Pagina's

woensdag, januari 31, 2007

Paul Léautaud. Een ‘enfant terrible’

4. (Slot)
In zijn eenzame, vrij ongelukkige jeugd – ofschoon in grote morele vrijheid (“nooit was het mijn vader een zorg mij zijn ideeën of voorkeuren op te dringen”) – werd het hem tot ge­woonte om met zichzelf bezig te zijn, na te denken over de voorvallen in zijn le­ven. Vandaar zijn voorkeur voor boeken waarin mensen over zichzelf vertellen, zich uit­gebreid be­schrijven, analyseren, “vanaf de schrijver die de ellende van zijn vroegste ja­ren vertelt tot en met de schrijver die de meest onbeduidende voorvallen uit zijn leven no­teert en oproept.” Hierop berusten zijn Journals.
In feite ligt in het voorgaande de verklaring van Léautaud’s uitgesproken felle anti­pa­thie jegens moralisten, de ‘onder­wij­zers’ onder de schrijvers, zoals Gide, Vallè en Du­ha­mel. (“Het beroep van leraar heeft iets van een vulgaire toewij­ding die me cho­queert”.) Hij verzet zich tegen elk func­tio­neel gebruik van de literatuur, doch evenzeer te­gen een lite­ra­tuur die volkomen ‘gratuit’ zou zijn. Vóór alles telt de be­schrijving van wat menselijk is. Achter het werk moet men een mens van vlees en bloed zien staan, een persoonlijkheid, “iemand die zich geeft zoals hij is, zonder dat hij bezorgd is te mis­hagen.”
Niet de vorm, niet de constructie. Niet de gewilde duisternis. Geen verzinsels zonder kop of staart, geen verbeelding. Hij verwerpt alles wat uitgedrukt wordt in een artistieke, gekun­stelde, moeizame stijl. “Ik vind dat de grootste kwaliteiten van een schrij­ver hierin gelegen zijn dat hij eenvoudig, waar­achtig, natuurlijk en kort is”, zoals Sten­dhal hem liet inzien: “plus on raffine sur le style, plus on s’éloigne du vrai”.
Volgens hemzelf begint zijn carrière als schrijver met In Me­moriam, het verhaal van de dood van zijn vader, dat aantoont welke vooruitgang hij gemaakt heeft op het gebied van een­voud, directheid van stijl en openhartigheid. De twee novel­len Le Petit Ami (zijn debuut in 1903) en Amours - ook eens verschenen in de Salamanderreeks, Jeugdliefde - vindt hij later te sentimenteel en worden als te literair en niet droog genoeg afgedaan.
Waarneming, nieuwsgierigheid en het zwijgen ertoe doen zijn superieur aan elke harts­tocht of deelname. “Ik heb eens geschreven dat ik bepaalde momenten uit mijn leven twee­maal beleefd heb: eerst toen ik ze meemaakte, daarna toen ik ze opschreef. Ik heb ze ongetwijfeld intenser beleefd toen ik ze opschreef.”
Eigenlijk is er met Amours, het verhaal van zijn grote jeugd­liefde, een einde gekomen aan de ‘scheppende’ periode in Léautaud’s literaire loopbaan. Enige jaren later (na 1910) zal hij befaamd worden als de genadeloze toneelrecensent Mau­rice Boissard en weer vele jaren later als de fascinerende schrijver van Journal Littéraire en Journal Par­ticulier. Deze dagboeken, tezamen zo’n twaalfhonderd bladzijden, open­ba­ren zowel stra­lend als nuchter een Léautaud die zichzelf trouw blijft doordat hij te allen tijde zijn te­kortkomingen onderkent. In zijn taal is hij trefzeker. In de domste, doch evengoed in de meest briljante dingen, is hij ontwapenend eerlijk. Tot op hoge leeftijd blijft hij actief, - ook seksueel, zowel op bed in de behaaglijkheid van het ontwaken als in het gezelschap van een volle vrouw. Hij bemoeide zich met van al, gluurde als het kon door de ramen om te zien wat zich afspeelde en luisterde, hij liep zelfs achter sommige mensen aan om te horen wat ze zeiden. Voilà un homme, levend in be­wust gekozen ar­moe­dige omstandigheden. Een cynicus, met zijn katten & honden en een leun­stoel tevreden.

Zijn dierenliefde was grenzeloos. Toen hij hoorde dat een man met een geweer achter een kat had aangezeten en per ongeluk zijn kind van anderhalf had doodgeschoten, schreef Paul hem een felicitatiebrief. “Ik ben verrukt, ik ben in alle staten, ik vind dit perfect.”In zijn dagboek noteerde hij: ‘Ik meen absoluut wat ik heb geschreven. En dat dode kindje dan? Geen groot verlies. Had waarschijnlijk toch precies dezelfde moraal als de vader.’

Hij woonde de langste tijd, ik geloof vanaf 1911 of 12, in Fontenay-aux-Roses (Rue Guérard 24), een voorstadje ten zuidwesten van Parijs.
[Paul Léautaud 1872-1956. Een prachtige serie dagboeken in de reeks Privé-Domein, (het grootste juweel van) De Arbeiderspers. Zie voorts: Marie Dormoy, Het geheime leven van Paul Léautaud. Zeer lezenswaardig is ook de biografische schets van PL als ‘eeuwige burger van Parijs’ door Mels de Jong, Paul L. in Parijs, Uitg. Aspekt, 2004.]

dinsdag, januari 30, 2007

Paul Léautaud. Voilà un homme

3.
“Ik heb enkel en alleen voor het schrijven geleefd. Ik heb de dingen, de gevoelens en de mensen enkel en alleen ervaren, gezien en gehoord om er over te kunnen schrijven. Daaraan heb ik de voorkeur gegeven boven het materiële geluk, boven een gemakkelijk te behalen roem. Ik heb er zelfs vaak ge­noeg mijn eigen genoegens van een bepaald mo­ment aan opgeofferd, mijn allergrootste geluk en mijn allerdiepste ge­negenheid, ja zelfs het geluk van sommige mensen voor wier leed ik niet ben teruggedeinsd; en dat al­les om te kunnen schrijven wat ik wilde schrijven. Ik bewaar hieraan zelfs een her­in­ne­ring van diep geluk.”
Paul Léautaud verschanste zich het liefst – hoezeer hij het soms ook verfoeide – in het be­dompte kantoortje van de Parijse uitgeverij Mer­cu­re de France, waar hij zich als redactiesecretaris van een ge­borgen bestaan verzekerde en dat borg stond voor ontmas­ker­ende observatie van het literaire wereldje, maar hem ook in staat stelde tot dromerij en gepeins. De in­ner­lijke monoloog. Tot behoedzaamheid ook, op allerlei tekenen van buiten die dit kwets­bare evenwicht in gevaar zouden kunnen brengen. Hij wilde vrij zijn, zich niet hechten aan materiële genoegens en zich vooral niet binden aan groot plichtsbesef – dat maakt de mens kortzichtig, bekrompen en zal hem tot een af­grijselijke machine om­vor­men: “Buiten de wreedheid en de stompzinnigheid heb ik in het leven niets groots ge­zien.”
Boven de plicht staat het geluk. In de theaterkritieken die hij schreef, ontlaadde hij niet zel­den zijn verachting voor het ‘vaderland’, het ‘patriotisme’, het ‘Parijse milieu’. Te­gen­over al die dingen stond hij absoluut afwijzend, evenals te­gen­over de officiële we­ten­­schap. Laatdunkend, sarcastisch nam hij de vertegenwoordigers van de bourgeoisie op de hak. In zijn oordelen stond hij zowat alleen want zijn collega’s waren maar al te hap­pig op prijzen, uitnodigingen, eerbe­wij­zen.
Léautaud heeft zich altijd aangetrokken gevoeld tot boeken die in de eerste persoon zijn ge­schreven. Ik vermoed vooral om telkens opnieuw te kunnen ontdekken wat hem zo gren­zeloos intrigeerde: de manier waarop een schrijver het ge­schreven heeft, de ge­voe­lens die er op dat moment bij hem omgingen. “Ik wou dat ik ze zien kon als ze bezig zijn, die schrijvers.” Boeken als de Souvenirs van Renan, het Journal en de Corre­spon­dence van Stendhal – de romanticus (en fe­minist) - , maar verre de voorkeur gaf hij aan Stendhal’s Brulard en aan Souvenirs d’Egotisme. De geestverwante egocentricus.
Toch bleef hij zo dicht mogelijk bij zijn eigen oeuvre, de eigen gevoelens en het eigen wereldbeeld. “Ik ben de enige voor wie ik belangstelling heb.” De voortdurende intro­spectie. Bewonderen, beminnen, eerbiedigen betekent dat men zichzelf op een lager ni­veau stelt. “Waarom zou ik ander werk lezen dat me in verwarring zou kunnen bren­gen, mijn smaak zou kunnen bederven, zonder dat het me veel ge­noegen verschaft? Ik blijf bij mijn stiel.”
In zijn eenzame ….
[Bovenstaande foto v/h omslag van de biografie door Martne Sagaert, Millésimes, 2006.]

maandag, januari 29, 2007

Paul Léautaud. De lichtzinnigheid ook

2.
Zo opmerkzaam als hij was voor al het gekwetste – zowel bij mensen als bij dieren, en voor deze laatste nog het meest – zo doorschouwend van geest, zo helder en zorgvuldig heeft hij over zijn leven geschreven. Niet sentimenteel want dat zou weldra gaan ver­ve­len, maar aandoenlijk, en dat wekt sympa­thie. Alles stroomt door zijn leven. De wijze waarop hij daar­over schrijft maakt zelfs alles wat hij nalaat te doen en be­treurt weer be­grijpelijk.
Hij hield van vrouwen, ofschoon zij zelden zijn smaak noch ideeën deelden. Hij was gek op uitzinnige vrijpartijen, maar hij hield zich daarin soms in vanwege de gedachten die hem door het hoofd spookten. De lusten bleven hem niet vreemd, maar hij kon zich tij­denlang bedwingen. Tegelijkertijd vond hij vrouwen maar domme wezens, kon hij hun aanwezigheid en gezeur maar moeilijk verdragen - (“Er komt altijd een ogen­blik dat hun stommiteit het wint van mijn liefde”) – maar gevoelig als hij is, hij was afhankelijk van ze en kon mateloos bedroefd zijn over de verkeerde afloop van een relatie.
In Léautaud is het klassieke vrouwbeeld te herkennen. Een beeld dat vandaag nergens meer past. Zij moest er zijn, genegenheid en gevoel voor hem hebben maar hem wel de rust en de stilte geven waarop hij zo gesteld was. “Want wat zou haar vertrek mijn leven en mijn gewoonten ingrijpend veranderen. Ik zou dan kortere of langere tijd bezorgd om haar zijn, me afvragen hoe het met haar ging, daar zelf weer bedroefd en ongelukkig onder zijn. Zodat ik weer een tijd onrustig zou zijn en niets zou kunnen uitvoeren.” In zijn verhouding met vrouwen speelde zijn ge­voel meestal een te verwaarlozen rol, slechts de zinnelijk­heid, de bewuste schaam­te­loze ontucht dreef hem tot passie.
Eigenzinnig, egoïstisch en oprecht. Kunnen deze drie samen­gaan? Hij schreef oprecht, maar uit wat hij schrijft, blijkt ook hoezeer hij ervan genoot te spelen, want: “Gevoel, af­fectie, be­zittingen, hoe weinig ook, het is allemaal een vorm van slavernij.”
En de eerlijkheid? “Dat is goed tegenover jezelf. Tegenover iemand anders is het vol­ko­men nutteloos en meestal nog stom en onhandig”, maar ook: “… het belangrijkste is dat je jezelf bent. Als je dat bewust en kritisch bent, is verder alles in orde.”
“Ik heb enkel en alleen …..

