Pagina's

maandag, december 31, 2007




Soms is er het verlangen naar een nieuwe wereld


Over de verspreiding van ziekte en ellende, daar gaat God niet over, anders zou er geen liefde, goedheid en barmhartigheid kunnen zijn.
En waar die er wel zijn, daar gaat God evenmin over, anders zouden we rechtvaardigheid en de menselijke waardigheid niet kennen.
En zou God over de goedheid gaan, dan zou die te vinden zijn waar die het hardst nodig is: bij de onderdrukten in Zimbabwe, bij de mensen in Darfur, bij de mensen die het recht op een bestaan wordt ontzegd, zoals de Koerden, de Palestijnen, de Christenen in Turkije, Syrië, Somalië en andere Islamitische landen. Enzovoorts.
Wanneer God zou gaan over slechtheid en rampen, zou Hij niet van de liefde kunnen zijn. Hij heeft de mensen alles geschonken om te kunnen leven naar Zijn beeld.
Wie of wat is er meester over de wereld? De eenvoud? De ontroering? Het idealisme? De elitetroepen? De honger naar macht en geld? (We herinneren ons het gouden kalf. Hoe groot is het kalf intussen niet geworden?!) Het zijn de mensen die heersen en overheersen, die koppen indrukken en negeren. Het zijn mensen die oog hebben voor tekorten en noden en mensen die weerstand bieden en een menslievend voorbeeld stellen, het zijn idealisten, spirituele en inspirerende mensen die zich betrokken voelen bij de samenleving en die zich met het lijden van anderen weten te verbinden.
[En dan is er nog de schoonheid van het landschap en al wat uit mensen’s handen komt en tot de verbeelding spreekt.]
Soms verlangen we naar een nieuwe wereld, voorbij de onderdrukking, het geweld, de vernedering, voorbij de corruptie en misleiding en alle andere gebrokenheid. Maar er is geen andere wereld, met deze moeten we het doen.
De Ark van Noach. Ik heb de boeken niet bij de hand, ik kan niet zien wat er staat*, dus de oorspronkelijke ark laat ik onbesproken, we zouden ons er ook geen raad mee weten. De ark is een majesteitelijk, krachtig symbool van een menselijk verlangen, diep geworteld zoals een vlam die graaft naar de bronnen van zijn vuur. Het is een menselijk verlangen, dat gebaseerd is op de hoop dat we onze crises weten te overwinnen en dat het telkens weer anders kan worden dan het is. De ark is het verbouwde uitzicht naar nieuwe mogelijkheden in onszelf want alleen wij gaan daar over, niet God.
Elk pad is goed als het er maar een is met een hart.


[©MN, Korte gedachten bij nieuwjaar 2008. (Deze overdenking is geen tegenspraak naar Vrijdenkers, maar in mijn vrijdenkerij ben ik met mijn eeuwig heilige Benedictus een gelovig mens.) * ”Niet zien wat er staat“.: ik kan niet focussen en dus zeer moeizaam lezen. De ark is gebouwd door Johan Huibers uit Broek op Langedijk. De foto is van Mariska Hofman]
geplaatst door Erna

maandag, december 24, 2007


Engelengeduld
Patience is the name of the game

Dat vinden we een schone zaak, maar hebben we er ook tijd voor? Bewaar je geduld, je kalmte – het wijst, in de verte misschien, naar de deugd van nederigheid. Met dit begrip hebben veel mensen intuïtief moeite hoewel ze zeker niet over zich gezegd willen horen “altijd haantje de voorste te willen zijn”. Hoe we er ook over denken of er in wezen niet van houden, steeds weer worden we beproefd: nog niet te willen wat mogelijk binnen bereik ligt en dan zien we dat de weg ernaartoe veel belangrijker is. (Ik hoor ’t, “allemaal mooi hoor, maar ik hoop dat we een beetje voortmaken”.) De variatie gezegdes is rijk geloof ik, ‘kalmte zal u belonen’. Geduld wijst naar kalmte, naar langzaamheid, soms zo traag als een slak. Het is de kunst langzaam aan te doen. Geduld brengt misschien wel geluk en geluk brengt feestelijkheid, dankbaarheid, blijmoedigheid, warmte en misschien ook tederheid. Wat kan ik ieder meer en beter wensen dan dit? Van harte en uit diep gelegen genegenheid veel engelengeduld, nu en in 2008.

