De Kludi.]

donderdag, maart 29, 2007

Morele passages omtrent thuisloosheid X

De onmogelijkheid te leven juist te leven …. We ‘zien’ een calamiteit, een situatie die de resultante is van opeengestapelde problemen, van onverwachte en onaangename ontwikkelingen welke zich gelijktijdig of achtereenvolgens op verschillende levensterreinen (huisvesting, werk, relaties, gezondheid) hebben voorgedaan, een situatie waartegen men niet is opgewassen en waarop met een vlucht, met ontreddering wordt gereageerd. Flucht und Vermeidung sind typisch, herinner ik me van Haider uit Duits onderzoek. De klaarblijkelijke aanwezigheid van ernstige problemen, van ellende, en het onvermo0gen er het hoofd tegen te bieden, betekenen het bestaan van belastende omstandigheden en (kunnen) leiden tot een stuurloos, zwervend bestaan, als de uitdrukking van de ervaring van weerloosheid. Het betekent ook een discrepantie tussen wat gewenst wordt en wat gerealiseerd blijkt, en uit het feit dat dit al over langere tijd blijft bestaan, blijkt het onvermogen om de situatie of zichzelf te veranderen. Ernstige tegenspoed belemmert dit. Dit onvermogen, dat bij velen op grond van ervaringen zo’n weerbarstige vorm heeft aangenomen en dat wordt versterkt door het ontbreken of falen van coping-mechanismen, manieren om ermee om te gaan, en het niet beschikken over andere bronnen, zoals opleidingsniveau, financiële middelen en het beroep, dit onvermogen beschouw ik als de eerste grond van ontschuldiging.
De ontschuldiging is niet louter persoonlijk en psychologisch van aard, maar heeft ook een sociaal-culturele component. De zwerver is niet alleen degene geworden die hij niet wilde zijn, maar tevens in elk opzicht de tegenpool van de ‘ideale’ burger. Hij is de personificatie van een soort ellende dat veelal afschuw en medelijden wekt en (doorgaans) weinig compassie, terwijl aanzien, respect en waardering –fraaier nog is bewondering - de waarden zijn waar het om draait, maar onbereikbaar voor wie niet (meer) in zichzelf gelooft en niet in staat is duurzame en bevredigende relaties aan te gaan. Zijn verschijning is strijdig met het ideaal van de zelfontplooiing, met de idolen van de westerse cultuur als een soort van ‘hemelse staat’: autonoom, bekwaam, harmonieus. Verwaarlozing en isolement, als een extreme reactie op een complexe crisis, als de uiterste vormgeving van eenzaamheid, van het gemis van een partner of vrienden, van het tegelijkertijd niet hebben van werk en (dus) geen inkomen van betekenis en zelfs geen huisvesting meer, doen mensen in een sociaal vacuüm belanden, in een labyrint waarin het zoeken naar een uitweg een onmogelijke opgave lijkt te zijn geworden en door velen ook wordt opgegeven. De teloorgang van het sociale leven, van een privé-leven, brengt met zich mee dat er in tweeërlei opzicht, zowel persoonlijk als sociaal, sprake is van een breuk met de moraal. Deze breuk, dit verlies, is weliswaar inherent aan het persoonlijke onvermogen, maar omdat hieraan een sociaal-culturele betekenis wordt toegekend waaraan men hecht, ligt ook hierin een grond voor ontschuldiging en wijst het feit van de beschadigde mens, omgekeerd, naar de verantwoordelijkheid van anderen.
[Afbeelding: schilderij “De ondersteuning” van Lammert Boerma. Dit is mijn 200ste log.]

woensdag, maart 28, 2007

“Lachwekkende liefde”
On the road to the unusual

Joop, een slanke gespierde vijftiger, kaal hoofd, getatoeëerde armen en een verteller die goud waard is, is trainer bij het kickboksen en na afloop drinkt hij met de jongens een colaatje. (Hij is schilder, voorkomend en buitengewoon aardig, en had al eerder tijdens de koffie verteld dat hij deze zomer met zijn dochter en het gezin van zijn zus een week op vakantie gaat.)
“Nou, het was me weer wat gisteravond. Man wat heb ik er nu al schik in om naar Ibiza te gaan zeg. Vroeg een van de jongens, Boy, ‘hoorde ik het goed, ga je naar Ibiza? Wat ga je daar doen?’”
“Vijverdrijven”, zei Joop, “wat dacht je dan” en hij strekte zich in gedachten al koesterend naar achteren.
“Dan heb ik nog wel een mooi luchtbed voor je”, zei Boy, die overdag in een eroticashop werkt. Een opblaaspop, altijd het mondje van verbazing open. Lola. Als hij speciale wensen had, bijvoorbeeld een flinke of een Surinaamse, dan moest hij het maar zeggen. “Nee, geen bruine”, had Joop gezegd, “maar ik moet wel goed kunnen liggen.” Hij keek met een behaaglijke grimas en klapte van plezier eens op zijn bovenbeen. “Zie je het al voor je?”
“Ja, dat kan ik me wel voor de geest halen Joop, maar je haalt het niet in je hoofd het werkelijk te doen. Zie jíj het al voor je, Lola onder de arm, vijverdrijven!?”
“Néé? Geef mij je emailadres en ik stuur je eind juni de foto’s. M’n zwager, oh, die komt niet meer bij man van het lachen, mijn zus zal het wel niet zo waarderen. Ik zeg gewoon de avond ervoor dat ‘het liefde op het eerste gezicht was en dat ik ‘r morgen mee naar het strand neem’, ja, zo zal het gaan. Ja, heus wel.”
“Je bent de grootste mafkees die ik ken, de eerste misschien die zoiets flikt. Lig je op je buik in het water, zó, je droom wordt werkelijkheid.”
“Leuk toch! Ik leg haar ook gewoon naast me op een handdoek, glaasje limonade in haar mond. Daar lig ik dan, vette zonnebril op. Lola ook tevree.”
Het was een kostelijk halfuurtje van de week. Niks geen platheid, maar het eenvoudigste plezier, en iedereen die het meemaakt, zal, fronsend of niet, in een deuk liggen. Ik benijd hem om de aanstekelijke lach, de humor die ik liever heb dan mijn ernst.
[Afbeelding: “Naked man” (enjoying beachlife) by Gary GDFpro, hoewel de signering een andere naam doet vermoeden.]

dinsdag, maart 27, 2007

Morele passages omtrent thuisloosheid IX

Nederland, maar dat geldt ook voor andere Europese landen, zit stevig onder de cosmetica: er is, op ’t oog, niets aan de hand. Alles is voortreffelijk geregeld, zo is onze welvarendheid toch wel samen te vatten. Onze wereld is ‘in orde’. Van de wieg tot het graf, zowel voor ‘normale’ mensen als voor gehandicapten, óók voor thuislozen. ‘Make-up’ is veelal een dunne laag op een ondergrond die liever niet wordt getoond en zo is het ook met de ‘orde’ – het is een dunne laag over de chaos, de onmenselijkheid, de bureaucratie, de eenzijdigheid, over een wereld van geringe wederkerigheid.
Een bepaald kenmerk van thuisloosheid, de innerlijke rusteloosheid, brengt met zich mee dat een deel van hen zwervend is, een haast consequentieloos bestaan leidt waarin geen idealen lijken weggelegd of voorhanden, en die weinig of geen gebruik maakt van bestaande voorzieningen danwel vanwege de ernst van de meervoudige problematiek niet wordt toegelaten en zo een tragiek in beeld brengt die een zwarte veeg geeft over het bestaan in elke stad en de indruk wekt dat niemand zich om hen bekommeren wil. (Het paradoxale is, dat in de zwerver twee beelden te herkennen zijn: die van iemand die in elk opzicht blut is en tegelijkertijd het meest ‘self-supporting’. Toch kunnen ze slecht voor zich zelf zorgen en dat maakt hen maatschappelijk weer zo opvallend. En veel zwervenden zijn als het ware zelf ‘verantwoordelijk’ voor dit beeld, voor deze ‘misleidende waarheid’, waar zij, tegenover de media, openlijk een ode brengen aan de vrijheid, aan de verlossing uit het maatschappelijk harnas, en toch, niets van deze illusie blijft heel. Het is een zeer begrijpelijke apologie, het is hun ‘zoveelste versie van gebeurtenissen’, met denkbaar steeds weer andere betekenissen, (ook) omdat het perspectief, de manier van vertellen, van hoe je het ziet, in de loop van de tijd verandert. Het belangrijkste is echter, dat de apologie ook een redding is van zijn geestelijke gezondheid. Nee, de thuisloze is niet een ‘onafhankelijke levenswijze natuur’, maar, veelal, een in zichzelf gekeerde persoon die voor velen onbereikbaar is geworden en ook zichzelf niet meer doorgronden kan.) Zwervende thuislozen leven met de minus van hun bestaan. Het zijn kwetsbare en tegelijk taaie mensen want de baas over de beproevingen van het buiten-(gesloten) leven.
Er bestaat voor hen een soort mini-verzorgingsstaat: de ‘oude internaten’, passsantenverblijven of slaaphuizen, centra voor dagopvang, inloophuizen, sociale pensions, begeleid wonenprojecten en dienstencentra. Er bestaat een veelheid aan vormen van solidaire actie en primaire zorg, zoals een busproject, een stoelenproject en medische spreekuren. In al deze voorzieningen treft men vaak een toon aan die duidelijk maakt dat men het opneemt voor de thuisloze, niet vanuit zieligheid, maar vanuit een solidaire instelling en een moreel besef van verantwoordelijkheid. Men keert de thuisloze niet de rug toe of ‘laat hem in zijn sop gaarkoken’, maar treedt hem, idealiter, keer op keer empathisch tegemoet en probeert op realistische wijze aan te sluiten bij zijn mogelijkheden,l en perspectieven te zoeken die zijn gevoel van eigenwaarde geleidelijk weer kunnen opvijzelen. Men heeft zorg voor diens welzijn, men geeft gestalte aan het begrip ‘bekommeren’ en laat het daarin niet afweten.
De keerzijde van de veelsoortige zorg is, dat voor vele zwervenden de bestaande faciliteiten – áls ze er tenminste al welkom zijn en/of er gebruik van willen maken – wel een zekere bestaansbasis vormen, maar (vaak) niét een bron van herstel. Ook al komen zij er dagelijks, het is onvoorspelbaar of en wanneer hun komst van ver buiten de gewone mensenwereld de betekenis krijgt van een wending in hun bestaan. Velen gaan jarenlang door de onmogelijkheid te leven juist te leven.