zondag, januari 28, 2007

In het eenenvijftigste sterfjaar van Paul Léautaud

1.
Honderdvijfendertig jaar geleden werd op 28 januari om één uur in de ochtend Paul Léau­taud geboren. In Parijs, dans la Rue Mo­lière nr. 37. Met zijn geboorte kwam tevens een on­ver­wacht einde aan de kortstondige maar hevige relatie tussen zijn samenwonende ou­ders, Firmin Léautaud en Jeanne Fo­res­tier. Voor dit wel heel bescheiden ‘monument’ kies ik andere bouw­stenen dan de tal van bio­grafische gegevens. Ik wil een beeld trachten te schetsen zoals dat in mijzelf tij­dens het lezen van zijn dagboeken is ontstaan.
Wat een boek en wat een man.
Het is de taal van een wonderlijke kluizenaarsgeest. Een droge en heldere ver­haalwijze, ja dit, en die onverwachte humor die er op­steekt, daarin ligt een ver­wantschap met Cees Buddingh’, een groot bewonderaar van PL. Paul Léautaud, de vrijmoedigheid zelve. Een man die zich moeilijk aanpaste, dat ook niet wilde en zich graag af­zonderde. Liever het eenzame gekuier dan het bijeenzijn met mensen – hetgeen ge­noeg­lijk kan zijn maar ook oervervelend. Hij verkoos de stilte.
De verlegenheid en de onhandigheid die hij geregeld voor­wendde als excuus voor zijn weinige sociale contacten lijken soms eerder het ingebeelde dan het oprechte motief. Hij zocht het op, hij bleef liever achteraf. Zelfs bij een aardig ge­baar naar iemand ver­borg hij zich. Zijn schuwheid kwam voort uit een zelfbeeld van onbeduidendheid: “…ik had best iets in het midden willen brengen, maar als ik dan op het punt stond iets te zeggen, dacht ik bij mezelf, och, dat zal ze wel niet erg interesseren, veel bijzonders heb ik eigenlijk ook niet te vertellen, en ik hield mijn mond maar.”
“Niemand ooit raad geven, iets duidelijk maken of ergens op wijzen. Waarom de ont­wik­keling van een ander verhaasten of in goede banen leiden?” Alleen in een zekere ver­latenheid komt het innerlijk leven tot groei, en voeg daarbij de ongeïn­te­resseerdheid naar materie en er verschijnt een essentieel be­gin van Léautaud’s levensvisie. Ik zou het zonder mijn eigen decor moeilijk kunnen stellen, maar hij: “Ik zou zelfs bang zijn dat schilderijen mijn blik, mijn gedachten zouden kun­nen vasthouden.” Toch verlangde hij soms naar luxe, “maar het verlangen naar bepaalde dingen is belangrijker dan het be­­zit ervan.” Hij hechtte zich aan weinig, alleen aan dingen die mislukten, “daar kan ik me nu juist niet overheen zetten.” Eeuwige zorg voor het Oeuvre.
Hij voelde zich een zwakkeling, omdat zijn zelfkritiek altijd aanwezig was en hem ver­re hield van daden. Hij was beslui­teloos doch opeens weer impulsief hetgeen hij dan ach­teraf na­tuurlijk weer betreurde. Dan volgde zelfbeklag en diepe droefenis.

Zo opmerkzaam als hij ….

[Foto van Paul Léautaud gemaakt door Emiel van Moerkerken en van deze laatste cadeau gekregen, ik meen in 1983. Emile v. M. (1916-1995) was psycholoog, schrijver, filmer en fotograaf; hij publiceerde onder meer Volgend jaar in Holysloot, onder het pseudoniem Eric Terduyn, later nog De ijsprinses. Een ander pseudoniem was R. Drayer. EvM was vooral bekend als schrijversfotograaf, o.a. van Menno ter Braak, Du Perron, Hermans, Vestdijk, Gide.]

zaterdag, januari 27, 2007

Amor fati?

Plotseling word ik op mijn schouder getikt door een student wijsbegeerte uit Leuven. “Geef vijf feiten over jezelf prijs.” Het verrast me. Ik ben éénmaal op zijn site geweest. Was ik er maar net zo vandaan gegaan als ik er was gekomen, gewoon belangstellend als oud-docent in de etalage kijken en weer doorlopen, maar ik ben een reiziger die hier en daar een paar regels achterlaat. It’s not an act, but a habit.
Van de man die mij aantikte, had ik dit gelezen: “Filosofie is als een lief. Enige verduidelijking hierbij: na vier jaar ken je de negatieve kanten die de positieve beginnen te overspoelen. Er is een gevoel dat zegt dat je beter een einde aan de relatie kan maken. Maar zo gemakkelijk is het niet. Hoe graag je er ook vanaf wil, je kan ze nooit helemaal loslaten. De hoop blijft dat het toch goed komt.” Een collega schreef eronder: “Troost je. Iemand die zich écht goed voelt bij de filosofie, kan dat wel een filosoof zijn? Een filosoof ergert zich, niet in het minst aan zichzelf en aan zijn eigen activiteit. Zelfgenoeg­zaamheid is uit den boze in de wijsbegeerte.” Geadresseerd aan beide jonge heren schrijf ik: “Het zou interessant(er) zijn denk ik als je die twee tegenpolen inhoudelijk wat meer omschrijft. Wat is het dat er botst? Wanneer een filosoof zich thuis voelt in de filosofie, betekent dit nog lang geen zelfge­noeg­zaamheid.” Tot mijn verbazing luidt een daarop volgende reactie: “Tikkie. Jij bent ‘m.” Ma­rijke, op de denkbeeldige schouder van Stijn.
Mijn herinnering spreekt. Natuurlijk, het is pauze. Sommigen staan wat nonchalant met elkaar te ouwehoeren, anderen spelen tikkertje. Ik loop er peinzend en quasi oplettend rond als senior, rook een sigaret, tel mijn passen. Ik hoor iemand zeggen: “Ik heb teveel Nietzsche gelezen en begrepen.” Er zijn er die wachten tot ik voorbij ben. Het was Nietzsche die zei: “Wie zegt mij begrepen te hebben, heeft er niets van begrepen.” Een van de studenten spreekt me aan en vraagt of er een leerboek is dat zijn vermogen om genuan­ceerd te leren oordelen kan aanscherpen.
“Lees. Lees zoveel mogelijk romans.” Plato zou er niets van moeten hebben, Spinoza evenmin, die zijn wars van de idee dat in de oordeelsvorming de emotie een belangrijke rol vervult.
“Romans!?”
“Ja, romans. Het stimuleert onze verbeelding, het inspireert ons denken, het ontroert ons gevoelsleven, het boeit onze interesse. Van leerboeken alléén moeten we het niet hebben, maar vooral van al het andere dat ons – al is het ontspanning – rijker maakt.” Het zijn niet alleen de intellectuele vermogens die we dienen te ontwikkelen of waarop we worden aange­sproken, maar óók de emotionele capaciteiten, zoals het inlevingsvermogen en de verbeelding. Dan worden de problemen voelbaar, zijn ze te beleven en te onderscheiden. Als we dit inleven (de em­pathie) ergens naar hartelust kunnen ‘oefenen’, dan is het wel in een roman die ons boeit. We lezen de tekst van een romancier, een antropoloog of journalist, maar we naderen de aard van de zielen die er een rol in vervullen. De romanliteratuur heeft ons veel te vertellen over wat het betekent een goed leven te leiden. De Amerikaanse filosoof Richard Rorty zegt: “Romans verrijken het morele bewust­zijn, omdat je daarmee in de schoenen van een groot aantal mensen komt te staan. Na veel lezen ben je meer en meer in staat een morele situatie vanuit verschillende gezichtspunten te bekijken. En door die gezichtspunten zo goed mogelijk te kiezen, ontwikkel je je eigen morele besef.”
Beste Stijn, ik aanvaard de consequentie aangetikt te zijn, maar ik houd het bij twee. Wie nog meer wil lezen, gaat naar 2 januari, Reis in het binnenland.
Voor mij speelt 'de tijd' anders dan ooit. Ik heb de tijd in mijn hart gesloten en vergeet hem zoals je je horloge vergeet terwijl je het wel draagt. Ik hoef nauwelijks of niet te plannen, alleen maar mijn best te doen goed door de dag te komen. Wat ‘haast’ is, weet ik niet meer.
Tussen alle boeken die ik schreef, zit niet één roman. Maar één roman, en niet die andere, dat zou ook treurig zijn. Schrijven is al levenslang mijn eigenlijke ambacht en dus werk ik trouw aan mijn journaal en weblog.
Tot slot een korte duiding van ‘Amor fati’. Dit is geen zekerheid, maar een beproeving, een dagelijkse kunst of opgave. Met wie ik ben, kan ik leven. Maar er is méér, meer waarover ik nu zwijg. Wanneer je vijandig staat tegenover een onveranderlijk en onbenijdenswaardig deel van je lot, dan heb je geen leven.
[Afbeelding: “Dialoog” van Roland Devolder.]

vrijdag, januari 26, 2007

Het onbenijdenswaardige bestaan VII

Vele thuislozen ervaren een heimwee naar het geluk
dat er ooit, als een bladzijde, leek te zijn maar dat zij niet wisten te behouden.
Zij kennen hun ‘thuis’ als lijden én als ideaal.


Thuisloze mensen hebben het in hun leven, verwijtbaar of niet, vaak zo bont gemaakt dat ze buiten elk sociaal verband zijn geraakt. Om duizend en een mogelijke redenen sloeg op zeker moment de deur van de huizen waar zij woonden voor het laatst achter hen dicht. Alle krediet, elke terugkeer en alle steun was verspeeld; een langer samenleven met deze of gene, met partner of in gezinsverband, bleek niet meer mogelijk. De ontwikkeling naar het dramatische ogenblik van de dichtslaande deur betekent in de levens van veel thuislozen dat het moment nooit voorzien was maar dat het er al heel lang stond aan te breken. Vaak is, van alle kanten, sprake geweest van een langdurig proces van tekortkomen en tekortschieten. De kern van de bestaansproblematiek van thuisloze mensen is dat zij niet weten ‘hoe te leven’. De vormgeving van hun leven is in het geding, hoewel zwaar uit het zicht geraakt door allerlei andere vervelende problemen. Hun diepste nood is de behoefte aan een nieuwe oriëntatie op hun bestaan. Hen daartoe in staat stellen behoort tot het morele fundament van de hulpverlening. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van een menselijke samenleving zich te bekommeren om haar kwetsbare burgers. Er is ook voor de zogenaamde autonome burgers niet te leven in een samenleving die zich afsluit voor de breekbare kant van haar eigen bestaan.

