
4. (Slot)
In zijn eenzame, vrij ongelukkige jeugd – ofschoon in grote morele vrijheid (“nooit was het mijn vader een zorg mij zijn ideeën of voorkeuren op te dringen”) – werd het hem tot gewoonte om met zichzelf bezig te zijn, na te denken over de voorvallen in zijn leven. Vandaar zijn voorkeur voor boeken waarin mensen over zichzelf vertellen, zich uitgebreid beschrijven, analyseren, “vanaf de schrijver die de ellende van zijn vroegste jaren vertelt tot en met de schrijver die de meest onbeduidende voorvallen uit zijn leven noteert en oproept.” Hierop berusten zijn Journals.
In feite ligt in het voorgaande de verklaring van Léautaud’s uitgesproken felle antipathie jegens moralisten, de ‘onderwijzers’ onder de schrijvers, zoals Gide, Vallè en Duhamel. (“Het beroep van leraar heeft iets van een vulgaire toewijding die me choqueert”.) Hij verzet zich tegen elk functioneel gebruik van de literatuur, doch evenzeer tegen een literatuur die volkomen ‘gratuit’ zou zijn. Vóór alles telt de beschrijving van wat menselijk is. Achter het werk moet men een mens van vlees en bloed zien staan, een persoonlijkheid, “iemand die zich geeft zoals hij is, zonder dat hij bezorgd is te mishagen.”
Niet de vorm, niet de constructie. Niet de gewilde duisternis. Geen verzinsels zonder kop of staart, geen verbeelding. Hij verwerpt alles wat uitgedrukt wordt in een artistieke, gekunstelde, moeizame stijl. “Ik vind dat de grootste kwaliteiten van een schrijver hierin gelegen zijn dat hij eenvoudig, waarachtig, natuurlijk en kort is”, zoals Stendhal hem liet inzien: “plus on raffine sur le style, plus on s’éloigne du vrai”.
Volgens hemzelf begint zijn carrière als schrijver met In Memoriam, het verhaal van de dood van zijn vader, dat aantoont welke vooruitgang hij gemaakt heeft op het gebied van eenvoud, directheid van stijl en openhartigheid. De twee novellen Le Petit Ami (zijn debuut in 1903) en Amours - ook eens verschenen in de Salamanderreeks, Jeugdliefde - vindt hij later te sentimenteel en worden als te literair en niet droog genoeg afgedaan.
Waarneming, nieuwsgierigheid en het zwijgen ertoe doen zijn superieur aan elke hartstocht of deelname. “Ik heb eens geschreven dat ik bepaalde momenten uit mijn leven tweemaal beleefd heb: eerst toen ik ze meemaakte, daarna toen ik ze opschreef. Ik heb ze ongetwijfeld intenser beleefd toen ik ze opschreef.”
Eigenlijk is er met Amours, het verhaal van zijn grote jeugdliefde, een einde gekomen aan de ‘scheppende’ periode in Léautaud’s literaire loopbaan. Enige jaren later (na 1910) zal hij befaamd worden als de genadeloze toneelrecensent Maurice Boissard en weer vele jaren later als de fascinerende schrijver van Journal Littéraire en Journal Particulier. Deze dagboeken, tezamen zo’n twaalfhonderd bladzijden, openbaren zowel stralend als nuchter een Léautaud die zichzelf trouw blijft doordat hij te allen tijde zijn tekortkomingen onderkent. In zijn taal is hij trefzeker. In de domste, doch evengoed in de meest briljante dingen, is hij ontwapenend eerlijk. Tot op hoge leeftijd blijft hij actief, - ook seksueel, zowel op bed in de behaaglijkheid van het ontwaken als in het gezelschap van een volle vrouw. Hij bemoeide zich met van al, gluurde als het kon door de ramen om te zien wat zich afspeelde en luisterde, hij liep zelfs achter sommige mensen aan om te horen wat ze zeiden. Voilà un homme, levend in bewust gekozen armoedige omstandigheden. Een cynicus, met zijn katten & honden en een leunstoel tevreden.
Zijn dierenliefde was grenzeloos. Toen hij hoorde dat een man met een geweer achter een kat had aangezeten en per ongeluk zijn kind van anderhalf had doodgeschoten, schreef Paul hem een felicitatiebrief. “Ik ben verrukt, ik ben in alle staten, ik vind dit perfect.”In zijn dagboek noteerde hij: ‘Ik meen absoluut wat ik heb geschreven. En dat dode kindje dan? Geen groot verlies. Had waarschijnlijk toch precies dezelfde moraal als de vader.’
Hij woonde de langste tijd, ik geloof vanaf 1911 of 12, in Fontenay-aux-Roses (Rue Guérard 24), een voorstadje ten zuidwesten van Parijs.
[Paul Léautaud 1872-1956. Een prachtige serie dagboeken in de reeks Privé-Domein, (het grootste juweel van) De Arbeiderspers. Zie voorts: Marie Dormoy, Het geheime leven van Paul Léautaud. Zeer lezenswaardig is ook de biografische schets van PL als ‘eeuwige burger van Parijs’ door Mels de Jong, Paul L. in Parijs, Uitg. Aspekt, 2004.]