Er lijkt sprake van een bepaalde morele taal, een taal die als van zelf in zich heeft, dat men binnen de zeer gevarieerde hulpverlening het goede voorheeft met (alle) cliënten, terwijl de praktijk laat zien dat men lang niet altijd in overeenstemming met deze grondslag handelt. Sommigen zijn te smerig, te gek, te asociaal, te agressief, en komen daarom vrijwel nergens binnen. Zo kent ook de zorg nog tal van mazen. Het gevolg van deze (extra) uitsluiting is het opdrukken van schuld waartegen zeker deze mensen geen verweer hebben. Dit roept de gedachte op van een soort ‘laatste oordeel’, van een nadrukkelijk morele houding van afwijzing, van vernedering, en dán is het te gemakkelijk – al ben ik er niet uit – het is niet deze schuldkwestie die hem nog verder marginaliseert, maar het is de onhanteerbare problematiek waarmee wij geen raad weten.
[Afbeelding: schilderij “Vallende man” van Lammert Boerma.]

zondag, maart 25, 2007

Het ongewisse

Het is lente en ook zomertijd
is het weer geworden. In mijn geval
reeds 232 seizoenen.

Het staat bijgeschreven in mijn levensbalk,
en ik lees terug dat acht seizoenen
geleden, daar staat: “hij gaat dood. Of niet?”

De dichter is niet aan de overkant
nu zelfs dit gedicht zijn reis overleeft,
maar eeuwig zal het niet zijn.

Wie zoveel seizoenen telt
als jaren in het jaar,
is een stokoude man.

[MN, in "De wind waait de tijd als zandkorrels weg."
Afbeelding: schilderij “De fiets” van Cor van Geffen.]

zaterdag, maart 24, 2007

Zo klaar van eenvoud naar het schijnt

Er is geen taal die de zon niet kent,
maar wel zijn er landen waar hij brandt
alsof hij alle leven verdrijven wil.

Vreemd, want hij is de enige die we dagelijks
verwachten, van wie we leven, maar kennelijk
voert hij evengoed naar de dood.

Terwijl hij alle dagen overal doorbreekt, ook
al zien we hem niet en we weten wat donker is,
maar een idee wat voorgoed duister is, dat hebben we niet.

Het mysterieuze licht dat wij de dag noemen,
dat zegt de zon zelf want het wordt nacht,
wetend dat wij slapen, dromen en ook weer opstaan.

In onze nachten, ook dan
geen waarschijnlijkheid, maar glijdend naar elders,
over verafgelegen rotsen, zo klaar van eenvoud.

[© MN, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg. Foto van Enno Nuy,
Aerdt, vlakbij Lobith, Het Gelders Eiland.]

vrijdag, maart 23, 2007

Morele passages omtrent thuisloosheid VIII

Het eigen levensontwerp is in het geding, schreef ik in VII. Bij dementerende ouderen, chronisch psychiatrische patiënten en mensen met een verstandelijke beperking zien we eveneens dat een eigen levensontwerp gehinderd wordt, onvoltooid blijft of onmogelijk is. Hun moeilijkheden, tekorten of beperkingen zijn zodanig, dat het hen niet wordt aangerekend onvoldoende zelfredzaam te zijn. Het onvermogen is (juist) het criterium voor noodzakelijke, continue zorg, bij voorkeur steeds zo lang mogelijk in een zo normaal mogelijke omgeving.
Aangezien bij deze groeperingen sprake is van een ouderdomsverschijnsel, een psychiatrische ziekte of een aangeboren handicap, en niet, zoals in zekere zin bij thuislozen, van een (ogenschijnlijk) slordige of roekeloze levensvoering waardoor op alle levensterreinen problemen ontstaan en die een toestand veroorzaakt die we niet erkennen als ziekte, zijn er voor hen specifieke gezondheidszorgvoorzieningen welke tegemoetkomen in hun zorgbehoevendheid en hen bescherming bieden. De onderlinge (etiologische) verschillen zijn groot, maar belangrijker dan deze zijn de overeenkomsten, ook met thuislozen: de afhankelijke, kwetsbare positie, de permanente behoefte aan begeleiding/zorg, het ontbreken van (zelfgekozen) toekomstperspectieven en de existentiële desoriëntatie.
Hoe de verschillende ‘toestanden’ ook zijn ontstaan, in alle gevallen is te spreken van een snel of traag verlopend kwijtrakingsproces, dat de persoonlijke draagkracht doet verminderen en dat zich weliswaar verschillend manifesteert maar waarop, en dat is cruciaal, géén van de betrokkenen controle heeft. De ‘toestanden’ zijn alle te zwaar tegenover de individuele mogelijkheden tot verweer en bovendien niet van menselijke maat, zoals gewone onvrede die bijvoorbeeld wel is. Ze zijn evenmin manipuleerbaar. De dementerende oudere kan een tijdlang het geheugen met notities ondersteunen, maar op zekere dag zal dit zinloos worden. Ook andere ‘afwijkende’ gedragingen zijn op een gegeven moment niet meer te maskeren. De zwerver is niet gebaat met de toewijzing van een flat en een gebudgetteerd inkomen. Hij keert daardoor niet terug naar ‘die’ hij voorheen was, ook al is zijn huidige toestand niet zijn onherroepelijk laatste. Niemand, geen van al deze betrokkenen, kiest ervoor in situaties te geraken die zo complex zijn dat ze leiden tot (zelf)vervreemding, en bij thuislozen vooral tot uitdrukking komend in verwaarlozing en eenzaamheid, in alcoholmisbruik en in een voortdurend, maar fataal gevecht met maatschappelijke regels. Een verlies aan inzicht en oriëntatie, een verlies aan vaardigheden, een verlies aan contact: het zijn juist deze ontbrekende elementen, samen te vatten als het wegkwijnen van natuurlijke wortels in het bestaan, die een adequaat zelfbestuur, zo bepalend voor de individuele waardigheid, in de weg staan.
Kenmerkend voor alle lotgenoten in zorg is het verlies aan existentiële autonomie, en tegelijkertijd is autonomie voor al dezen, behoudens wellicht in ernstige onomkeerbare beperking, zo’n precair ideaal.

De oorspronkelijk gebruikte afbeelding, tekening, van Piet Peere is verwijderd omdat het portret van de man werd herkend als haar vader en de dochter maakte daartegen, terecht - ook meer dan drie jaar later - bezwaar: met oprechte excuses.]

donderdag, maart 22, 2007

Al zei Frank Sinatra ooit, dat “Rock & roll is the most brutal, ugly, desperate, vicious form of expression.” Dat las ik op een grote poster op het stationsperron die me riep met een mooie naakte vrouw met slechts nylonkousen zonder jarretel. Het bleek te gaan om hét Fashionmagazine van nu.
Aan de hand voor haar rechterborst een prachtige ring, dat zag ik later dan die zachtglooiende linkerborst met een tepeltje, zo eenvoudig, zo schoon.
“Zij lokt me, dat is anders dan dat zij wacht.”
“Zij die wacht roept niet, zij wacht op die ene ware, maar er gaan er zoveel voorbij.”
“Is wachten niet bijna hetzelfde als voorbijgaan?”
“Dan noemen we het maar geen wachten meer en ook – dat klinkt zo mooi - niet unerfüllte Sehnsucht.
“Het wachten is haar voorbij, bij tijd en wijle?”
“Ja, het geheim is haar leven want zij staat voor de deur van haar eigen ik.”
“Zij is zich bewust te leven?”
“Ja, te leven, tot in het maximale.”
[ Schilderij ‘Wachtend op de ware’ van Marijke Vonk.]

woensdag, maart 21, 2007

Morele passages omtrent thuisloosheid VII

Schuld(-gevoel) is een eigenaardige, vaak niet reële emotie, aangezien ermee wordt uitgedrukt dat iemand meer had kunnen doen dan in zijn vermogen ligt, terwijl er eigenlijk de eigen nietigheid uit blijkt, maar dát te erkennen is een zwaardere opgave.