Een binding met andere mensen is het enige dat mensen op de been houdt. Maar de geschiedenissen van thuislozen worden veelal getekend door een verlatenheid van mensen met wie zij tevoren een band hadden. De liefde is klaarblijkelijk een soort van geweld geworden of, het is ongewis en evengoed mogelijk, het geweld heeft nimmer kunnen wijken voor het ideaal van de liefde. In de levens van thuislozen is de liefde hevig gedwarsboomd, veelal reeds vroeg in hun leven en vaak, tot in het heden, levenslang.
Dwarsbomen in de liefde, op de ene of de andere manier zijn ze aan elke sterveling bekend, maar niet zo problematisch als de maat en de kracht ervan in de levensloop van thuislozen. Het is een existentieel gegeven dat de gevangenschap in een verleden min of meer kenmerkend is voor ons allemaal, alleen, ten opzichte van (veel) thuislozen, in mindere, niet problematische mate. Individuele verhalen over de teloorgang zijn, als ze niet door de verstreken tijd zijn vertekend, vaak onthutsend vanwege de last van de aaneengeregen, onophoudelijke droefenis, zelden ontroerend vanwege de ondervonden liefde.
Wanneer we aannemen, wat dikwijls gebeurt, dat het bestaan van thuisloze mensen vol onverhelpbare problemen zit en we (professionals) ons daarom terugtrekken, dan treft ons (hopelijk) de gelijkenis met de twee opties in het ziekenhuis: het te behandelen lichaam en het afgeschreven lichaam. Laat dan de vraag nog eens opnieuw worden gesteld: zal ik mij terugtrekken – en op welke gronden kan ik dat verantwoorden – of zal ik mij met oprechte aandacht en toewijding betrekken op dit leven, dit lijden, deze mens?
[Afbeelding: “Sadness” by Janesdead. Ik las daar een comment van Rubber Vall: “Some times the sadness fill our souls ... we have to move on to some happiness that may exist hidden in some place of us.”]

donderdag, januari 25, 2007

De dag van de dichter
krijgt een mooi stil geworden
gezicht, een dichter die peinst
zoals een rivier altijd stroomt,
een dichter die zich herinnert hoe het dichten
al op jonge leeftijd zijn pad baande,
nee, van naam hoeft hij niet te zijn.
Hij is een man van lange adem,
mogelijk al in de herfst,
maar op ’t eiland van zijn dagen
viert hij als van altijd-verre
zijn eigen woord.
[Afb.: schilderij “The poet” by William Waite.]
Het onbenijdenswaardige bestaan VI

Voor korte of lange tijd beroofd van wat ons eigen is,
is een aanslag op een van de wezenlijke vormen
van de bestaanszin, van het verlangen
ergens te zijn.
Jacques De Visscher

Het ene huis is het andere niet en met de mens, thuisloos of niet, is het precies zo. Ik zei wel eens dat thuisloosheid zo persoonlijk is als een vingerafdruk – het is een verwijzing naar de verhalen over de individuele geschiedenissen en tegelijkertijd een benadrukken dat oorzaak en gevolg nimmer eenduidig zijn en vaak ook niet meer zijn te achterhalen. Niettemin zijn er in de levens van thuisloze mensen patronen te herkennen, zoals affectieve verwaarlozing, relationele en maatschappelijke chaos, schuldenproblematiek, verslavingen, psychiatrische stoornissen en uiteenlopende gezondheidsproblemen. De individuele thuisloze vormt veelal een catalogus aan narigheid, alsof het diens lot is (geweest) ‘zo’ en niet anders meer te leven.
Er is, uit onderzoek en uit ervaringen van instellingen, veel bekend over thuislozen. Toch is dat ‘vele bekende’ te problematiseren. Is het veel, maar toch niet genoeg? Waartoe heeft die vele kennis precies geleid? Waarom verandert er bij velen zo weinig dat zij welhaast levenslang letterlijk en figuurlijk gekleed blijven als thuislozen, terwijl vrijwel allen de droom koesteren van ‘eindelijk een “normaal” leven’?
Veel thuislozen worden moeiteloos herkend. Hun manier van doen, hun uitstraling, hun taal, verraad als het ware dat zij ‘hier’ (een instelling) ‘thuishoren’, terwijl van slechts een enkeling het tegendeel opvalt, met soms als zeer frappant gevolg dat de hulpverleners dan laten blijken eindelijk iemand te ‘hebben’ voor wie zij van betekenis kunnen zijn. Is het bij al die anderen dan water naar de zee dragen?
Ook in het straatbeeld worden velen direct herkend, de een omdat hij de straatkrant tracht te slijten, de ander omdat hij in een portiek ligt en weer anderen omdat ze samengeschoold ergens rondhangen, de gezichten weggedoken in de hoge kraag van hun jas of in een diepe capuchon. Ze lijken nauwelijks in elkaar geïnteresseerd. En nog een ander vertoeft dagelijks op dezelfde plek en staat daar verdwenen in de last van zijn leven, - zoals jaren geleden Arie P. hier in Arnhem. Hij stond jarenlang onder het afdak van de gemeentelijke voorlichtingswinkel tegenover het politiebureau, met de voeten in een stinkende slaapzak die ‘omhoog’ werd gehouden door hem over het fietsstuur te hangen. De beweging van zijn leven was volkomen stilgevallen. De toekomst was verschrompeld, het verleden verschraald tot een donkere vlek. Thuisloze mensen hebben ….
[ Afbeelding: “Isolation” by Bircan Kanat.]

woensdag, januari 24, 2007

Het is een klein, gebonden boek. De Hongaarse schrijver Imre Kertész won in 2002 de Nobelprijs voor de literatuur. (Hij werd als vijftienjarige jongen naar Auschwitz gedeporteerd en in 1945 bevrijd uit Buchenwald. Sindsdien is hij op zoek naar het waarom van de holocaust.) Na twee dagen heb ik Liquidatie helaas uit. Nu zijn het ook maar 152 pagina’s, maar ik heb toch twee dagen lang het verhaal van Keserü, ofschoon ik tussendoor nog weg was, intens gevolgd. Het is een briljante ro­man.
Het speelt in Boedapest, de jaren negentig, en het gaat eigenlijk om de vraag hoe te leven na het communisme, na Auschwitz. De intel­lec­tuelen zijn hun koers kwijt.
Hoofdpersoon B, Bé, een Hongaarse jood, heeft Auschwitsz over­leefd maar pleegt zelfmoord, vlak na een mooie romance met Sarah. Waarom? Hoe kwam hij aan de morfine? Waar is de roman ge­ble­ven, waarvan Keserü, lector bij een staatsuitgeverij, overtuigd was dat B die had nagelaten? Weet Judit, ooit met B getrouwd geweest, hier meer van? Keserü, die over nog al wat aanwijzingen beschikt dat de roman er werkelijk is, probeert al deze mysteries te ontrafelen. Het is een gepassioneerde zoektocht naar de waarheid. Fictie en wer­ke­lijkheid lopen door elkaar heen. Er passeren verschillende verhaal­mogelijkheden. Kertész doet dit op een beklemmende, fascinerende wijze; zijn pen is de spade en de aard van zijn schrijfwerk is graven, onvermoeibaar graven. Schitterend.

I.K. is een goed observator. Op het laatst, omdat hij nogal eens door het raam staat te kijken, zegt hij nog iets over daklozen: “De ge­zich­ten, de kleren, de kostuums (om zo te zeggen). Het gaf Keserü te den­ken dat op die grimmige gezichten soms wel nijd en woede ver­schenen, maar nooit verdriet of melancholie. Hij zag in dat die men­sen geen reden hadden om melancholiek te zijn want ze hadden geen herinneringen – ze hadden ze verloren of ermee afgerekend – dus in feite hadden ze geen verleden, maar ook geen toekomst. Ze leefden in een voortdurend heden, waarin het naakte bestaan als directe en tegelijk exclusieve werkelijkheid kon worden ervaren – in de ver­schil­lende vormen van zorgen en nood, of het kortstondige plezier van het ontbreken daarvan. Zij waren mensen zonder een verhaal, en die gedachte riep stille sympathie op. Hij wist uiteraard goed dat ze allemaal hun treurige verhaal hadden waardoor ze zover waren geko­men; maar Keserü stelde zich voor dat tegen de tijd dat ze daar wa­ren beland, hun verhalen hun betekenis al hadden verloren (als deze verhalen al betekenis konden hebben).”
[Imre Kertész, Liquidatie, Bezige Bij 2004. Afbeelding: portret van IK door Boros Attila.]

dinsdag, januari 23, 2007

Hoe moet ik leven V

“Als je het niet meer weet (hoe het moet met het le­ven) pak je een eind hout en probeer je orde op za­ken te stellen.” Dat deed Susan toen ze er na veel maan­den van verdriet genoeg van had dat Sam zowat elke avond naar ‘die weduwe’ ging, een paar km verderop. “Hij ging er om een uur of tien naar toe en kwam ’s morgens om ze­ven weer hier. Weet je op wie ze lijkt? Op Hildegard Knef.”
“Maar al die tijd heb je het gepikt.”
“Ja, maar ik kon er niet meer tegen dat hij me zo te na kwam. Ik heb hem een ultimatum gesteld. Of hij breekt met die vrouw, of ik ga hier weg. En dat heeft tie ge­daan. Hij heeft eieren voor zijn geld gekozen.”
“Maar hoezo dat stuk hout?”
“Op een avond kwam hij thuis. Ik heb hem bont en blauw ge­sla­gen. Het bloed liep over z’n hoofd. Later is hij nog naar het zie­ken­huis in Heerlen moeten gaan om het te laten hech­ten. Ik heb hem gezegd, dat als hij er niet mee kapt, ik hem zou vermoorden. Ik zou z’n kop eraf slaan. Oh, ik kan razend worden hoor, en in zo’n bui zou ik het kunnen. Mijn psy­chia­ter is daar het bangst voor hè, dat ik dat eens zal doen.” Ze heeft al een paar maal getracht zelfmoord te plegen. Een wonder dat het niet is gelukt, zeker die laatste keer toen ze vanuit een van de zolderdakramen van het kasteel naar beneden sprong en in de gracht belandde.
“De hondjes, die heb ik nog het liefst.” Aldoor trommelde ze met haar vingers op de tafel.
“Ja? En die vrouw, daar komt hij niet meer?”
“Nee, hij is nu voortaan thuis. Hij slaapt op de logeer­kamer. Die vrouw heb ik met kerstmis een kaart ge­stuurd. Dat ze een goed kankerjaar tegemoet zou gaan, met veel uitzaaiingen en veel pijn. Ja.”
‘Mijn hemel!’

