
Na ruim een derde – en intussen ben ik al weer verder – een tweede impressie van de zich als magnifiek openbarende dagboekschrijver Leo Vroman, Amerikaans staatsburger sinds 1951, wonend in Forth Worth, Texas. ‘Magnifiek’ zeg ik, terwijl élke dagboekschrijver, of je nu Gide leest of Vroman hoewel ze in alles van elkaar verschillen, hun geschrijf op gezette tijden dwaas en onvermeldenswaard geleuter noemen, maar wie ook, geen zal dergelijke passages schrappen. (“Als ik dit nu eens overlees met het hoofd van een vreemdeling zie ik van de 132 woorden er geen die me zou boeien.”) Dat schrappen zou ook onecht zijn want ze horen bij de alledaagsheid van het leven, en juist daarin, in dat almaar alledaagse oefenen in het schrijven, vinden we dan de krenten. Onecht want het is ondenkbaar uitsluitend op de top te leven of een aaneenrijging van briljante zinnen te maken, alles (te) weloverwogen en onwrikbaar aan elkaar vast, ergerlijk om te lezen alsof er een laag stof op zit die je steeds wilt wegblazen maar dat lukt dan niet.
(Veel dagboeken die ik twintig jaar geleden zo intensief heb gelezen en al die tijd op hun plek staan, zou ik willen herlezen maar daar gaat, net als in slapen. zoveel tijd in zitten.)
Hij is een oude man die steeds de grotten van rimpels in zijn handen ziet, hij is een man die geestig is en van storm en bliksem houdt want dat valt buiten zijn verantwoordelijkheid, hij genoot ook van storm op zee want hij dacht dan dat hem “de kans werd geboden onschuldig te sterven.” Hij is een dichter die het tijdelijke wil en “verzin een graf dat iedereen vergeet”, het tijdelijke, zoals Herman de Coninck dat ooit in een prachtige strofe schreef: “heb het tijdelijke met het eeuwige vaak genoeg verwisseld in mijn poëzie om te weten dat ik het tijdelijke wil.” Alhoewel, hij (Leo) kan er ook over mijmeren hoe iets van hem in een vacuümverpakking ergens terechtkomt en dat toeristen in hun duikboten over vijfduizend jaar de onderzeese woestijnen van Holland herontdekken, en warempel, ook al die goed verpakte onverkochte werken. Vroman is een heel andere dichter dan De Coninck, maar hij is wel een dichter, hij is een wonderlijke rijmdichter die al rijmend een verhaal vertelt waardoor het rijm je haast zou ontgaan als het in doorlopende zinnen geschreven zou staan. “Die eerste nacht kwamen desalniettemin twee Duitsers uiterst samen de buurkamer in. We hoorden op hun tv een astmatische film beginnen en de twee deden mee. Het hijgen zwol aan, zwol en … en zweeg. Even stroomde er kraanwater en een uurtje later was de kamer weer leeg.”
Hij is een nooit in zichzelf stille man, zoals ik ook ben, en hij is een man wiens “hersens geloven dat ze niet meer zo stabiel zijn”, een man die ontroert, voor wie natuurlijk de ouderdom nieuw is en oog in oog met al die knobbeltjes en vlekjes en haartjes op zijn grote lichaam (“mijn god, wat zijn mijn handen gerimpeld, ik lijk mijn grootvader wel”), maar “als het zo onrein is wat moet ik dan met Tineke, ik heb haar onder mijn vacht van verval immers lief.” De ouderdom is net als de vitaliteit volop aanwezig, zo fris als groen of zo angstig als trillend riet. Soms voelt het opeens alsof zijn lichaam hem gaat verlaten, en “ik ergens in een windstille storm op zee bestond zonder boot.”
“Van deze wereld ga ik ijsberen”: hij kan zich kort en hevig opwinden over Bush en Rumsfeld “want wat zij verbergen begint op Nazi-Duitsland te lijken en misschien wel op daarna”, “ik houd veel van het bloed van Bush, maar niet van Bush”, op diens vaarwel kan hij haast niet wachten. “Hoe komt het toch dat zoveel mensen doof en blind zijn voor dit vuige bedrog?” Of het blijkt simpelweg uit de spanning van dit zinnetje (als daarvóór is geschreven dat een opstandeling in Irak met een mes is onthoofd): “Ik vraag mij dan herhaaldelijk af of de pijn lang schijnt te duren, en of het vallend hoofd nog iets zag. Is dit heus de beste planeet?” Later: “Het is misschien maar beter om me oud te voelen en op een snel toenemende afstand van alles.”