Het behoort tot de moraal dat wij ons handelen verantwoorden, niet in de laatste plaats wanneer we niet (kunnen) voldoen aan de norm. Een duidelijk voorbeeld vormt het ziek-zijn. In dat geval worden we een tijdlang van de verplichting tot werk ontheven, maar niet zonder ook tegelijkertijd mee te werken aan een spoedig herstel. In veel gevallen verloopt dit probleemloos en willen we ook zelf zo snel mogelijk weer aan het werk. Moeilijker wordt het wanneer het langer duurt, de klachten aanhouden maar tevens vaag zijn en de betrokkene de indruk wekt er ook weinig zijn best voor te doen om beter te worden. Dan ontstaat het risico dat men voor aansteller wordt gehouden en stuit men in de omgeving op geleidelijk meer weerstanden, zeker wanneer blijkt dat als het maar even kan men gewoon zijn gang gaat en de gestelde norm aan z’n laars lapt. Er is dan sprake van een breuk met de moraal, openlijk en toch in het geniep.
We dienen steeds te rationaliseren waarom we ons inspanning, tijdelijk, opgeven. Dat wordt continu van ons verwacht. Blijft die ‘dialoog met de omgeving’ achterwege, dan maakt men zich schuldig aan onverantwoordelijk handelen en is een veroordeling, in welke vorm dan ook, het onvermijdelijke gevolg. Dat geeft in morele zin ‘goede grond’ aan schuld.
Er zijn ook aanwijzingen van schuld die géén grond hebben in een algemene moraal, maar die (slechts) berusten op kortzichtigheid, op individuele benepen opvattingen over fatsoen, op projectie van iemands onvermogen of (zelfs) op een ‘valse’ algemene moraal, zoals zou kunnen gebeuren wanneer in de media de verwachting wordt gewekt dat alleen thuisblijvende moeders goede moeders zijn.
In het openbaar, buitenshuis, zijn mensen meer kwetsbaar dan in de beslotenheid van het eigen domein, waar luiken, gordijnen of luxaflex de wereld (’s avonds) buiten houden. Die kwetsbaarheid neemt aanzienlijk toe voor degenen die zich letterlijk in een berooide toestand bevinden en nergens terecht kunnen. Voor hen is er de ‘troost’ van het park of portiek, zonder de dimensie van intimiteit, steeds buitenshuis waar veiligheid een illusie is. Buitenshuis, en blootgesteld aan alle mogelijke stressoren, gebukt onder het gewicht van een misère. (Het is de mortificatie van het ‘ik’; het gebrek aan privacy heeft een directe, afbrekende invloed op de identiteit. In de publieke ruimte wordt men als het ware publiek bezit.) Het is als doorfietsen op lekke banden, met als gevolg een onmiddellijke slijtage van vitale onderdelen omdat het rechtstreekse, soepele contact tussen banden en wegdek is verbroken. Het is weliswaar een mechanistische metafoor, maar een die denk ik duidelijk maakt dat van een zich ontwikkelend eigen levensontwerp in de gegeven omstandigheden geen sprake kan zijn. Er is een werkelijkheid waarin eigenlijk niet te leven valt. Ernstige tegenspoed belemmert dit, tegenspoed van lange duur.
Het contrast tussen deze en die andere werkelijkheid, het ‘volle leven’, is zo groot, dat de taal die wij voor hen bedenken een vale kleur heeft vergeleken met alle begrippen die wij gebruiken als wij ná het moment van confrontatie weer overgaan tot de orde van de dag. De deerniswekkende indruk die de zwerver maakt, roept als vanzelf ‘schrik’ over hem af, evenals dat hij, in de volksmond, een stumpert is. Een stumpert op afstand. Is de afstand tussen de burger-zwerver en de burger niet al zo groot dat beiden elkaar negeren, onverschillig zijn en dus ook niet ontvankelijk voor welke taal dan ook? Waarin zou de zwerver nog een uitdaging moeten zien om te veranderen?
[Afbeelding: “Adam en de appel” van Anja Jager.]

dinsdag, maart 20, 2007

Het Gelders Eiland

Drie ongeknotte wilgenbomen
als gewrichten in een rand van aarde
aan de voet van een ontvolkte kerk, en
al wat niet belangrijk is deze morgen,
zelfs een milde wind,
is als in een droom onttrokken
door een zachtmoedige mist, reeds opgaand
in een nieuwe dageraad.

[© Marius Nuy, in ‘De wind waait de tijd als zandkorrels weg’.
Foto van Enno Nuy, Aerdt, ‘Het Gelders eiland’ – 18 maart 2007.]

maandag, maart 19, 2007

Morele passages omtrent thuisloosheid VI
De tragiek van amoraliteit

In de verstoorde relatie tussen zwerver en samenleving is een koude en verlaten werkelijkheid ‘te verstaan’. Van de samenleving krijgt hij een stigma van sociaal disfunctioneren en hijzelf reageert, onder andere, met een verschijningsvorm die zowel de afstand als het verschil accentueert. De maatschappelijke afzondering gaat als het ware hand in hand met het verlies van sociale rollen. Het venijn hiervan is, dat hoe langer dit proces van marginalisering voortduurt, des te minder wordt de flexibiliteit, zowel bij de zwerver als bij actoren uit de samenleving. De sturing uit de omgeving zal afnemen en het bestaan krijgt onwaardiger trekken.
De publieke identiteit signaleert het feit dat ze zich niet lijken te bekommeren om wat anderen van hen denken. Wat hebben ‘zij en de samenleving’ elkaar nog te bieden? Dit is ‘een staat van amoraliteit’. Het gaat dan niet zozeer om immoreel gedrag, het overtreden van regels, maar om het niet beleven van regels. Het afwijken van gangbare waarden en normen en het zichtbaar behoren tot een sociaal inferieure categorie leidt tot negatieve stereotyperingen. Men wordt weggestuurd, nagekeken, genegeerd of ontweken. Deze maatschappelijke, overtuigende, aantasting versterkt het negatieve zelfbeeld waarnaar zij zich ook gaan gedragen, zo zeer wordt het een deel van henzelf.
De tragiek is, dat het een ontwikkeling is tegen wil en dank, en dat we in hun (amorele) verschijning de uitdrukking zien van een verzameling pijnlijke emoties: eenzaamheid, teleurstelling, woede, verdriet, schaamte, schuld, onmacht, wantrouwen, angst. In een houding van lijden, een houding waarin meestal elke trots en waardigheid ontbreken, kunnen we geen positieve betrokkenheid naar de samenleving verwachten. Het is een breuk met de moraal, maar ongewild en daarom niet te betitelen met ‘eigen schuld’. Dit laat onverlet, dat er bij de betrokken mensen sprake kan zijn van gevoelens van schuld – en van (bijbehorende) schaamte – maar die ‘schuld’ dienen we te onderscheiden van eventuele opgedrukte schuld, van het beschuldigd worden, van het mechanisme dat zelfs tot ‘die schuld’ kan leiden, maar er valse grond voor is.
[Afbeelding: “Craig, a homeless man” by Jay Su.]

zaterdag, maart 17, 2007

‘Lees de liefde van mijn lippen’

We kunnen het spreken, ‘ik houd van je’. We kunnen het fluisteren, dromen, schrijven, uitbeelden, we kunnen ernaar verlangen of er in opgaan. We kunnen er niet van leven, maar leven kunnen we het wel. De eeuwig gepredikte en bezongen liefde. Niets dan vuur, dat kan de liefde zijn, maar evengoed wordt ze geofferd, verraden of vermorzeld. Het vuur dooft, de liefde bleek een schijngevel waarachter iemand anders tevoorschijn kwam. Variaties van liefde en lijden staan in ieders hart, maar ook op enigerlei wijze dit schitterende en verrassende beeld van ‘Lovers’ van Pablo Picasso. (100 woorden.)