Is dit een antwoord op ‘hoe moet ik leven?’ Wat een agressie tegen Sam en tegen die vrouw, wat een verne­dering. Hoe kun je dan nog zeggen: “Ik houd m’n fat­soen”? En wat is dit voor ulti­matum als hij naar de lo­geerkamer is verwezen en het ei­gen­lijk voor haar al heel lang niet meer hoeft?
Het is denk ik dat er nog drie jongens thuis wonen, anders had de een de ander al ver­moord. Wie weet, hij schijnt soms een tiran, maar vlak Susan niet uit. En een kasteel is na­tuurlijk een geweldig be­zit; ze hebben er allebei vele jaren hard aan ge­werkt. Hij de shabby antiekscharrelaar met het lijkt wel vier rechtse handen, en zij binnenhuis voor al die jonge kerels. “Ik ga me niet op een ap­par­te­mentje zien zitten. En ik voel me sterk nu, het gaat zo goed met me, ik laat me dat niet afpakken.” Neen, een sprookje is het hier niet, maar de prijs is hoog. “Hij doet nu alles voor me.” (Dat deed hij al, ja­renlang.)
“Zo, dus de kaarten zijn goed geschud!” Ik denk dat het an­ders­­om is. Zij is een onvoorspelbare tiran. Al zijn jon­gens, het zijn er vijf, dragen hem op handen, dat is vaak te merken. De drie die nu nog thuis zijn, zijn altijd in zijn buurt, altijd mee aan het werken. Nee, het is een repeterende nachtmerrie hier.
Een kraai gaat krijsend door de lucht.
“Zo is het!”
[Afbeelding: “The black crow” by Heather Nevay.]

zondag, januari 21, 2007

Vriendschap V
Een scheppingsact


Vriendschap is een ‘warm’ begrip omdat het onmisbare verbondenheid uitdrukt met een of meer anderen. Vriendschap is (soms) ook een onzeker be­grip, omdat men niet altijd weet, niet automatisch, waarop die is ge­baseerd en of die oprecht en betrouwbaar zal blijken. Is er vriendschap omwille van ‘wie ik ben’ of is er vriendschap in hoeverre ‘ik bruikbaar ben’. Ook is met vriendschap niet te zeggen of ze stand zal houden of de ander gaat vervelen, of ze bestand zal zijn tegen slechte tijden, be­proevingen, verleidingen.
De gastvrijheid. De wederkerigheid. De aanvaarding. De openheid. De herkenning. De genegenheid. De verrassing. De omhelzing. De zonde. De verwatering. De teleurstelling. Het bedrog, het onbegrip. De afgunst. De botsing. De afwijzing. De vergeving. Het verlies. Uit hoeveel bekers is niet te drinken. Vriendschap is breekbaar.
Kortstondige vriendschappen kunnen even oprecht en van weder­zijdse betekenis zijn als duurzame vriendschappen, maar we ver­kie­zen veelal deze laatste, misschien ook omdat het een menselijke waarborg lijkt er nooit alléén voor te staan, te kunnen rekenen op gezelschap, op plezier en inspiratie, empathie, openheid, aandacht, op zorg en steun, waar­dering, afleiding, toevlucht, liefde en troost. Vriendschap is een belangeloos ongezocht verbond en betekent met elkaar verkeren, bij elkaar in de smaak vallen, met elkaar erva­ringen opdoen, vertrouwd raken, luisteren naar verhalen – en toch, de ene vriend­schap is hechter of vluchtiger dan de andere en niet elke vriendschap is gebaseerd op hetzelfde vertrekpunt.
[Afbeelding: “Warmte” van Ettiene Jammaers.]

zaterdag, januari 20, 2007

Soms niet te weten wat leven is
Ik geloof, misschien dacht ik, ja, ik zei eens dat wij de zweep over het leven niet kennen, dat was toen ik schreef over Darfur en Zimbabwe. Wat ik daarover schreef dat blijft. Maar ook dichtbij slaan zwepen die niemand verdient of verwacht. Ieder kan zo een handvol voorbeelden noemen. De schrik waaraan je toch niet moet denken, de schrik die elk levenspad weet te vinden. De variaties van lijden zijn oneindig. In lijden is niet te selecteren.
Uit emails en alleen zo ken ik een vrouw. Zij is 40 jaar, energiek, in gezondheids­opzicht argeloos, zij is gelukkig en ambitieus, beloftevol. Omdat lichamelijke klachten niet overgaan, consulteert zij in lichte ongerustheid haar huisarts. Er volgt kort onderzoek, en de uitslag is als een genadeloze zweep, zo pijnlijk, verdrietig en verpletterend dat het haar leven, haar hele zijn, abrupt omver smakt, breekt, ontreddert. Er is een tumor in de darmen en er zijn uitzaaiingen naar de rug. Ongeneeslijk. De slechtste prognose is met onmacht gesproken. Zij is 40 jaar en krijgt er vermoedelijk geen jaarringen meer bij. Ik hoorde het gisteren en wil er niet aan voorbijgaan. Plotseling is het leven het leven niet meer. Er sneuvelt iets in mij, iets dat misschien is te omschrijven als een sprakeloos schampschot, het raakt mensen wanneer levens in volle bloei worden gebroken. Hier heerst het weten niet. Of zoals Cobra het van de week ongeveer zei, het leven slaat soms een verkeerde toets aan en wist in je hersens even alle gegevens waarop je vertrouwt.
Het is onomvatbare tragiek.
[Afbeelding: “Troost” van Anton Lemmers.]

vrijdag, januari 19, 2007

‘Hoe moet ik leven’ IV
Een fragment uit de realiteit

‘Hoe moet ik leven’ is geloof ik niet een vraag die we ons vaak stellen, evenmin of ‘het leven zin heeft’, zeker niet in tijden dat we de wind in de rug hebben. Zolang we ons kun­nen ontplooien, er zin in hebben, ervaren erbij te horen, erkend worden, innerlijke rust en saamhorigheid beleven, is er doorgaans weinig aan de hand. Leven we in de schaduw van deze ele­menten, dan kan de zin soms moeilijk ‘gezien’ worden of, soms, verdwijnen.

Hij is voorkomend, sympathiek, hij is een doorzetter, een vakman. Als het onderhoud aan de verwarmingsketel is gedaan, schrijft hij aan tafel de rekening. “Als ik het goed onthouden heb, uw hoofd zit toch met vier schroeven vast – is het nu WAO?”
“Dat zit er nu aan te komen hè, hoewel er grote twijfel is. Ik las in de krant dat een bedrijfsarts zou hebben opgemerkt: ‘Een reden om iemand helemaal af te keuren is een levensverwachting van minder dan een jaar.’ Dus ik maak me er wel zorg over.”
“Mijn hemel, je moet onderhand terminaal zijn.”
“Precies. Je moet zowat dood zijn, lijkt het wil je ‘in het oordeel’ niet meer kunnen werken. Het is absurd, het is alsof je niet meer mag bestaan.”
Werner heeft, na een zwaar auto-ongeval op zijn 23ste, jaren in de WAO gezeten, veel bureaucratische tegenwerking ondervonden, maar uiteindelijk is hij voor zichzelf begonnen. “Wees voorzichtig met wat u zegt bij het UWV, u hebt ze zó tegen u.” “Ja, ik heb het gehoord, het is een wet geworden die door sommige artsen rigide wordt toegepast.” We kijken elkaar begrijpend, verbaasd en bemoedigend aan. Terwijl hij routineus de nota schrijft en ik koffie inschenk, vertelt hij dat de zaak nu na zes jaar goed is opgebouwd, terloops dat hij en Marieke gaan scheiden, dan over zijn drie jongens en hoe hoog het schoolgeld wel niet is.
“Een scheiding, wat ongelukkig zeg, alles wordt weer anders dan het is.”
Hij kijkt me aan. Ik zie het verdriet.”Ja, sinds gisteren weet ik het. We zijn in 1984 getrouwd. Twee jaar geleden vertelde ze dat er vroeger iets is gebeurd en dat ze me daarom niet kan aanraken. Meer weet ik niet, ze zwijgt in alle talen. Ach, ik ben er vaak boos over geweest, denk wel eens, ik zet mijn bus tegen een boom, dan is het voorbij.”
Het is de diep verborgen kwetsing die vijfentwintig jaar later voor een ander kwetsuur zorgt. De tragiek van de onmacht. Gevangen in het verleden, gevangen in het lijden.
Aanraking en innerlijke rust. De wederzijdse aanraking symboliseert warmte, open­heid en nabijheid. Dat is de grond onder het bestaan van mensen die sa­menleven en daarin veel delen. De aanraking is onmisbaar voor het behoud van liefde. Wanneer ze ophoudt, ontstaat er vaak een kil­ler wordende distantie en is de schade (soms) niet te overzien.
Werner dacht dat er één spoor was, maar er zijn er twee. Bij de deur schudden we elkaar de hand. Hij keek snel van me weg want ‘zo’n man en dan tranen tonen’, dat werd hem te machtig. Bij de poort draaide hij zich nog even om en riep “Dank je voor het goede oor.” Ik zwaaide en sloot verdrietig de deur.
Ik weet zeker dat er méér harmonie zou kunnen zijn dan mensen ervan maken. De mensen die het meest goedbedoelend tegenover elkaar staan, of met el­kaar willen zijn, krenken elkaar veelal het hardst. Ik las het laatst nog bij Gide, maar het is een eeuwenoud inzicht. Het is van men­sen. Het ene moment vier je de ver­ruk­king over de eenheid, het andere moment is er eenzaamheid. Onrijmbaar, maar eveneens van mensen.
[Afbeelding: foto van Jan Saudek.]

donderdag, januari 18, 2007

Mijn eiland
is het enige dat niet omzoomd
is door zand, zee of rots. Het is mijn huis
bestand tegen stormen dat eiland heet,
met ware ramen, deuren en stilte,
waar het evenwel eb en vloed kan zijn
en Le voyage de Sahar te horen is,
of ander goud van musici. Het is een eiland
van beelden, geen grafzerk te zien.

Mijn eiland
is geen drassige achtertuin, maar
zoals alle eilanden, getekend
door afzondering, een kamer even vergankelijk
als elke andere. Hier woon ik
in het stille schrift van boeken,
bij het getik van vier oude klokken,
de geur van tabak, van vers gemalen
koffie en, soms, twee van Dobbe kroketten
met bruin brood.

Mijn eiland
vervangt niet het leven - even leek het zo
in het aangezicht van de dood – maar het
is een veilige wereld van schrijvers en
elk seizoen dezelfde oase. Hier woon ik,
ontsnapt aan de harde werkelijkheid, maar niet van schuld
ontslagen, en chronisch onzeker over tijd en daad.
Dagelijks, soms
de ganse dag tientallen digitale reizen, hartelijke
bezoekers evenzo. Ik woon hier gerust
met zekerheid en geborgenheid,
met een geliefde in het woonhuis, zo scheppen
wij een leven van eenheid want rijker
dan bij haar is het nergens.

[Afbeelding: “Inspiration” by Margaret Ballif Simon. Muziek, Le voyage de Sahar, is van Anouar Brahem. Ander muzikaal goud? Van Morrison, Eric Clapton, Leonard Cohen en vele genres piano.]