Leo en Tineke, respectievelijk bioloog en antropoloog, beiden met een doctorsgraad, hij, de oude wetenschapper en disaster-freak, is de schrijver-dichter die altijd in de weer is, zij leeft meer daarachter, tekent zijn levenskracht en heeft een geheugen waaraan nooit iets ontsnapt. Elkaars toegewijde. Zij ontgaat hem niet. Nooit. Voordat hij plots in een droom vertoeft, staat bijna terloops genoteerd dat “de onschuld van haar nek en schouders ongeschonden blijft, samen met haar ingebouwde tederheid.”
Ik ben nu op pagina 448 en misschien kom ik nog één keer terug want ik mag er nog 300 lezen. Dat zal toch ook weer, hoewel van dezelfde man, over iets anders gaan. En ik besta op het eiland om te schrijven. “Een mus op het balkon pikt onzichtbare insecten in de ondergaande zon. Nog een paar jaar, dan is ze zelf dood.”
[Afb.: Zelfportret van vele jaren geleden. Leo Vroman, Misschien tot morgen. Dagboek 2003-2006, Querido. Ik schreef eerder over dit boek op 9 februari, “De tijd van Vroman”.]
10 opmerkingen:
Het tijdelijke willen... ja, Marius, in deze gedachte kan ik me helemaal vinden.
Van deze wereld ga ik ijsberen: nog zo'n beklijvende zin.
Wat maakt je logjes toch zo boeiend voor mij? Omdat ik hier wis en waarachtig pràchtige ideeën vind...
Marius, ik zou je graag iets willen schrijven over 'Liefde in een spoor van Wanklanken', maar ik weet niet zo goed WAAR dat op je blog zou passen.
Julia H. (de H. omdat ik zag dat er al een Julia is...)
Ja, ik moet dit boek Leo Vroman ook gaan kopen. Wat prachtig geschreven. Ik heb van deze kleine aanhalingen al een brok in m’n keel. En wat je ook schrijft, dat alles wat je schrijft niet altijd literatuur kan zijn. Ook schrijvers blijven altijd oefenen. Bijschaven, verbeteren.
> Julia H.: Soms ga ik hier mogelijk 'te snel' (gelukkig geen twee per dag), maar zo opeenvolgend kan het toch teveel zijn. Morgen een rustdag en voor die rustdag maak ik dadelijk iets over 'Liefde ...' (want de verkoop loopt voor geen meter). Maandag zet ik 'de eigen reis weer voort'.
De boekjes zijn bij mij ook binnen,maar nergens geen reknr vermeld.dusss..zucht... niet dat ik een wanbetaler ben/wordt..
Ik heb nog nooit iets van Leo Vroman gelezen. Het wordt nu wel tijd geloof ik.
Ik ga ook zoeken in de bibliotheek naar hem .
Je hebt het hier echt prachtig neergezet Marius. Geboeid heb ik gelezen. Ook ik zal mij naar de boekenwinkel begeven en iets van Leo Vroman gaan lezen.
Weet je wat het fijnste aan jouw blog is, dat er altijd wat interessants, moois, boeiends of verbazingwekkend te lezen valt. Mijn complimenten hiervoor.
Carpe Diem
Natasza
Leo Vroman, de grote man. Aparte en mooie beelden weet hij toch op te roepen
Wel een beetje een dubieus zelfportret :)
"Die eerste nacht kwamen desalniettemin twee Duitsers uiterst samen de buurkamer in. We hoorden op hun tv een astmatische film beginnen en de twee deden mee. Het hijgen zwol aan, zwol en … en zweeg. Even stroomde er kraanwater en een uurtje later was de kamer weer leeg."
-> Dit is goud. 'Uiterst samen', alleen dat al. Prachtig. 'Astmatische film', heerlijke humor. En dan het geheel. Ja echt. Goud.
Nog 300 pagina's te gaan: geniet daarvan. En mocht het kriebelen: laat ons vooral meegenieten. Ik begin ook in de verleiding te komen het boek aan te schaffen. Jij scheidt het kaf van het koren voor ons.
Een reactie posten