vrijdag, maart 16, 2007

De dichter in het riet

Het is een enorm waagstuk wanneer je als jonge beeldende kunstenaar in een lege misschien wat Edward Hopperiaanse kamer voor een egale en witte wand staat van bijna zes vierkante meter en je van plan bent er een muurschildering op te zetten. Niet een schilderij op de wand, maar een wand als schilderij. Dat is niet uniek, maar (vaak) wel bijzonder.
De dichter in het riet van de rivier de Pranto nabij de Termas da Azenha, vlakbij de Atlantische kust van Portugal. De Termas liggen op de rand van een rijstvallei die omzoomd wordt door beboste heuvels en door de tijd nauwelijks aangetaste dorpjes. “Over de hele Termas wemelt het van de kunstuitingen en nu heb ik er zelf mijn sporen achtergelaten”, schrijft Daniëla. De titel is “Corot”. Ik heb het even geleend voor deze bescheiden hommage aan de kunst van een zwervende Friezin.
[Afbeelding: muurschilderij “Corot” van Daniëla Meester, http://danielameester.blogspot.com Update: Corot was een Frans kunstschilder, realist, 1797 - 1875.
]

donderdag, maart 15, 2007

Morele passages omtrent thuisloosheid V

De morele problematiek van thuisloosheid is op te vatten als ‘een wereld van verlies’. Dat is niet enkel een emotionele kenschets, maar in vrijwel alle casuïstiek aantoonbaar het geval. Als we denken aan de term ‘zelfbeschikking’ een term die wijst op een beginsel dat tegenwoordig heiliger is dan God, en we dan de vraag stellen of ‘dit leven’, dat van de thuisloze mens, de zwerver, ook ‘zijn eigen werk’ is, dan is daar niet uitsluitend ontkennend op te antwoorden. De ontkenning is geldig voor zover gedacht zou worden dat ‘dit leven’ ook het leven is zoals hij dat zelf heeft gewenst, maar we moeten (toch) beamen dat het gedeeltelijk ‘eigen werk’ is zoals het geworden is.
Het is een wereld van verlies, omdat het een bijna allesomvattend verlies betreft: verlies van bezittingen, verlies van social support, verlies van ontplooiing, verlies van waardigheid. Gezonken levensidealen. Er is vaak sprake van een onontwarbaar web van invloeden, die als duizend duiveltjes tegelijk iemand onttrekken aan alle menselijke verkeer. En natuurlijk heeft hij, de zwerver die hij is geworden, er vaak mede zelf de hand in gehad, maar dat betekent niet dat het verwijtbaar is. Al blijft het een eigen handelen, allerlei factoren kunnen gedrag begrijpelijk maken, niet te verwarren met excuseren. Een gebrek aan inzicht, een stoornis in de waarneming, een tekort aan vaardigheden, het ontbreken van genegenheid en goede steun, of geringe maatschappelijke kansen, het zijn factoren die van zijn concrete daden een ‘voortdurend getob’ kunnen maken dat hem van de wal in de sloot brengt maar dat hem om al deze redenen niet (direct) is aan te rekenen. Dat wil niet zeggen dat hij ontoerekeningsvatbaar is, wel dat hij klaarblijkelijk slecht is geïnspireerd.
De morele problematiek is ook op te vatten als een praktische én innerlijke strijd om het (eigen) bestaan, een strijd die zich, sociaal-economisch gezien op het laagste bestaansniveau, toespitst op twee dimensies: ‘hoe kan ik overleven?’ en ‘wie ben ik (geworden)?’. Het zijn twee existentiële vragen, niet van iemand die zich in een comfortabele situatie bevindt en op zeker moment reflecteert op de eigen omstandigheden en zich afvraagt of het niet eens tijd wordt de bakens te verzetten, maar van iemand in een context van algeheel verlies.
Het is veelal een verlies dat leidt tot troosteloze passiviteit en tot een heuse onverschilligheid naar de heersende moraal. Het is een ongewilde verwijdering van de samenleving en het is aan de samenleving om de terugweg mogelijk te helpen maken.
[Afbeelding: “Homeless” by Dan Gheno.]

woensdag, maart 14, 2007

Hoe een leven verandert in een schilderij

‘De herinnering’ van Zweitse Landsheer is een zeer abstract doek – we zien niets dat concreet is, wat de schilder zich nu eigenlijk herinnerde en in kleur wilde verbeelden. Maar de ‘fout’ kan zijn, te denken dat er iets concreets herinnerd moet zijn. Is daarom het verhaal aan de waarnemer, met het laagje van de schilder eronder?
Ik kijk en denk en vermoed - dat de schilder, tastend in zijn herinneringen, iets heeft be­doeld dat veel­om­vat­tend is, namelijk zijn leven zoals dat tot dan is geleefd, zijn levensloop. Die gedachte roept dit doek op, is ‘hoorbaar’ en te zien, en dan wordt het voor mij wel concreet – het ‘tasten’ heeft ermee te maken dat de schilder zijn zegeningen heeft geteld en er in een compositie van kleuren over vertelt. Deze herinnering, als het de levensloop is, is tegelijk een herscheppen van leven, nee, beter, een oordeel erover.
Ik ben niet thuis in de kleurenleer en ga af op de eigen betekenisgeving. Het is een warm en ruimtelijk ‘oordeel’ (van de schilder). Geen bonte mengeling van kleur, dat zou verwarren – het is standvastig. Een overvloed aan verfijnd geel op een stabiel fundament van paars, van donker naar licht: een vaste basis van spirituele kracht en ingetogenheid, maar ook van drift. Al wat daar op is gebouwd, is comfortabel, veelzijdig, stimulerend, succesvol, veilig. Een schilderij als antwoord. Daarin is het leven samengevat.
Er hangt hier nu een jaar of vijf een pastel van deze kunstenaar (achter glas, een digitale foto doet er onrecht aan) en ik zie het nog elke dag. Het is als een klein vuur aanwezig op het eiland. Het is abstract en ongetiteld. Ik vraag me altijd af waarom het ene abstracte doek wel en het andere geen titel krijgt. Is het omdat het dan een impro­vi­satie is, ‘een oefening in pastel’? Of dacht de schilder, ‘het spreekt voor zich’, het is een gift voor wie het aanspreekt? Maar het spreekt niet voor zich! Als er wel een titel bij staat, zoals ‘De herinnering’, wan­neer is die gege­ven?
En titel of niet, misschien raakt mijn duiding kant noch wal en verbaast het de schilder, zoals auteurs dat ook kennen, wat er allemaal wel niet wordt toegeschreven aan hun werk. Dat is een interessant detail van de ‘hoorbare schilderkunst’ want wat denkt de schilder van de eventuele evidente spraakverwarring?
Het leven als landschap?
“Die ‘herinnering’ betrof niet mijn leven, maar een bepaald onvergetelijk moment in de natuur. Waarom zeg je niks over de zon, daar linksboven?”
“Ja, die zon is niet over het hoofd te zien, maar gaf ik niet direct een aparte betekenis, het symboliseert de geestkracht, het succes. Dát dacht ik.”
Dat schilderijen ‘hoorbaar’ zijn en uitlokken tot gesprek, kent de valkuil dat dit gesprek over ‘de ware bedoelingen’ dient te gaan. Of het een landschap is geweest of de levensloop – wat trouwens in wezen weinig verschilt – is, denk ik, niet het punt. Het gaat er niet om dat de schilder zegt of denkt dat de toeschouwer hem en het doek begrepen heeft; de schilder hoopt minstens dat er niet achteloos aan voorbijgegaan wordt en zich moet afvragen of die man of vrouw soms een spraakstoornis heeft. ‘Zeg er eens wat van’ – en er volgt een variatie aan denkbeelden. Waarheid is niet de norm.
“Dan hindert het toch ook niet als een titel ontbreekt? Jij zei, het is als een ‘klein vuur’, wat bedoel je in hemelsnaam?”
“Dat het niet meer te doven is, steeds weer gezien wordt. Het sprankelt van hoop en aanmoediging, van inspiratie. Het is het verfrissende groen, troostend, kalmerend, en het krachtige blauw, dat nog sterker wordt in het (wisselend) licht dat door de koepel schijnt, dan is ’t een gloed die zich verspreid. Een schilderij dat opvlamt.”
Van A(ppel) tot Z(weitse), het geeft grote vrijheid. “We don't have to turn out a masterpiece everyday. To paint is the thing, not to make masterpieces”, zei Henry Miller. Met schrijven is ’t niet anders.
[Afbeelding: “De herinnering” van Zweitse Landsheer, Rosmalen. Dit schilderij stond eerder bij een log, namelijk op 29 november, maar is nadien op die plek vervangen door een schilderij van Daniël Barber.]