dinsdag, januari 16, 2007

Een gecompliceerd en onafscheidelijk duo. Een mysterie ook

Het lichaam en de geest, daarvan zeggen we dat ze één zijn. Ik woon in dit lichaam en totdat het tot stof weerkeert zal ik het niet verlaten. Zonder het altijd te beseffen, maar wel op tijd het te voeden, stelt het ons in staat tot een grote variatie aan bewegen, soms tot onvermoede prestaties. De gedachte aan het lichaam is gewikkeld in vanzelfsprekendheid. Het lichaam slaapt. Ik weet nergens van. Dat het na rust weer opstaat, dat het energie haalt uit wat we eten, dat we ons dagelijks op een gesloten kamertje moeiteloos van de kwade stoffen kunnen ontdoen en dat het ons – hoe riskant we ons soms ook gedragen – brengt waar we moeten zijn of worden verwacht. We poetsen het en gaan weer verder. Ik woon in een gelukkig lichaam. Achter mijn huid, onzichtbaar. Ik ben aanraakbaar. Zolang alles functioneert, staan we er amper bij stil dat het lichaam het enige goed is dat we hebben.
Het lichaam wordt routineus verzorgd en aangekleed, tot in detail naar wens van de geest. Maar dan is er strijd, in alle denkbare varianten. Het lichaam tot last. De hinder kan eenvoudig zijn en met oplettendheid worden verholpen. De hinder kan uitgroeien tot obsessie, onbewoonbaar zijn. “Ik wil een ander lichaam. Maak me opnieuw.” Mijn gezicht maakt me onzeker. “Ik wil het innerlijk behouden, maar wonen in een vrouwelijk lichaam … of blijf ik toch dezelfde? Gaat het lichaam verraden wie ik ben?” Ben ik aantrekkelijk? Komt wat ik heb tot zijn recht? Ik zal het versieren. “Vind je me mooi?” Ik zal je zoenen. “Is dit geklede lichaam zo niet te bloot?” Welke morele norm zal ik hanteren?
Het lichaam heeft hersens (ze zijn Goddank gezegend). Ik heb een geweten waar ik dagelijks aanklop. Zoniet dan spreekt het geweten, het kneedt mij naar zijn hand. Daar ontstaat de geruststelling, maar ook het schaamrood.
De aanbidding van het lichaam. En lust. De eeuwige hunkering van mij en mijn lichaam. Het lichaam, het wonder van schoonheid. De verlokkingen, de verrukking. Het smachtend wachten. Van schedel tot tepel, een kwart van de verleiding.
Het kan van alles. Sporten, trainen, dansen, soms halsbrekende toeren uithalen, timmeren, schilderen, schrijven, schreeuwen, fluisteren. Ik ben geen waaghals, ik ben een mens die nadenkt en soms dromen vangt. Het lichaam spreekt de geest. Soms barst het los. Ik zit, tril en bewonder.
Het lichaam en ik kunnen dom zijn, of handig, of groots en meeslepend, uitbundig of verveeld. Ik wil opvallen of liever niet gezien worden. Het lichaam kiest het hazenpad, met gezwinde spoed. Ik vlucht en verdwijn. Zal ik niet vereenzamen? Ik wil ontmoeten. Steeds is er weer een afscheid.
En plots is er een mankement. Gewelddadigheid. Ziekte, misbruik of kwelling. Diepe vermoeidheid. Het lichaam zegt nee. Het gekwetste lichaam, soms onschuldig, soms tot in de ziel. Het weerbare lichaam geneest. Kan ik er op vertrouwen? Het lichaam als last, het lijdt. Ik ben breekbaar. Gekluisterd in het lichaam, verstenen, dat kan ook. Ik hoor de waarheid. De huid spant zich om mij heen. Zal mijn huis niet instorten? Het toont droefenis, ik maak wanhopige gebaren. Ik moet het verwerken, ik moet vechten, het lichaam zal zich aanpassen. Het wil leunen tegen de ander. Ik begeleid mezelf. Het lichaam herstelt. Zet ik het op een rennen of heb ik zorg voor de ziel? Mijn lichaam kan ziek zijn, maar ik loods het overal doorheen. Ik heb een beschermengel. Maar als ik het ben die ziek is of vreemd, wordt het lichaam geweerd. De gekwelde ziel en de verwarrende geest, ik word een vreemde. Wanneer is in deze wereld wie nog vreemd?
Het lichaam zwijgt, praat, boeit, boezemt afkeer in. Ik luister. Alle zintuigen werken. Ze behoren aan het hetzelfde lichaam, dezelfde geest. Ik begeer en het lichaam streelt en betast, het kust wie ik wil, het reist van borst naar kruis en het omhelst wat hem lief is. Het bloost. Het straalt. Het nabije lichaam. Alléén in het woord kan liefde niet wonen. De aanraking. Het lichaam schenkt zich aan de ander. Het verbond dat ik koesteren wil. Het lichaam en ik vormen een wonder, vooral wanneer het samen is met de ander.
Als het tijd is, strelen we verder.
[Net zeven teveel om met 700 woorden te kunnen sluiten. Afbeelding: “Dromen vangen” van Natasja Knap.]

maandag, januari 15, 2007

De ziel verkeert in verlangen. De ziel is een druk bewoond eiland

Vaak kijkt ‘het verlangen’ (ver) vooruit. Zijn het dromen, is het de hoop? Een reikhalzend uitzien naar het onvervulde, naar een weerzien, naar het einde van een periode. Een verlangen naar wat in 't verschiet ligt, een plan, een belofte, een reis. Het verlangen naar een ander ademhalen. Soms kijkt ‘het’ terug, dan noemen we het heimwee. De ene keer naar nog dichtbij, maar soms ook naar een lang vervlogen tijd. Een jaar of tien geleden leek het een poosje of iedereen terugverlangde naar de tijd van Archie Bunker, de tijd van Jan Modaal, van de ‘hokjesgeest’. Het is de duidelijkheid, de structuur, de samenhang maar ook de onafhankelijkheid, het houvast dat we wensen, niet de chaos of de willekeur. Niet de onrechtvaardigheid, niet het ongeluk.
Het verlangen verdwijnt nooit. Niet alleen keert het bij elke generatie terug – zoals voor de jongeren van nu het heden straks ‘vroeger’ is en de jaren vijftig in het geheugen totaal zullen zijn vervaagd, het herhaalt zich ook onophoudelijk in ons eigen leven, kalm of brandend.
Als ‘terugblik’ is het verlangen, als het de jas aan heeft van terug willen naar ‘die’ tijd, dikwijls dwaas en zinloos. Maar als het zich kleedt als herinnering, veelal waard om gekoesterd te worden. Troost, dankbaarheid – en in tal van andere mogelijke symbolen voor persoonlijke momenten en monumenten.

Heimwee naar een vroeger moment, naar een gouden nacht, naar een jaargetijde – naar vroeger dat onherroepelijk verloren is, naar alles wat zo mooi begon maar naar de verdoemenis is. Verlangen, altijd voegt zich wel iets ervan tussenbeide. Een verlangen naar gezondheid, naar aandacht, erkenning of liefde, naar levendigheid, naar opwinding of heftigheden (ongeremdheden ook?), naar verstrooiing of plezier, naar het goede, de heelheid, naar rust, behaaglijkheid of stilte, naar geborgenheid, naar tederheid, naar schoonheid, naar bloei en volheid, naar vernieuwing en fantasie, naar perspectief, naar waarheid, naar verboden vruchten, naar het ultieme. Naar dromen en naar genot, naar warmte. Naar verlossing. Naar welstand? Naar onsterfelijkheid ook?, neen, dat niet, maar iets toevoegen aan de schepping, dat weer wel, - maar alles heeft een onverbiddelijk einde, niet alles op aarde, maar wel het individuele verlangen. Als het tijd is, sterven we.
[Afbeelding: “La création”, door wie gemaakt mij helaas ditmaal onbekend. Voor mij de ziel waarin de tijd als een klepel slingert.]

zaterdag, januari 13, 2007

Bij het Ossendaalse pad liep
ik door het bos en hoorde de bomen
kraken en kreunen alsof iemand op een oude
zolder aan het rondstruinen was.

Waar had ik het eerder gehoord,
ik zucht en zoek, maar in mijn geheugen zijn alle laatjes
vol met stemmen en teksten, ligt
toch dit niet vergeten snerpende dieper geborgen?

Zou een man op het Ossendaalse pad
kunnen sneuvelen, geslagen door naakte takken? Maar
juist hier verwijl ik langer en luister
de oude en verse schoonheid, hoger dan ik kijken kan.

[Uit: Marius Nuy, De wind waait de tijd als zandkorrels weg. Gedichten uit mijn gedachten.
Foto by Chrisje 12.1.2007, Ossendaalsepad Rozendaal.]

vrijdag, januari 12, 2007

De toekomst duurt lang

(Slot) Het is niet altijd gemakkelijk door te dringen tot de ontstaansgronden van thuis­loosheid. Complicerend in het voorbeeld van gisteren is bijvoor­beeld, dat Jacob Sleutelberg is opgegroeid in een wel­levendig en harmonieus gezin en later tot de ‘yuppen’ werd gerekend, wel­varend en succesvol. Zijn bakermat bleek echter geen garantie voor een dramatische ‘val’. Hij verloor have en goed en werd thuisloos, hij moest evenals zijn lot­ge­noten slapen temidden van het gesnurk en gerochel van man­nen en diende op zijn hoede te zijn opdat niet een kleinood ontvreemd zou worden. Maar omge­keerd bleek zijn innerlijke bagage zijn houvast en red­ding en in die zin is, in zijn geval, de herkomst een belangrijke gunstige de­terminant gebleken. Er zijn weinig thuislozen die een soortgelijke goede achter­grond hebben als Jacob. De meesten slagen er niet in of ge­ven het op deze ‘rooftocht van nederlagen’ meester te wor­den. Jacob evenwel berustte niet in zijn algehele verlies, en uit­eindelijk zegevierden levensloop en per­soonlijkheid. Op­vallend in zijn eigen relaas is dat hij door de hulpverleners van de in­stelling werd herkend als iemand die ‘hier niet thuishoort’. Zijn trouwheid aan zichzelf om niet onder te gaan in deze ‘cul­tuur van passiviteit en op­sta­pelende ellende’, zijn ge­vecht er weer bovenop te komen, werd mede vanuit dit gezichts­punt door de hulpverlening gevoed.
Moeilijk blijft de suggestie, dat ‘de oplossing’ te vinden is in de individuele zorg voor zichzelf, in reflectie en anticiperen. We zul­len er niet aan twijfelen dat het aankomt op inzicht en een zekere wijsheid, maar is een ‘menselijk ge­luk’, hoe ver­schil­lend dat ook wordt ervaren en gewaardeerd, is de her­berg­zaamheid afhankelijk van wat wel een ‘gezegend ver­stand’ wordt ge­noemd? Vinden we geluk naarmate we wijs zijn? Is ‘reparatie’ in de maat­schappe­lij­ke opvang, zoals de thuislozenzorg heet, hoofdzakelijk alleen maar mogelijk in­dien men ontwikkeld is? Duurt daarom de toe­komst zo lang?
Rondom dit punt is het appèl dat op hulpverleners wordt ge­daan veel groter dan vaak gedacht. Het gaat in de zorg niet om een bed en een kom soep, die ko­men er wel. Het gaat er om de ‘eigen maat’ – voor vele thuislozen on­vind­baar ge­wor­den – te helpen ont­dekken en samen te zien in welke context een toe­komst de beste kansen krijgt. Niemand is immers uit­sluitend aangewezen op de eigen vermogens; iedereen kan, ze­ker in de zorg, idealiter vertrouwen op se­ri­eu­ze, res­pect­volle en pragmatische hulp, steeds met voldoende ‘red­dings­lij­nen’. Want wie niet in de wieg is ge­legd voor reflectie, dient ‘an­ders’, met meer nabijheid en veel con­creter, te worden ge­holpen. Behalve dat dit in de praktijk ook feitelijk zo ge­beurt, minstens wordt geprobeerd – bijvoor­beeld doordat de maatschap­pe­lijke opvang beschikt over ge­va­rieerde vormen van begeleid wonen – is de tra­giek óók dat nogal eens ge­meend wordt dat velen, anders dan Jacob, ‘hier ge­woon horen’ en kennelijk ‘thuis’ zijn. Alsof (bijna) allen op elkaar lij­ken en af­zonderlijke identiteiten er niet meer toe doen. Men kan en mag er niet van afzien individuele perspectieven te onder­zoe­ken en de mogelijkheden, al lijken ze aanvankelijk gering maar in een betrouwbare betrekking te ontdekken, daar­toe te be­nut­ten, - al is het een lange en langzame weg.
[Schilderij ‘Troost’ van Christien Morren. Ik heb dit beeld gekozen omdat het de vraag is hoe er is te troosten. Wat is troost, de troost die de waardigheid respecteert, de troost die een soort tussenbeide komen is maar die heel verschillend van gestalte kan zijn – ik wilde zeggen ‘van vorm’, maar troost komt tot uitdrukking in hoe de een naar de ander is en kan blijven. Over het thema van deze en de vorige twee blogs publiceerde ik in De Uil van Minerva, tijdschrift voor Geschiedenis en Wijsbegeerte van de Cultuur, “De queeste naar thuisloosheid. De toekomst duurt lang”(Vol 18, nr. 4 2002, p. 213-28).]

donderdag, januari 11, 2007

Het overwinnen van tegenspoed

De vraag of ernstige tegenspoed tot geestelijke onge­zond­heid leidt, voerde de psychiater Hodiamont naar de oud­testamentische figuur Job. Deze Job, een rechtvaardig maar ook welvarend man, overkomt de ene na de andere ramp. Have en goed gaan verloren en hij wordt wanhopig en depressief, tot in zijn ziel ge­tekend door een bijna alles­om­vattend verlies. ‘De mensen van wie ik hield, keren zich af …. als een wind wordt mijn aanzien wegge­vaagd.’ Een toonbeeld van geestelijke ongezondheid, - ware het niet dat Job’s per­soonlijkheid, zijn geestkracht, hem er bovenop brengt. “Hij heeft het vermogen het onverklaarbare te accepteren. Zijn de­pressie heeft daardoor een gunstige prognose, zoals ook de afloop van het verhaal laat zien”, schrijft de zenuw­arts Hodia­mont.
Een figuur uit de moderne tijd toont bijna een duplicaat van de geschiedenis waaraan deze auteur refereert. Het betreft een pe­riode in de levensloop van Ja­cob Sleutelberg, beschreven in De deftige zwerver.
Via de deurwaarder verdwijnt Jacob’s boedel, omdat een ern­stige depressie hem het beheer over zichzelf en zijn leven had ontno­men. Hij, een ‘yup’ van wie niemand een dergelijk dra­ma­tische val zou verwachten, verloor huis en haard en alle vriendschappen. Temidden van zwervers en na heilzaam wer­ken­de medicatie bleek hij zich ten minste in één opzicht van de meeste van zijn lot­genoten te onderscheiden: zijn inner­lij­ke bagage, zijn persoon­lijkheid, die was hij niet kwijtgeraakt. Jacob blijkt evenals Job 2500 jaar geleden uit de vele diepten weer terug te keren, niet omdat hij arrogant is of wel­be­spraakt maar omdat het bij hem hoort zich te verdiepen in de be­weeg­gronden van zijn bestaan.
Welopgevoed zijn in brede zin is niet altijd de katrol waar­langs het leven zich wel weer herstelt, maar het helpt wel. Hoewel oor­zaak en gevolg van de depressie zich in beide gevallen gedeeltelijk omgekeerd voordoen, zegt Ho­diamont over Job: “Ellende en de­pressie zijn eigenlijk maar bijzaak. In we­zen gaat het verhaal over een man wiens spiritualiteit be­proefd en goed ge­von­den wordt.”
Dat geldt ook voor Jacob. Voor beiden geldt tevens, dat zij niet te­loor zijn ge­gaan in de tragiek van berusting of verzet, maar van­uit een eenzaam onder ogen zien van ‘schade en schande’, en trach­ten op te klimmen, van hun oor­spron­kelijke zelf terug naar zich­zelf en anderen. Dat is alle moeite waard. Beiden proefden hun eigen duisternis, het was donker werk, maar zij werden schadeloos gesteld door de troost van, opnieuw, een eigen morgenrood.
Het woord ‘deftig’ heeft in de context van dak- en thuis­lo­zen na­tuur­lijk een bijzonder rake betekenis. Niets is deftig in deze oningevulde en veel­al uitzichtloze bestaans­wijze. In het bestaan van Jacob is het echter zijn red­ding, omdat het de metafoor is voor welopgevoed, intelligent en na­den­kend te zijn. Het is ook de metafoor voor ‘vriendschap voor zichzelf’, voor ‘zorg voor de ziel’. Het zijn eigenschap­pen die opvallen in de wereld van dak­lo­zen, van losers en junks, en die hulpverleners ook onmiddellijk de vier woorden tegen Jacob deden prijsgeven die zowel juist als paradoxaal zijn: ‘jij hoort hier niet’.
Niet al zijn innerlijke bronnen waren ontoegankelijk gewor­den. Zichzelf vra­gen blijven stellen bleek de voorwaarde om zich te kunnen heroriënteren en het ‘goede’, zijn eigen ‘maat’, weer te kunnen bereiken, wat van de mees­te lotgenoten niet gezegd kan worden. Voor velen blijft er minder dan het onvoltooide. Bij velen blijven de plannen te vaag, worden uit­ge­steld en als knopen moeten worden doorgehakt, wordt mis­ge­hakt of gewacht tot de knoop zich vanzelf ontwart. Als Sleu­telberg zich afvraagt of hij voor de eerste keer de soepbus zal ingaan, leunt hij tegen de ach­terzijde van de bus en hoort hij geroezemoes, gescheld en ge­snurk. Hij weifelt. “De schei­ding tus­sen mijn oude leven en een zwerverstoekomst is zo dun als het staal van een oude stads­bus.” Maar tevens toont hij, en dat is zowel het lijden als het ideaal van iedere dak­lo­ze, dat het ontbreken of het beschikken over le­vens­energie net zo bepalend is als het dunne staal van de oude bus: gaat de spi­raal (weer) omhoog of almaar verder om­laag.
[L. Layendecker, P. Hodiamont e.a., Sociale overbodigheid, Essays, KSGV Nijmegen 1998; Jacob Sleutelberg, De deftige zwerver, Podium 1998. Afb. Genezing van herinneringen van Cornelis Monsma.]

woensdag, januari 10, 2007

De zorg voor de ziel

Het streven van mensen is onvermijdelijk en steeds ge­richt op een voor zich­zelf zo goed mogelijk leven, een leven dat vreugde en voldoening schenkt, - een levenswijze die voor iemand per­soonlijk ook de moeite waard is. Het is een abstracte formulering van misschien de essentie van het menselijk be­staan want die ‘es­sentie’ betekent in de heden­daagse cultuur, die eer­der rijk is aan mate­ri­a­lis­me dan aan spiritualisme, een streven naar rijk­dom, succes, erkenning, relaties, geluk, (maakbare) ge­zondheid, - alle­maal zaken die appelleren aan verstand, naden­kendheid, be­hoed­zaamheid, con­formisme en calculatie. Dit wekt de indruk, dat het kunnen bereiken (en be­houden) van ‘het goede leven’ af­hankelijk is van bepaalde intellectuele ca­paciteiten, van een zekere begaafdheid om na te denken over zichzelf, over de doelen die men zichzelf stelt en te ontdekken welke weg men dient te gaan om deze te realiseren. “De ziel moet in een op­ti­male conditie zijn”, stelt Aristoteles, die een bloeiend leven beschrijft als het hoogste doel van het men­selijk leven en aan­geeft dat dit slechts is te bereiken wanneer men over de juiste kwaliteiten be­schikt.

In onze, in meer of minder opzichten ontaarde cultuur, is vooral een rationele le­vens­houding te herkennen als instrument om het hoogste, het beste te be­rei­ken. “Neen, tijd voor een relatie of ge­zin heb ik niet. Je kunt niet alles heb­ben. Volgend jaar gaan we naar de beurs.” Tegelijkertijd is in dit streven te her­kennen, dat niet de rede, maar de genotzucht en dus de emo­tie – de ge­hecht­heid aan bezit, aan macht en aanzien – het over­wicht heeft, - niet de zorg voor de ziel. Zijn rede en emo­tie hier even krachtig aan­we­zig, maar toch gericht op het (ver­keerde) denkbeeld dat de ander – een gezin, een lief­desrelatie – er niet wezenlijk toe doet? Dient de genotzucht niet ont­mas­kerd te worden als een vals richt­snoer voor het leven voor­aleer iemand werkelijk bij zichzelf en de ander komt? Het zou aanmerkelijk ‘natuurlijker’ zijn niet ze­ven maal 24 uur alert te hoeven zijn, slim en steeds te moeten na­denken over trucs en strategieën. Zo’n leven is wel complex, maar ook onecht. Geen hogere loyaliteit aanvaarden dan de eigen voor­uitgang en ontwikkeling be­te­kent in de visie van de filosoof Charles Taylor dat men het morele ideaal niet werkelijk begrijpt. “Is er met zo ie­mand nog redelijk te praten?”

Een samenleving wordt niet bewoond door alleen maar ont­wik­­kel­de mensen. Er zijn oneindig veel ‘gewone’ mensen, wier be­staan vaak wordt aangeduid als het leven van de ‘ge­wo­ne’ man, voor wie het leven eenvoudig en helder is. Leven ze daarom op­pervlakkig, in de zwakste schijn van een moge­lijk bloeiender leven? Zijn ze daarom dom? Zou hun leven voor hen persoonlijk daarom niet de moeite waard kunnen zijn? Gewone mensen zijn eenvoudige mensen, maar eenvou­dige mensen zijn niet daarom onnozel of, denkend aan de zorg voor de ziel, onzorgvuldig. ‘Goed te kunnen leven’, in de betekenis van Aristoteles, is niet in verband te brengen met de noodzakelijke voor­waar­de zich on­op­houdelijk kritisch vragen te stellen over ‘het leven’. Dat is een onhoudbare, tragische ge­dachte. Het ‘goede’ zou dan slechts voor een stad vol men­sen op deze wereld binnen bereik komen en voor alle anderen min­der dan het onvoltooide. Toch zijn geestkracht en het ver­mogen te re­flec­teren geen overtollige bagage, wat ik morgen zal il­lu­streren aan de hand van een wonderlijke parallel, ont­trok­ken aan twee tijdspolen in de ge­schie­denis. ‘Verstand’ in deze zin kan de bron zijn voor de herinrichting van een leven dat aanvan­kelijk is stukgegaan.
[Aristoteles, Ethica Nicomachea, Groningen, Historische Uitge­verij, 1999. Charles Taylor, p. 42 De malaise van de moderniteit, Kok Agora/Pelckmans, 1994. De afbeelding is, via Gerda, afkomstig van de website van Lianne,
watmaakjijervan]