dinsdag, maart 13, 2007

Morele passages omtrent thuisloosheid IV

Thuislozen staan in zekere zin, hoewel er middenin, buiten de gemeenschap. Zij zien de weg naar een dialoog geblokkeerd en zijn in veel gevallen diep gekwetste, gekrenkte, persoonlijkheden. In de literatuur vindt men allerlei metaforen die deze buitenmaatschappelijke positie willen typeren: ‘een vertroebeld zelfbeeld’, een ‘sociaal vacuüm’ of ‘vleermuizen van de samenleving’ Het lijkt inherent aan hun geïsoleerde en toch geprononceerde positie, dat al hun handelen zonder maatschappelijke betekenis is geworden – even afgezien van het straatkrantfenomeen – en dat zij zich bij morele vragen bij voorbaat afzonderen van alle anderen. Alleen hun eigen overwegingen en belangen zijn nog in tel, aangezien hun levenswijze in wezen het uiterste vraagt om te overleven. In zo’n situatie is de bekommernis om zichzelf niet alleen begrijpelijk, maar ook het beste wat men doen kan. Maar het voornamelijk spreken met zichzelf en niet met anderen is eigenlijk een doodlopende weg waarvan sommigen desondanks nooit meer terugkeren.
Het ontbreken van sociale ankers, van perspectieven en motivaties – en dit veelal gedurende langere tijd – leidt tot een zogenaamd ‘brede moraal’. Hun zichtbare gedragingen zijn naar eigen oordeel al gauw geoorloofd want de keuzemogelijkheden zijn zeer beperkt en iedere dag doen zich beproevingen voor waarvan wij de pijnlijkheid slechts kunnen vermoeden, maar niet uit ondervinding werkelijk kennen.
De sociale leefwereld van zwervende thuislozen kent ook bepaalde codes in de omgang, zoals ‘wie wat heeft, deelt dit met anderen’, ‘het niet vragen naar elkaars verleden’, ‘elkaar met rust laten’ en ‘niet stelen van maten’. Dit betekent niet, dat men altijd respectvol met elkaar omgaat of dat men zich steeds door de beperkingen van deze morele regels laat leiden. Het zijn ongeschreven regels binnen het zwerverscircuit die voornamelijk in acht worden genomen door geroutineerde zwervers, maar velen, vooral allochtonen en drugsgebruikers, laten zich er niet door hinderen. De thuisloze, maar dat geldt eigen voor iedereen, bedenkt een moraal die bij zijn praktijk past. Zij zijn geen mensen zonder moraal, ook niet als deze is aangevreten door de omstandigheden, maar hun moraal mist een bedding van rust of van stevigheid om er voldoende op te kunnen vertrouwen, omdat de verlorenheid zich zo sterk aan hen opdringt. Velen van hen leven in zichzelf als in woestijn.
[Afbeelding: “Homeless man”, drawing by Killaby.]

maandag, maart 12, 2007


Bezinning

O gij Slangenburg,
mijn oase in elk jaargetij,
strek je armen naar mij uit
en sluit mij in de kerker
van de rust, de lach, de mildheid,
de genade.

O gij Slangenburg,
een huis van bekommernis
buiten deze wereld,
hier vlakbij, ik en de herinnering
op een eiland vol boeken,
wat zijn je handen ver.

O gij Slangenburg,
uw tijd komt in mijn ziel
alsof ik de stilte al ruik, spreek in mij,
wanneer de wind keert, zal ik, de dwaas,
het eiland verlaten, zal ik wegvloeien
uit alle lawaai en even weer thuis zijn
waar ik woon.


[100 woorden. © Marius Nuy, In:
De wind waait de tijd als zandkorrels weg. Gedichten uit mijn gedachten.
Eerder schreef ik hierover op 29 november 2006.
Informatie over Slangenburg onder de link Bezinning, of zie 10 november.
Afbeelding: “Contemplation” van Wout Wachtmeester.]

zondag, maart 11, 2007

Morele passages omtrent thuisloosheid III

Het leven ontwikkelt zich mettertijd in dialoog met de omgeving. Misschien is dat wel typisch een zin van mij. Albert Camus, daarom denk ik daar nu aan, zegt dat veel krasser. ”Als er een ziel bestaat, dan is het een dwaling te geloven dat die ons volledig geschapen gegeven is. En leven is niets anders dan die lange en folterende baring. Wanneer de ziel gereed is, geschapen door ons en door de smart, dan komt de dood.” Onze ziel wordt hier geschapen, in de loop van ons leven. ‘Identiteit’ is dus niet iets wat is gegeven, niet statisch, maar een levenslang proces. Een machine verslijt”, zei Lersch, een psycholoog, “een machine groeit niet en ontwikkelt zich niet, het leven is daarentegen nooit af.”
Geen mens is er per se op uit zich te isoleren van anderen. In de film Les amants du Pont Neuf – ik schreef erover op 9 december, ‘Het onbenijdenswaardige bestaan V’ – doet de jonge zwerver Alex, een introverte, primitieve, jongen aanvankelijk tevergeefse pogingen een lotgenote te winnen voor zijn hart. Hans, een oude geroutineerde zwerver aanschouwde zijn wanhopige, rusteloze, gedrag, en zegt: “Laat het toch, dit zoeken naar genegenheid. Je hebt er het leven niet naar.” Dat blijkt dan. (Zelfs) in dit liefdesdrama gebruiken ze elkaar en buiten de ander net zo goed uit als willekeurige voorbijgangers.
Persoonlijke relaties met een positieve invloed op het algehele welbevinden zijn er onder thuislozen weinig. Zij hebben wel vaak met veel mensen contact, maar de paradox is dat deze contacten zelden een stimulerende betekenis hebben, maar meer als steun voor het ogenblik fungeren. Hun relatievorming is te zien als een alliantie, allianties die vaak extreem gebaseerd zijn op het principe ‘voor wat hoort wat’. Slaat de wijzer bij een kosten-baten-analyse teveel naar één kant door, dan wordt de relatie verbroken. Dat verklaart het vaak tijdelijke en vluchtige karakter van hun onderlinge contacten. Het geeft tevens aan, dat er sprake is van een onvermogen om in verbondenheid te leven. Er lijkt in deze hoogst bestaansonzekere situatie geen ruimte voor enigerlei betrokkenheid, en dat kenschetst de vicieuze cirkel waarin deze manier van bestaan als het ware vanzelf behouden blijft. Hij, de zwerver, heeft slechts zichzelf en is tevens zichzelf niet genoeg, en dat tekent de talloze desillusies.
[Afbeelding: “Kijk wat ik fluister” van Ton Haring.]

zaterdag, maart 10, 2007

Een kunstenaar vertelt zijn verhaal, maar welk?

Het rauwe en primitieve smijtwerk van Karel Appel is kennelijk een beeld dat bij mij is blijven hangen maar dat hooguit kenmerkend is voor een bepaalde periode en ook mooie, indrukwekkende werken heeft opgeleverd. Het schilderij hierboven, het heet ‘het verloren verlangen’, is met overwogenheid tot stand gekomen, vermoed ik, heeft niets met ongecontroleerde verfverspil­ling van doen en is zelfs niet ‘super’ abstract. Ik vind het een lelijk doek, met kleuren van lijden en jodium. Mensen met littekens van de verbeelding, vergroeide wonden uit de tijd van de processies van hartstocht.
Het is een treurige voorstelling van kwijtgeraakte verlangens. Welke verlangens dat zijn is onduidelijk, maar dat het ernstig is en schade heeft berokkend, dat zie ik op dit doek als verbeeld. De ernst, de schade, de vergankelijkheid van geluk, het lijden, de tragiek van het bestaan, die (herkenbare) dimensies leiden tot vervormingen van de realiteit en die overwegingen hebben de schilder geleid naar deze lelijke abstractie, tot lelijk geworden ‘mensen’ – door onverhelpbare tragiek.
Een andere mogelijkheid is, dat Appel helemaal geen individuele ellende heeft bedoeld, maar iets dat daarboven uitstijgt, bijvoorbeeld, mensen zijn (van nature) slecht, de meeste van hun verlangens blijven onvervuld en dát maakt hen tot monsters – maar dan had ik een andere titel vermoed: ‘de mens ontsnapt niet aan zijn lot’. ‘Het verloren verlangen’ neigt naar iets individueels en zegt als het ware dat je iets kunt verliezen dat dramatische gevolgen heeft.
Maar als het nu eens géén mensen zijn, maar dat wat ze zijn verloren!? Of wat de schilder zich herinnert dat hij kwijt is. Dat is veel eenvoudiger en niet zo dramatisch. Alleen deze schilder was zijn ‘spel’ of droom niet kwijt. Het verlangen wel?
We zien een schilderij. Op een rechthoekig kaartje eronder of rechts ernaast staat de naam van de schilder, de titel en het jaartal. Een beschrijving ontbreekt. Er staat niet: “Die middag moest ik denken aan de poppen van vroeger en dacht dat dit wel een mooi thema was voor een doek. Ik maakte een ruwe schets van een paar primitieve elementen en zette er de kleur van het verleden op.”
[Afbeelding: “Het verloren verlangen” van Karel Appel.]

vrijdag, maart 09, 2007

Morele passages omtrent thuisloosheid II

Er wordt nogal eens geredetwist over de ontstaansgronden van thuisloosheid. De twistpolen zijn: aan de ene kant een overtuigende verdediging dat het wordt bepaald door sociale omstandigheden, incluis de maatschappelijke structuur, en daartegenover het relatieve tegendeel ervan, dat wil zeggen, dat men de nadelige effecten van bepaalde sociale structuren onderkent (bijvoorbeeld wonen in een achterstandsbuurt) maar toch meent dat de oorzaken vooral gelegen zijn in de persoonlijkheid.
Beide ‘profetieën’ hebben het gelijk aan hun kant. Wanneer op casuïstiek niveau wordt nagegaan, welke factoren bij het ontstaan van iemands thuisloosheid van belang zijn geweest, dan blijkt de teloorgang in veel gevallen terug te voeren op een zwakke sociale achtergrond. Soms is daarvan helemaal geen sprake en zijn het vooral bepaalde individuele karaktertrekken die geleid hebben tot een maatschappelijke en persoonlijke isolatie van anderen. Het gegeven, dat vaak maar één uit de kinderrij van een sociaal zwak gezin thuisloos wordt, onderstreept dat persoonlijkheidsfactoren bijdragen aan een negatieve, ontsporende, ontwikkeling in iemands leven. Maar soms, zoals in het deerniswekkende verhaal van Mijny, gaat een heel gezin een bijna onbegaanbaar pad, wordt een dochter misbruikt en vinden zonen de vergetelheid van de drank, omdat de ouders elke menselijke vormelijkheid al lang verloren waren.
Gezinsfactoren en persoonlijkheidsfactoren liggen dicht bij elkaar. Maar het ene kind heeft van nature een grotere veerkracht dan het andere. Ieder individu komt nu eenmaal met een unieke uitrusting aan mogelijkheden ter wereld en heeft een eigen grondstructuur. Veel is daarom afhankelijk van de weerstand, de vitaliteit die kan worden opgebouwd – en dát laat zien dat er een per kind verschillende wisselwerking kan zijn tussen opvoeding en leervermogen. Het verklaart vermoedelijk ook waarom het ene kind uit de rij van zes zich afwijkend ontwikkelt en de anderen meester blijven over zichzelf en de situatie. Sommige kinderen zijn ook meer ontvankelijk voor eventuele relatiestoornissen die in het gezin hebben geheerst.
Vrijwel geen mens blijft bespaard van storm en tegenslag. Hoe deze doorstaan kunnen worden, wordt beïnvloed door de altijd wisselende combinatie van milieu- en persoonlijkheidskenmerken. Gebeurtenissen, sociale feiten en ontwikkelingen hebben op zich geen voorspellende waarde voor het ontstaan van een dramatische opstapeling van problemen. De kans daarop verschilt per individu, per situatie, per levensstadium, en steeds is er weer sprake van een ingewikkelde interactie tussen sociale en maatschappelijke krachten, tussen nature en nurture.
[Afbeelding: Het lijkt de foto van een echte, levende, man, maar het is een sculptuur van Ron Mueck.]

donderdag, maart 08, 2007

Schilderijen lokken uit tot gesprek

Denkend aan abstracte schilderkunst: abstraheren van de werkelijkheid betekent afstand nemen en als het ware pogen de eigen interpretatie van die werkelijkheid ervoor in de plaats te zetten en, in die afzondering, leidt dat vrijwel altijd tot een bepaalde graad van verzwakking van de realiteit, soms zo hevig dat er geen bekende realiteit in is te herkennen – terwijl, en dat is het bijna mysterieuze geluk van beeldende kunst, het dan toch tot de verbeelding spreekt. Kunst ‘spreekt’. “Een schilderij is hoorbaar”, zegt Zweitse Landsheer, beeldend kunstenaar in Rosmalen.
Wat kunstschilders gemeen met elkaar hebben, is denk ik hun fascinatie voor het werken met kleuren, de schaduw en de lichtval, het contrast en de harmonie, maar hoe zij die zeer persoonlijke 'passie' vormgeven, verschilt immens. Als ik me goed herinner, zei Jan Cremer eens, ‘je gooit met verf, je smijt, je kwakt het er tegen aan en ergens in die driftige bezigheid ontstaat het’ – Karel Appel maakte furore met zijn vaak in bezetenheid tot stand gekomen doeken, en sommige vind ik ook ongelooflijk boeiend om naar te kijken. En dat hebben kunstschilders denk ik eveneens gemeen, dat bewust en in eenzaamheid tasten naar de mogelijkheden iets tot stand te brengen, én de gedrevenheid.
Over het werk van Karel Appel (en geestverwante schilders) werd vaak de opmerking gehoord, ‘ja, dat kan mijn zoon van negen ook’, maar dan gaat het eigenlijk uitsluitend om het bijna tastbare geklodder dat te zien is, en niet om de beweging, de bezetenheid en verbeelding, de trance misschien, die er achter zit. ‘Is dit kunst!?’ Soms is kunst een raadsel. Ik vind het niet gemakkelijk om in abstract werk altijd te kunnen ontdekken wát er nu zo geweldig aan is, maar ik denk ook en vaker dat je niet alle vragen moet willen oplossen.
Soms is het vuur, één en al kracht en dynamiek. Van warmte? Van bewondering? Van kwaadheid? Ik ken de woorden er niet voor, als het doek je maar aanspreekt, de emotie ‘bespeelt’, je ziel raakt. En aan al wat je werkelijk raakt, raak je gehecht. Schilderkunst bindt bijeen, ook dat. Net mensen, het leven wordt een schilderij.
‘Verbeelden’, ‘hoorbaar’, ‘oproepen’, ‘bespelen’ en ‘aanspreken’ liggen hier dicht bijeen. Zowel elk doek heeft in zichzelf gedachten en antwoorden, maar ook bij degene die het aanspreekt, worden gedachten en vragen gewekt. Zo ontstaat er een dialoog, terwijl schilder en toeschouwer elkaar niet spreken en meestal niet eens kennen.
[Afbeelding: “L’oiseau de feu” van Zweitse Landsheer, geïnspireerd door het gelijknamige muziekstuk van Igor Stravinsky.]

woensdag, maart 07, 2007

Morele passages omtrent thuisloosheid I

Het lot van mensen die zichtbaar achterop zijn geraakt en, tegen wil en dank, publiekelijk maar daarom niet vrijwillig hun verlatenheid demonstreren, dringt beelden aan ons op die zowel verwarrend zijn, vluchtig als onuitwisbaar. (Joachim Fest: “In dezelfde stad, het lijkt, soms, alsof twee tijdperken elkaar ontmoeten.”) Zij, de zwervers, de heterogene ‘troep’ straatbewoners schenden de straatetiquette. We ‘weten’ ons bekend met het menselijk verval en toch blijft het ons vreemd, oninvoelbaar, vermoedelijk omdat de confrontatie met de ‘verloren waardigheid’ zo moeilijk op het eigen leven is te betrekken. De zingeving van ons bestaan is immers afhankelijk van uiteenlopende symbolen van waardigheid. En natuurlijk kennen ‘wij’ de dieptepunten uit ons leven, maar niet één ervan lijkt op het klaarblijkelijke eindpunt van de zwervers, dat niet werkelijk een eindpunt is maar wel ontdaan van menselijke kwaliteit. Hun opmerkelijke, soms (ook) esthetische afschuw wekkende verschijning, en van sommigen ook het gedrag, druist in tegen de morele regels, want, zoals de ethica Heleen Dupuis ooit schreef, ‘wij streven er naar om een goed leven te leiden, goed in overeenkomst met onze plichten of ook goed in de zin van menswaardig’. Hoewel de moralen van deze tijd inhouden dat ieder individu, zelf de morele regels wegend, een eigen weg kan inslaan, zien we nu juist hier, in het openbaar, een breuk met de moraal. Een breuk die verwijst naar tragiek, naar een toestand die het gevolg is van een geleidelijk en soms een zich snel ontwikkelend proces van verlies, eerder dát dan het gevolg van een voortdurend tekortschieten uit opzettelijkheid of onwil, waardoor het morele oordeel van velen hen direct benadeelt ‘omdat het hun eigen schuld zou zijn wie zij zijn geworden’.
[Schilderij “Ausgeschlossen” van Idun, malerin in Vienna.]

dinsdag, maart 06, 2007

View on a part of my Island

Sinds gisteravond heb ik een nieuw ‘Blogger-design’ en ik geloof dat alles in orde is gebleven, met uitzondering van de Links. Ik ga het zeker herstellen want juist gisteren had ik er een weblog aan willen toevoegen, namelijk die van Daniëla Meester, vooral vanwege haar (muur)schilderijen. Een bevriend schrijfster – ik vind ‘blogster’ écht geen woord – heeft me aangespoord de metamorfose, die ik eigenlijk niet aandurfde, te wagen omdat het vooral de leesbaarheid zou verbeteren. Dat is zo, en van de weinige mogelijkheden die B biedt, is dit, op één na, de mooiste. “Goodbye, my black winter coat”, en ik drukte op enter. Een fraai en gewichtig ‘detail’ nu is natuurlijk de kop van de vuurtoren, links in de hoek.
Zó zet ik vanuit de keuken de eerste voetstappen op het eiland. Het is de tropische kant want het heeft een schuin glazen dak. Na de boekenkast links bevindt zich het atelier waar ik de alledaagsheid leef. Morgen is het twee jaar geleden dat onvermoed mijn ‘nieuwe tijdperk’ begon, maar morgen ga ik ook gewoon weer verder met waar ik gebleven was.
[Rond middernacht las ik dat anderen er al verguld mee zijn. Gelukkig. Maar die links zijn nog niet zo gemakkelijk gerepareerd. Whoopsadaisies!]

maandag, maart 05, 2007

Professor Zeemeeuw, een autoriteit op het gebied van afzien

In het Tate Modern in Londen bevindt zich het eigenaardige schilderij van Joe Gould waar Mitchell in het boek een tijd naar gezocht heeft en dat uiteindelijk heel precies beschreven wordt.