dinsdag, januari 09, 2007

Brokeback Mountan. Love is a force of nature
Gebroken in de knop

Een typisch Amerikaans tijdsbeeld, jaren zestig tot ongeveer midden jaren tachtig waar het gaat om een homoseksueel liefdesverhaal, dat zich afspeelt tegen de achtergrond van het indrukwekkende desolate berglandschap, Brokeback Mountain, en het zeer kleinburgerlijke leven in Wyoming en Texas. Als Ennis Del Mar (Heath Ledger) en Jack Twist (Jake Gyllenhaal) in dat wijdse en verlaten landschap maandenlang op elkaar zijn aangewezen omdat ze er een kudde van 1000 schapen hoeden, het is seizoensarbeid, hebben ze er nog geen flauw idee van dat deze periode vanaf dan hun leven blijvend en dramatisch zal beïnvloeden.
Ennis is een jongeman van vier, vijf woorden, Jack is vlotter, een rodeogek, maar respecteert Ennis die daardoor ook wat spraakzamer wordt. Een aanvankelijke onverschilligheid wordt vriendschap.
Er is een plotselinge onstuimigheid die eerst wordt verworpen maar toch onbedwingbaar blijkt in deze eenzame, vreedzame, leeftocht van het herdersdom. Over de liefde wordt niet gesproken, maar ze is er. Beide mannen weten hoe intolerant de samenleving is en hoe gewelddadig de consequenties zullen zijn als het geheim wordt ontdekt. Na het seizoen gaan beiden hun eigen weg. Ennis trouwt met Alma en elke cent omdraaiend krijgen ze twee dochters. Jack laat zich verleiden door Lureen, een rijkeluismeid, knap en hoog in de bol, een kopie van haar vader. Het duurt een jaar of vijf voor Ennis en Jack elkaar weer ontmoeten, maar onmiddellijk is duidelijk dat het vuur tussen beiden niet is gedoofd. Ze besluiten elkaar minstens twee keer per jaar een aantal dagen te zien waar ze vrij zijn van elke mogelijke bespieding, zogenaamd op “fishing trips”. Alma heeft er weet van, is diep geschokt en strijdt in stilte met ‘her husband’s secret life’. Lureeen is te druk met de zaak en de franje van het leven om te beseffen wat er werkelijk speelt. Er zou gekozen moeten (kunnen) worden, maar de barricades zijn te groot. Jack roffelt op Ennis’ hart als op een trom, maar een menselijke liefde kan zich niet vestigen. Beiden lijden een niet te kantelen eenzaamheid.
Vier geloofwaardige karakters in de context van een Texaanse cowboywereld, de machocultuur en dito rolverdeling, waar mannen stoer en zwijgzaam zijn, waar de een fortuinlijk is en de ander zich driemaal in de rondte ploetert om de eindjes aan elkaar geknoopt te krijgen. Er is klaarblijkelijk roddel en achterklap kunnen ontstaan en dat wordt een van hen op tragische wijze fataal.
Door de lange jaren heen blijft de liefde tussen twee mannen intens, oprecht en warm, ontroerend en verdrietig, maar het is een liefde die lijden wordt, of dat misschien vanaf het begin al is maar zich door alles heen wringt. Een identiteit die wordt ontkend maar niet te verloochenen blijkt. Er heerst(e) een stille maar vuile haat naar homoseksualiteit. Mannenliefde verbrijzelt het imago van de man, dat van de man die menselijkheid vertrapt. Lureen ‘wordt wakker’. Te laat.
[“Brokeback Mountain” - met prachtige muziek, soms in tonen die aan Paris Texas herinneren – is gebaseerd op de roman van Annie Proulx. Film/DVD - drie Oscars, 4 Golden Globes en 3 Bafta’s – van regisseur Ang Lee (2005).]

maandag, januari 08, 2007

Kort­zich­tig­heid
Cees Buddingh’ in zijn Dag­boek­notities 1967-1972: “Hoewel ik over het algemeen op de hand van de langha­ri­gen ben, weet ik maar al te goed dat men én langharig kan zijn én kortzichtig. Men kan zelfs zeggen dat iedere groep – sociaal, religieus, artistiek – zijn eigen speciale kort­zich­tigheid heeft.” En verderop: “Iedereen heeft zijn eigen oog­kleppen.” Deze dagboeknotities 1967-1972, gepubliceerd door de Bezige Bij in 1979, vormen een bundeling van Wat je zegt ben je zelf uit 1970 en Verveling bestaat niet uit 1972. Deze laatste titel is overigens ontleend aan een uitspraak van K. Schippers.
[“Short-sighted” by Butterflyman.]

zondag, januari 07, 2007

Wie kiest zijn ongeluk? Who made it happen? Who will repair it?

Op bladzijde 27 – als hij op de pagina’s daarvoor over cliën­ten met een beroerde voorgeschiedenis al had uitgelegd dat ze verdu­veld goed weten dat het niet in de haak was waarvoor ze kozen en daarom voor een groot deel zelf verantwoordelijk zijn voor hun ellen­de – (op blz. 27) van Beschaving of wat ervan over is staat een dialoog tussen de psychiater Theodore Dalrymple en een man van vijfentwintig om bij hem in het zie­ken­huis bolletjes cocaïne te laten verwij­de­ren. De man had vlak daarvoor zijn vriendin verlaten, een week nadat zij hun kind het leven had geschonken. Dalrymple vroeg of hij nog meer kinderen had.
“Vier”, was zijn antwoord.
“Van hoeveel moeders?”
“Drie.”
“Zie je je kinderen ook?”
De man schudde van neen en Dalrymple fronste zichtbaar zijn wenkbrauwen van afkeuring. Dat ontging de man niet, hij zei meteen: “Ik weet het. U hoeft het me niet vertellen.” Dalrymple hoorde hierin een niet te betwijfelen bekentenis. Hij had al zoveel van deze lieden gesproken. Ze weten alle­maal wat de gevolgen zijn, ze weten allemaal dat ze hun kin­deren veroordelen tot een leven van gewelddadigheid, armoe­de, misbruik en uitzicht­loos­heid.
In bovenstaande zin staat de tegenstelling, die op pagina 30 nog eens wordt onderstreept: “Zonder uitzondering vertellen ze dat ze een dergelijk leven voor hun kinderen niet wensen, (….) maar het ligt voor de hand, bovenal vanwege het voor­beeld van de ouders, dat de keuzen van hun kinderen even be­roerd zullen zijn als die van hen.” Waarom benadrukt de auteur herhaaldelijk de eigen ver­antwoordelijkheid voor de mi­sère, als hij evengoed ook zegt dat zo iemand zijn kinderen veroordeelt tot een leven dat bij de geboorte al naar de don­der is en zegt hij dat het voor de hand ligt dat die kinderen in het bijzonder vanwege het slechte voor­beeld dezelfde misstappen zullen begaan? Wat hij met verve be­weert, ontkracht hij ook weer.
Of het is de slechte socialisatie die andere keuzes on­mo­gelijk maakt of het komt, zoals hij schrijft op bladzijde 252, doordat de drugsverslaving hun blikveld en psy­chische mo­gelijkheden beperkt. De wil of het vermogen anders te doen wordt ondermijnd (dat beschrijft ook Kay Redfield Jamison in De nacht is voorbij). Hoezo dan dat gehamer op vrije keuze en zelfverantwoordelijkheid? Naast de maatschappelijke en sociaal-economische omstandigheden – hij onderschrijft dat op pagina 252 – is het vooral het slecht geïnspireerde voor­beeld dat, “het ligt voor de hand” (schrijft hij), bepalend is voor de ver­keer­de keuzes en dat direct verwijst naar een onvermogen, en niét naar de onwil. Ja, ze weten het, maar het weten omdat ze het al zo vaak gedaan of mee­gemaakt hebben, is niet het­zelf­de als het weten uit een be­zonken inzicht. Groeit er op een kaalgevreten, diep gekwetste ziel nog iets dat doet denken aan vrije keuze, verstandig of niet? Hebben zij de innerlijke ruimte iets te gaan willen?
Dal­rymple weet een aantal kwesties heel raak te analyseren, maar slaat de plank mis door thuislozen en verslaafden de parasieten te noemen van de sa­menleving. Dat het echter aankomt op een be­tere zelfzorg, in­zicht en reflectie, en vooral ook op een liefdevolle en be­trok­ken in plaats van veroordelende benadering, dat staat buiten kijf. Het is makkelijk te beschimpen, te kleineren, niet serieus te nemen, dat drijft mensen in de hoek van het wantrouwen en het miezerige zelfbeeld, dat ze voor niemand nog een knip voor de neus waard zijn.
[Theodore Dalrymple, Beschaving of wat er van over is, Uitg. Nieuw Amsterdam 2005. Afb.: “Shame on me” door Caroline Westerhout.]

zaterdag, januari 06, 2007

Rule no. 1 in een onvergankelijk 'weten'
Veel schrijvers van eeuwen geleden waren scherpzinnig, hadden een meesterhand van schrijven en trokken, zonder het te weten, het gelukkige lot niet in de vergetelheid te raken. Dat geldt bijvoorbeeld voor de grandioos vertaalde Essays van De Montaigne.
“Ik haat knorrige, sombere levens die de vreugden des levens langs zich heen laten gaan en zich vastklampen en laven aan tegenspoed; het zijn net vliegen die geen houvast vinden op vlakke, gladde, voorwerpen, maar lang blijven zitten op ruwe, oneffen, plaatsen, of bloedzuigers die slechts haken naar kwaad bloed en zich daarmee volzuigen.
Overigens heb ik mij tot regel gesteld dat ik al wat ik durf te doen ook moet durven zeggen, en gedachten die ik niet kan publiceren stuiten mij zonder meer tegen de borst. Het ergste van wat ik doe en denk, lijkt mij niet zo lelijk als wanneer ik zo laf zou zijn daar niet voor uit te komen. Iedereen is terughoudend in zijn bekentenissen, men zou dit moeten zijn in zijn daden: dan wordt het lef om over de schreef te gaan een beetje in evenwicht gebracht en in toom gehouden door de moed dit op te biechten.”
De Montaigne leert me, opnieuw, in het diepst van mijn eigen hart, waar alles geoorloofd, waar alles verborgen is, om daar deugdzaam te zijn. Daar gaat het om!
[Michel de Montaigne (16de eeuw), Essays, p. 1087 ; Afb. : ‘The Four Virtues’ by Master Albert Florence ,1490; de vier kardinale deugden: bezonnenheid, matigheid, moed en rechtvaardigheid.]