Veel boeken verschijnen en verdwijnen. Maar als ik het boek van Mitchell nog eens uit de kast grijp, weet ik weer met hoeveel plezier ik het las en het enige dat ik kan doen, is er aan herinneren, aan Het geheim van Joe Gould. Wat het geheim van Joe nu precies behelst, laat ik onbesproken. Het zou elke aansporing het boek te lezen in de kiem smoren. Maar ik wil er wel iets over vertellen want het is een wonderlijke geschiedenis. En of het nu feiten zijn geweest of fictie, de verbeelding had een functie - dat heeft te maken met iets dat wezenlijk is voor veel zwervende mensen, namelijk dat hun verhalen, of die nu zijn verzonnen of op waarheid berusten, nodig zijn voor het behoud van hun identiteit waarvan veelal al zoveel is weggevallen. Zij moeten zichzelf en hun wereld elk ogenblik zelf creëren. Dat wordt bijvoorbeeld ook heel duidelijk in de vele merkwaardige en absurdistische verhalen van Oliver Sacks. Hij zegt ook in De man die zijn vrouw voor een hoed hield: “In biologisch en fysiologisch opzicht verschillen we niet zoveel van elkaar: in historisch opzicht, als vertellingen, is ieder van ons uniek. Ieder van ons is een biografie.”
Joe Gould was een zwerver in Greenwich Village, New York – “a small area below 14th Street and west of Broadway ... has been a Mecca to the creative, rebellious and Bohemian, although today no starving artists could affort to live here” (zoals is te lezen op internet) - over wie meteen een paar intrigerende feiten worden vermeld: gestudeerd aan de universiteit van Harvard (zijn kandidaats artsexamen gehaald) en begeesterd door één reusachtig levensdoel, namelijk een boek schijven over ‘de gewone mens’.
Zijn leven gaat zwervend een bijna onveranderlijke gang, tot aan zijn dood in 1957. (Laat dit jaartal u niet op het verkeerde been zetten en denken dat het een gedateerde story is. Het is een intrigerende reconstructie van een leven aan de zelfkant van New York, hartverscheurend soms, maar boordevol leven.) Een zonderling pur sang die gedichten vertaalde in het geluid van meeuwen – Skkrie-iek! Skkrie-iek! -, die opschepperige speeches, meer verwarde monologen, hield en die er ogenschijnlijk bewust voor koos zich aan niets en niemand te binden en te bedelen om zijn levenswerk te kunnen bekostigen. Enkele keren werden fragmenten uit zijn Oral History Of Our Time gepubliceerd in obscure literaire blaadjes, in het meest intellectuele tijdschrift van die tijd (1929) ‘The Dial’ en ook eenmaal in de kersteditie van het tijdschrift ‘The New Yorker’. Grote schrijvers als Ezra Pound en E.E. Cummings waren zeer onder de indruk.
De lotgevallen van Joe Gould worden in dit boek tweemaal verteld. Twee zienswijzen op dezelfde man, eerst in 1942 en ruim twintig jaar later - jaren nadat Gould overleed aan een hartstilstand terwijl hij een meeuw imiteerde - nogmaals, maar dan zo gedetailleerd dat we daarin tegelijkertijd een derde verhaal lezen: dat van de schrijver Joseph Mitchell, een man die zich laat kennen als een groot, geduldig en compassievol luisteraar, met oor en gemoed, een man die eigenlijk óók de schrijver is van An Oral History. (Dit ‘derde verhaal’ is er niet echt, het is mijn interpretatie. Maar het is er ook weer wel, omdat Mitchell onwillekeurig vertelt over hoe zijn leven verloopt, hoe en waarom hij spijt krijgt verwikkeld te zijn geraakt in het leven van deze zwerver, maar ook: waar zijn compassie voor Joe op berust. En in dit denkbeeldige derde verhaal geeft Mitchell een geheim prijs, dat niet een geheim is maar wel veel lijkt op het geheim van Joe.)
’Wie is toch Joe Gould, hoezo dakloos?’, dacht ik, - een toevallig slachtoffer van verschrikkelijke pech of ligt de tragiek dieper, en al lezend schoot mij telkens ‘the force of no direction’ te binnen, een zinsnede in het boek Tunnelmensen van Teun Voeten. Waar kwam dat vandaan, wat was de grond daarvoor? Was het rebellie, een rusteloos en dromerig karakter of een niet eindigende nasleep van nooit overwonnen kwetsuur?
Op een profetische ochtend in 1917 neemt Joe Gould, afkomstig uit een welgestelde artsenfamilie, zich voor ‘de mondelinge geschiedenis van onze tijd’ te gaan schrijven: “(..) het is mijn houvast, mijn kost en inwoning, mijn vrouw en lellebel, mijn wond en het zout erin, het is het enige waar ik ene donder om geef.”
Joe Gould zag er uit als een schooier en leefde ook zo. Een kleine, viezige man, een meter zestig, met een nasaal klinkende stem en waterige ogen. Altijd gehuld in kleren die roken naar de in nachtasiels gebruikte ontsmettingsmiddelen en onafscheidelijk van een grote archiefmap waar inkt in zat, schoolschriftjes, literaire blaadjes, een zak vol sigarettenpeuken en andere prullaria. Een stevige drinker, maar als hij geen geld had, was het ook geen punt. “Ik kan ’m al om krijgen als ik tien minuten heel diep ademhalend voor een kroeg heen en weer loop.” (Is dit geen gouden zin? Het is niet de enige.)
Hij sliep in portieken of logementen op de Bowery en wist dat meer dan vijfendertig jaar vol te houden. Hij zwierf door de stad, hing rond in bars en cafetaria’s en zat vaak driftig in goedkope schoolschriftjes te pennen. Geen enkel detail in zijn leven was hem te onbeduidend om erover te schrijven. De verhalen daarover en daaruit zijn fascinerend, curieus, innemend, onsamenhangend en soms hartverscheurend. Elk verhaal begon met een in kapitalen geschreven titel, zoals ‘De Gevreesde Tomaatverslaving’, ‘Sadistische Artsen’, ‘Gigantische Tumoren’, ‘Zo Dronken Als Een Tor’.
De lezer moet geduld betrachten, maar duidelijk wordt waarom hij nooit volwassen kon worden en waarom er geen andere weg dan deze vlucht achter een masker mogelijk was. Nooit, nooit gekregen wat hem toekwam, maar een meester in het overleven op straat, een autoriteit op het gebied van afzien.
Het geheim van Joe Gould is de zoektocht naar de snippers van een biografie. Mitchell is er niet aan begonnen om Joe’s dakloos-zijn te kunnen doorgronden, maar om kennis te nemen van een ‘Oral History’. Hij deed dat vanuit een fascinatie voor mensen met verhalen, een fascinatie die beproefd wordt en opbreekt maar uiteindelijk leidt tot een kroniek die het waard is gelezen te worden.
[Joseph Mitchell, Het geheim van Joe Gould, Atlas 2001 (223 pag.), 6.90 euro in de ramsj. De afbeelding: “Joe Gould” geportretteerd door de New Yorkse Alice Neel. J. Mitchell is de auteur van McSorley’s Wonderfull Saloon in 1943, van Old Mr Flood (1949), van The Bottom of The Harbour (1960), en natuurlijk van Joe Gould’s Secret (1965). In 1993, drie jaar voor de dood van Mitchell, publiceerde Random House’s Modern Library de verzamelde werken in Up In The Old Hotel And Other Story’s. Centraal staan levensverhalen, portretten van mensen die leven aan de periferie van een metropool, aan de oneindige waterkant van New York.]

zondag, maart 04, 2007

Het is waar, het is een treurig stemmend verhaal van een vrouw die zich uit haar verleden vol misbruik en geweld poogt op te werken. Deze geschiedenis is ge­ba­seerd op ware gebeurtenissen “zoals door Mijny verteld.” Het boekje van 32 pagina's is bij uitgeverij Cabinet Cuvinte te bestellen en kost € 4,10 inclusief verzending. Bestellen? Stuur een email: brinkman_frans@yahoo.com en vermeld uw postadres, de titel en het aantal exemplaren dat u wenst te ontvangen.