vrijdag, januari 05, 2007

Zijn hart tierde

Het ‘Geheim dagboek 2001’ van Hans Warren is een uitgave die de reeks van de reeds verschenen delen onderbreekt omdat dit deel de notities bevat tot en met 16 december, twee, nee, drie dagen voor zijn dood. In 2004 ging de reeks weer verder, deel 16, en dat dagboek gaat dan weer terug naar medio jaren tachtig. Warren, een dagboekanier in hart en ziel, begon eraan in 1942, hij was toen een jon­ge­man van 20 en heeft dus zijn hele bestaan vastgelegd, zelfs dit laatste jaar, 2001, waarin hij als tachtigjarige wordt geconfronteerd met ontluisterende aftakeling en dat ook allemaal op­recht, toegewijd en genadeloos beschrijft; ik geef daar geen voorbeelden van want het is denkbaar dat het alleen maar schrik aanjaagt, weerzin om ‘zoiets’ te lezen omdat ik het uit z’n context haal en juist zo fascinerend is (ook) dagboeken te lezen, zeker die van Hans Warren. (Hij is eigenlijk de uitvinder van dit genre voor de Nederlandse literatuur.)
In 1942 – hij is geboren in Borssele maar woonde de langste tijd van zijn leven in Kloetinge -, begon hij ermee, maar de publicatie startte pas in 1981. Het was een geheim dagboek want: zijn ouders hadden onmiskenbaar sympathie voor de Duitse zijde en de politieke gevoelens van Hans stonden daar lijnrecht tegenover. Voorts was er zijn homoseksualiteit het­geen in die tijd als een schande werd ervaren. Dat zijn ook de twee thema’s van het eerste deel, naast zijn verkenningen in de kunst en zijn grote liefde voor de natuur, speciaal de vogels. Hij leidde een eenzelvig bestaan. In 1946 verscheen zijn poëtisch debuut, Pastorale. Er verschenen daarna ruim 25 gedichtenbundels, de laatste begin 2001, Een stip op de wereldkaart. Voorts verhalen, essays en vele bloemlezingen. Samen met Mario Molegraaf vertaalde hij het werk van de inmiddels zeer gevierde dichter Kavafis en ook het Verzameld Werk van Plato. Hij is zelfs de vertaler van veel werk van De Sade. Verder werkte hij 50 jaar voor de Provinciale Zeeuwse Courant: boekbesprekingen en de kunstkroniek. Een veelzijdig literator dus, die eigenlijk – dat zullen misschien niet velen weten – Hans Menne heette. Hij schreef voorts onder pseudoniemen als Marc Dupont, Arcangelo en Engel Piccardt.
Ondanks zijn homoseksualiteit trouwde hij in 1952 met Mabel MacLauren. Ze kregen drie kinderen. In de jaren vijftig woonden zij in Parijs, een roerige tijd waarin Warren vooral de zelfkant van het homoseksuele milieu opzocht wat tot dramatische taferelen met zijn vrouw leidde. Zij scheidden in 1975. Sedert 1978 was Mario M. zijn levenspartner.
Wie niet al die afzonderlijke delen (meer) wil lezen, kan ook beginnen met de in 2000 verschenen bloemlezing uit zijn dagboeken, Om het behoud der eenzaamheid. Nu, heel kort, het dagboek 2001.
Hij schrijft uitbundig over de rijke collectie etnografische kunstvoorwerpen die hij en zijn levensgezel hebben verzameld (en wat er nog iedere maand aan wordt toegevoegd). Het accent ligt op de Aziatische schatten die Warren boeiden door hun geheimzinnigheid en sereniteit. Voor hem is het huis in Zeeland, Kloetinge, “de navel der aarde waar de hele wereld zich heeft verenigd dankzij de kunstvoorwerpen.” In dit ontroerende document van 350 pagina’s (16 dec 2000 – 16 dec 2001) is het lijden voortdurend en schrijnend ‘aanwezig’, tweeërlei, zowel aan de ziekte (een grote tumor in de lever en nog wat complicaties) als aan zijn samenleven met Mario die veel voor hem doet maar hem ook ongelooflijk blijft vernederen. Het gaat over literatuur, over het gereedmaken van drukproeven, over de kwelling en de noodzaak van het schrijven, over toertochten in de omge­ving, over tientallen uitstapjes naar musea en over ervaringen in restaurants (Mario schrijft voor Lekker, een tijdschrift voor deze branche; ze krijgen daar natuurlijk geld voor maar ze gaan ook meerdere keren per week op eigen kosten dineren, vaak met de duurste wijnen bij wat ongewone maaltijden waarvan de kosten rustig oplopen tot ruim vierhonderd gulden en dan was het nog smerig ook.). De meeste restaurants komen er beroerd van af. “Ik heb zo goed als niets gegeten, alles was schaam­te­loos slecht. Ik vreesde dat Mario weer in de contra­mine zou zijn, maar hij vond het maal ook smerig. Vooral de hoofdgerechten bleken volstrekt ongekund. De kok had mijn ‘oedangs’ niet eens warm weten te krijgen. We waren in een uurtje weer thuis.” Er wordt waanzinnig veel gesmuld, maar dan vooral thuis want Warren schijnt daar fenomenaal goed in te zijn geweest, tegelijkertijd wordt praktisch elke maaltijd weer vergald … het afstotelijke en het schone – en dat geldt eigenlijk de hele dagelijksheid van dit buitengewoon onalledaagse leven.
Het lijden is soms ontluisterend ‘bloot’ en pijnlijk. Hij aarzelt over geen enkel detail. Er zit een enorme spanning tussen fysiek ineenzijgen en de ziel die wordt opgetild, kort en hevig, en dan weer verder op die eenzame weg naar het einde.
[Hans Warren, Geheim dagboek 2001, Bert Bakker (2002). Foto door Vincent Mentzel.]

donderdag, januari 04, 2007

Lieveling,

Les chiens de Paris
is (slechts) symbolisch
voor mijn spijt jouw liefde voor dieren
te hebben gekwetst, zomaar
naar aanleiding van je hartewens
greep mij een kleine ergernis
naar de keel, het was de kat
al piesend in mijn geheugen die
mijn toorn wekte en
jou deed vermoeden dat ik hem
het liefst zou willen ombrengen terwijl
jij het dier, om het even van welke soort,
aan niets ter wereld
zult offeren, vandaar dit teken
van berouw.

[“Ice Labrador” door Sandra Persoons. Gevonden in mijn boekenkast,
voor mijn lief, geschreven in 1998 - met een boekje vol aandoenlijke hondenfoto’s.] (100 woorden.)

woensdag, januari 03, 2007

Drie stromen …
In het boek van Buddingh’ gelezen:
‘(...) en Dante heeft gelijk,
er zijn drie soorten eeuwigheid,
die van de hel, die van het vagevuur
en die van de hemel.’ En dan zegt Buddingh’:
‘Klopt, je vindt ze, als minuten,
door het leven van elk mens gestrooid.’
[N.a.v. de drie vuurstromen enkele dagen geleden; Giuseppe Frascheri, “Paolo and Fransesca”.]

dinsdag, januari 02, 2007

Reis in het binnenland
‘Getagged’ heet dat in weblogland. Persoonlijke vragen of ontboezemingen in allerlei genres, van alledaags tot confidenties die in gewone gesprekken zelden gedaan worden. Het gebeurt overal al jaren: in HP/De Tijd, in Opzij, in de NRC, in Volkskrant Magazine, in Linda (ja, van alles komt hier thuis voorbij, en is het niet thuis, dan wel ergens aan de leestafel). ‘Wanneer heeft u voor het laatst gehuild?’ ‘Wat is uw aandeel in het dagelijks corvee?’’Brazilian of …?’ ‘Heeft u geheimen?’ ‘Wat staat er op de wastafel?’
Ik kreeg ‘het stokje’ van Goentha, met lieve intenties. “Maar”, vroeg ze zich af, “is het een eer of een plaag, dit met de billen bloot?” Ik houd het op het eerste, al maak ik van dat stokje een briefje, een briefje dat ik straks ook doorgeef. Maar het is de eer, omdat je gekend en welkom bent, omdat je zelf ooit overal vrijpostig aanklopte en beantwoord bent. Zo gaat dat in deze moderne dagboekhouderij. Je surft als het ware op de golven van berichten van de ene naar de andere weblog en net als bij spontane ontmoetingen op het plein zeg je iets hartelijks. Je geeft iets, ‘iets’ dat in de kern een vorm van erkenning is. Hoe mooi en ongeveinsd dit ook is, het is niet belangeloos. Het is impliciet een uitnodiging en tegelijk nieuwsgierigheid. De een gaat bij de ander eens kijken zonder dat hij of zij het weet … en op zeker moment komt het aanwaaien, en word je misschien getagged. Of je dan bent 'gearriveerd', weet ik niet. Wie dan niet meedoet, plaatst zich er weer even buiten, hoewel het alom wordt gerespecteerd – maar je kunt je, hoe ook, toch wel blijven onderscheiden. Dat is wat we ook graag willen, we willen niet allemaal op elkaar lijken. (Maar niemand wil de buitenstaander zijn, tegelijk toch de eigen veiligheid bewaren. Er is soms wel een bepaalde innerlijke strijdigheid te overwinnen.)
Zo kom ik helemaal niet aan zo’n lijstje toe. Het is niet dat ik niet weet waar ik zoeken moet, maar …ja, ik ben er verlegen mee. Ik schrijf toch aldoor al brieven? (“Ja, maar we willen nu iets weten dat je ….’) Ik ben een verwonderaar, lees mijn (onvolkomen) psychologisch portret maar (26 oktober) of, een andere kant, de poëzie van de verbeelding op diezelfde dag. Of mijn brief van 16 november, Verscheurde stilte, en Een observatie op 22 november.
Een waterman. (Geen –rat.) Een waarnemer. Een luisteraar.
In Station als museum staat een variatie aan observaties, maar mogelijk wordt alleen de waarneming van ‘billen en borsten’ onthouden. (A sort of dirty mind, misschien wel waar, maar wat houden we dat toch raar buiten het leven.) Wat betekent die openhartigheid over schoonheid? Wat is schoonheid? ‘Jong en dartel’? Hoe kortzichtig (al wordt het doorgaans van mannen gedacht: dat ze betoverd raken door al wat naar erotiek reikt, meteen in vuur.) (De vrouw is fascinerend anders.) De geraffineerde ontboezemingen in het openbaar vormen maar een klein vluchtig deel van de schoonheid, want een diepere ontroering vind ik in landschappen, in vriendschappelijke ontmoetingen, in de liefde, in al waarin passie is te herkennen, in biografieën, in poëzie, in kunst. Waarom? Om ‘hoe het er is en zich toont’, óók in de gebrokenheid en het lijden, en bij mensen om de toewijding naar de ander en naar wat mensen creëren, – dat is wat mij raakt, de authenticiteit, de aanwezigheid, de betrokkenheid, omdat het tegendeel mij eveneens treft, maar dan tot huilens toe: de vernedering, de onverschilligheid, de lompheid, de macht en de (eveneens) gewelddadige onmacht, de sociale overbodigheid, het brute ongecontroleerde egoïsme.
Ik ben een stille, denkende en schrijvende man die met een open bewustzijn in de wereld staat. Dat ik nu ook een man ben wiens hoofd op een pijnlijke manier met vier schroeven is vastgezet, ontsnapt er geen minuut aan, maar het treedt gelukkig langzaam meer naar achteren, al gaat het zo traag als een slak.
1. Ik ben gehecht aan mijn liefde en aan de vriendschappen die er zijn want zonder dat is het leven een kale woestenij. Sommige vrienden zijn een oase op mijn eiland.
2. Wil iedereen mij alsjeblieft het eerste uur van de morgen met rust laten!
3. Vreselijk als ik een wind moet laten, maar niet weet waar die waaien kan.
4. Ik woon in de taal maar kom slechts toe aan een kwart van wat ik lezen wil.
5. Ik wil niet dat de televisie mij ‘onderhoudt’, ik houd van mijn eiland.
6. Waar en hoe ver ook, ik wil altijd weer naar huis en niet blijven slapen, hoe gastvrij het er ook is.
7. Ik vind het jammer veel kanten van het leven alleen te kennen uit films of verhalen. Behalve dat dit het mijne is en ik met niemand ruilen wil, ben ik vermoedelijk tegen andere levens ook niet opgewassen. Hoe weinigen zijn gezegend met een leven waarin de vraag niét voorkomt: hoe moet ik dit eigenlijk doen, leven. En ons hoofd zit vol met oplossingen, met verwarring en getob ook.
Even was ik de bestemming kwijt van deze brief en ging ik door naar 8, 9 en 10, maar die heb ik na een korte overweging verwijderd, ze waren me te ijdel en te vrijmoedig. Ze komen waarschijnlijk beter aangekleed nog eens terug.
Zo ik ben getagged, zo is mijn antwoord geworden. Deze brief is voor wie hier komen, maar zou ik onder speciale, vrije aandacht willen brengen van Wenz en van de Stoere Schrijfster, twee innemende jonge vrouwen. Talloze anderen, zag ik intussen, hebben ‘het’ al gehad. Zou Gerhard van Tagelus het op prijs stellen en ook de warmhartige dichteres Gerda(YD)?
Is het zo goed Goentha? Veel te lang!
[“My soul and I” van Simeon Solomon.]

maandag, januari 01, 2007

2007
Het jaar is opgerold en in het archief gezet. Een nieuw jaar gaat zich afwikkelen, nog maar het eerste streepje is zichtbaar. In welke hoedanigheid en waar u ook bent, waar uw hart naar uitgaat of wat uw voornemens zijn, ik wens iedereen van harte een liefdevol en gezond nieuwjaar. Dat vele van de goede wensen waar u in stilte op hoopt in vervulling mogen gaan of daar weer dichterbij komen. Michel de Montaigne, een rijke, gewone en wijze man, zou zeggen: “Niet alles zoals wij het willen, maar zoals het goed en wijs is.” (100 woorden)
[Schilderij van painter Ipalbus.]