zaterdag, maart 03, 2007

Van deze wereld ga ik ijsberen

Na ruim een derde – en intussen ben ik al weer verder – een tweede impressie van de zich als magnifiek openbarende dagboekschrijver Leo Vroman, Amerikaans staatsburger sinds 1951, wonend in Forth Worth, Texas. ‘Magnifiek’ zeg ik, terwijl élke dagboekschrijver, of je nu Gide leest of Vroman hoewel ze in alles van elkaar verschillen, hun geschrijf op gezette tijden dwaas en onvermeldenswaard geleuter noemen, maar wie ook, geen zal dergelijke passages schrappen. (“Als ik dit nu eens overlees met het hoofd van een vreemdeling zie ik van de 132 woorden er geen die me zou boeien.”) Dat schrappen zou ook onecht zijn want ze horen bij de alledaagsheid van het leven, en juist daarin, in dat almaar alledaagse oefenen in het schrijven, vinden we dan de krenten. Onecht want het is ondenkbaar uitsluitend op de top te leven of een aaneenrijging van briljante zinnen te maken, alles (te) weloverwogen en onwrikbaar aan elkaar vast, ergerlijk om te lezen alsof er een laag stof op zit die je steeds wilt wegblazen maar dat lukt dan niet.
(Veel dagboeken die ik twintig jaar geleden zo intensief heb gelezen en al die tijd op hun plek staan, zou ik willen herlezen maar daar gaat, net als in slapen. zoveel tijd in zitten.)
Hij is een oude man die steeds de grotten van rimpels in zijn handen ziet, hij is een man die geestig is en van storm en bliksem houdt want dat valt buiten zijn verantwoordelijkheid, hij genoot ook van storm op zee want hij dacht dan dat hem “de kans werd geboden onschuldig te sterven.” Hij is een dichter die het tijdelijke wil en “verzin een graf dat iedereen vergeet”, het tijdelijke, zoals Herman de Coninck dat ooit in een prachtige strofe schreef: “heb het tijdelijke met het eeuwige vaak genoeg verwisseld in mijn poëzie om te weten dat ik het tijdelijke wil.” Alhoewel, hij (Leo) kan er ook over mijmeren hoe iets van hem in een vacuümverpakking ergens terechtkomt en dat toeristen in hun duikboten over vijfduizend jaar de onderzeese woestijnen van Holland herontdekken, en warempel, ook al die goed verpakte onverkochte werken. Vroman is een heel andere dichter dan De Coninck, maar hij is wel een dichter, hij is een wonderlijke rijmdichter die al rijmend een verhaal vertelt waardoor het rijm je haast zou ontgaan als het in doorlopende zinnen geschreven zou staan. “Die eerste nacht kwamen desalniettemin twee Duitsers uiterst samen de buurkamer in. We hoorden op hun tv een astmatische film beginnen en de twee deden mee. Het hijgen zwol aan, zwol en … en zweeg. Even stroomde er kraanwater en een uurtje later was de kamer weer leeg.”
Hij is een nooit in zichzelf stille man, zoals ik ook ben, en hij is een man wiens “hersens geloven dat ze niet meer zo stabiel zijn”, een man die ontroert, voor wie natuurlijk de ouderdom nieuw is en oog in oog met al die knobbeltjes en vlekjes en haartjes op zijn grote lichaam (“mijn god, wat zijn mijn handen gerimpeld, ik lijk mijn grootvader wel”), maar “als het zo onrein is wat moet ik dan met Tineke, ik heb haar onder mijn vacht van verval immers lief.” De ouderdom is net als de vitaliteit volop aanwezig, zo fris als groen of zo angstig als trillend riet. Soms voelt het opeens alsof zijn lichaam hem gaat verlaten, en “ik ergens in een windstille storm op zee bestond zonder boot.”
“Van deze wereld ga ik ijsberen”: hij kan zich kort en hevig opwinden over Bush en Rumsfeld “want wat zij verbergen begint op Nazi-Duitsland te lijken en misschien wel op daarna”, “ik houd veel van het bloed van Bush, maar niet van Bush”, op diens vaarwel kan hij haast niet wachten. “Hoe komt het toch dat zoveel mensen doof en blind zijn voor dit vuige bedrog?” Of het blijkt simpelweg uit de spanning van dit zinnetje (als daarvóór is geschreven dat een opstandeling in Irak met een mes is onthoofd): “Ik vraag mij dan herhaaldelijk af of de pijn lang schijnt te duren, en of het vallend hoofd nog iets zag. Is dit heus de beste planeet?” Later: “Het is misschien maar beter om me oud te voelen en op een snel toenemende afstand van alles.”
Leo en Tineke, respectievelijk bioloog en antropoloog, beiden met een doctorsgraad, hij, de oude wetenschapper en disaster-freak, is de schrijver-dichter die altijd in de weer is, zij leeft meer daarachter, tekent zijn levenskracht en heeft een geheugen waaraan nooit iets ontsnapt. Elkaars toegewijde. Zij ontgaat hem niet. Nooit. Voordat hij plots in een droom vertoeft, staat bijna terloops genoteerd dat “de onschuld van haar nek en schouders ongeschonden blijft, samen met haar ingebouwde tederheid.”
Ik ben nu op pagina 448 en misschien kom ik nog één keer terug want ik mag er nog 300 lezen. Dat zal toch ook weer, hoewel van dezelfde man, over iets anders gaan. En ik besta op het eiland om te schrijven. “Een mus op het balkon pikt onzichtbare insecten in de ondergaande zon. Nog een paar jaar, dan is ze zelf dood.”
[Afb.: Zelfportret van vele jaren geleden. Leo Vroman, Misschien tot morgen. Dagboek 2003-2006, Querido. Ik schreef eerder over dit boek op 9 februari, “De tijd van Vroman”.]

vrijdag, maart 02, 2007


Woestijnen en oases

Ieders leven kent een grens tussen twee belangrijke stadia: het verleden waarin men is gevormd om deze grens te bereiken en toekomst waarin men hoopt te realiseren dat dit alles terecht is geweest. Ik heb die grens pas laat bereikt. Het betekende niet dat er een grens was aangebroken van oogsten, maar van ontdekken hoe ik mij werkelijk verhoud tot de wereld om mij heen.
Ieders leven kent woestijnen en oases. Wat mij onophoudelijk raakt, is dat in het bestaan van thuislozen bijna voortdurend sprake is van eenzaamheid, een vloek, een verlatenheid, - aldoor aan de rand van de armoede. Sommigen lukt het zich te bevrijden uit het isolement, anderen moeten leven in zichzelf als in een woestijn. Hun bestaan, een vorm van menselijk lijden, is een roep naar de samenleving en een goede samenleving zal zich willen verweren tegen dit lijden. Hier, en dan in het bijzonder naar thuislozen, refereer ik aan die (behoeftige) strofe uit een gedicht van Rutger Kopland: ‘() …. het geluk moet ergens en ooit zijn omdat wij ons dit herinneren en dit ons.’
[Ik schrijf met opzet maar eens enkele korte stukjes. Kopland schreef dit gedicht met de hand van R. van den Hoofdakker, ongeveer tien jaar geleden in De biologie van het geluk. Het was zijn afscheidscollege als hoogleraar psychiatrie. Deze ene regel heb ik altijd bewaard. De afbeelding, “Memories” is van C. Mandt (2005), uiteindelijk ervoor gekozen omdat herinneringen vervagen, vertekenen, beschadigd zijn, verloren gaan, zoals Kertész schreef, dat hun verhalen de betekenis verliezen.]

donderdag, maart 01, 2007

Vluchten leidt tot verlies

De wereld is zo ingericht dat mijn perceptie en mijn beleving permanent worden beïnvloed. De media fungeren als een wind die om mij heenslaat, gedeeltelijk misschien om het hoofd koel te houden maar zeker ook om te zorgen dat ik niet ontkom aan wat er gaande is. Ik dien het, dag in dag uit, te ordenen in mijn bewustzijn en het heeft een aandeel in alles wat ik creëer. Al mijn gedachten en daden zijn gebonden aan ‘mijn wereld’. De stand van de ontwikkelingen heeft ervoor gezorgd dat niet één samenleving, geen mens, zich nog kan onttrekken aan ‘de zintuigen van de wereld’.
We leven in een hyperactieve tijd. Wie meedoet, heeft de wind in de zeilen. Welvaart, comfort, bezit. We zijn begeesterd door het materialisme, kennen de vleugels van vrijheid en antipaternalisme en lijken ons te beperken tot wat we rationeel kunnen begrijpen of willen aanvaarden. Consumentisme. De onmiddellijke bevrediging. Het is een bestaan dat allesbehalve gekenmerkt wordt door een sobere levensstijl. ‘Hier draait het om in het leven, om, individueel, deze standaard te bereiken’, dat lijkt de monistische overtuiging van het Westen. Maar er is niet één onomstreden conceptie van het goede leven.
Er zijn er meer dan we weten die leven met gevoelens van ‘geestelijke ongeborgenheid’, omdat men het zelf moet uitzoeken, almaar zelf keuzes moet maken terwijl men vroeger werd geleid door grotere sociale verbanden. “De schaduw van religieuze en politieke systemen die tegelijkertijd knelden en troostten, is verdwenen”, schreef de literator Mario Paz. Het is de keerzijde van de welvaart die velen naar of over de rand van de armoede voert. Nu is het ontbreken van die traditionele kaders ondertussen een ‘oud’ argument, maar een feit is dat je in veel opzichten sterke benen nodig hebt om de weelde van vrijheid te kunnen dragen. Voor de een is deze vrijheid een uitdaging, voor de ander een last.
Er zijn vluchtwegen te over. (Maar hoe ver moet je gaan?)
[Afb.: “Man with his bottle” by Zygimantas Augastinas. De mooiste roman over de moderne westerse mens is die van Michel Houellebecq, Platform. Midden in de wereld, De Arbeiderspers, hoewel het woord ‘mooiste’ wel heel betrekkelijk is want ik herinner me toch ook het magistrale boek van Joseph Heller, Een voorval, Anthos/Diogenes, 1995.]