[© MN, korte gedachten bij kerst 2007. Afbeelding, detail op mijn kamer: “De engel” gekleed, later in goud gekaderd, door de fotograaf HansChristiaan Peters, 2004 gefotografeerd door Enno Nuy, geplaatst door Erna]

zaterdag, december 22, 2007




“Ach, veel intelligenter dan ik ben, zal ik niet worden”

De dichter loopt zich helemaal suf, en
’t is dat het therapie heet, anders
ga je toch niet op je billen de trap af?

Binnenkort is er een hellingproef, ‘t fijne
weet ik er niet van, maar als ik tegenwerk,
word ik er van afgekieperd;

Wat sneuvelt er gaandeweg toch veel
de taal is ook niet meer wat het was.
Hier is toch niets poëtisch aan?

[© MN in “Kreupele gedichten”
foto: Enno Nuy
geplaatst door Erna]

maandag, december 17, 2007




Oases zijn er ook: dat zijn mensen

Over waar ik ben, moet ik zwijgen
en toch brandt het van mijn lippen.

De gezichten van vroeger waren ongetwijfeld
erger, maar de instanties van tegenwoordig

zijn rampen van regels. Koud
en ongenadig, maar er is een zonzijde.

Er is aanmoediging en verwarmde toewijding,
die breken mijn innerlijk verzet en verlichten ’t pad.

©MN, in “Willen leren is net als zaaigoed”
[Foto op mijn kamer van Enno, geplaatst door Erna]

donderdag, december 06, 2007





Er is niets dat mij niét geschonken is

Van hier tot aan het einde
waarvan niemand weet wanneer
dat er ooit zal zijn.

Als ik had moeten sterven, was dat acht seizoenen eerder
al gebeurd. Hoeveel later het nu wordt, weet ik niet.
Het gebeurt als het tijd is.

De dichter kleedt zich in al jullie bonte bemoediging,
Heb daarom geen bekommernis om mij. Ik voeg me
naar een nieuw pad
en het is er een met een hart.

© MN, in “Kreupele gedichten”

Afbeelding: Kartini

De dichter verblijft vanaf 6 december in revalidatiecentrum
Groot Klimmendaal, kliniek 3 groep 10
Heijenoordseweg 5 te Arnhem

maandag, december 03, 2007


De stem van de stilte
De eerste, een weelde voor mijn hart

Al dagen zoek ik
In mijn verleden naar je stem
Maar eerst rook ik de wang van je moeder, geurend als kruid,
En daarna zag ik de handpalm van je vader zacht glanzend als rood fluweel.

Warme herinneringen zijn dat,
En toen plots zag ik je in
Heel persoonlijke landschappen
Je stem, zo zacht en werkelijk als van moeders.

Waarom je zo vroeg en abrupt stierf
Ik vroeg het aan Benedictus, maar
“er is niemand die daarover gaat”, zei hij.
Ik doe het met de stem van de stilte die mij voedt zolang ik leef.



Marius Nuy, in memoriam mijn moeder Mimi, 13 mei 1923- 3 december 1972

Afbeelding: aquarelle painting van Václav Mach-Kolácvny,
In Space of Silence
Geplaatst door Erna

vrijdag, november 30, 2007


Een dichter schrijft geen triomfen

Ergens zie ik me nog wel
hoog op een heuvel staan, maar
vooral weg,
“far away”, zingt Nick Lowe.


Misschien moet ik onder ogen zien
Dat ik aan de verliezende kant ben
Mijn akkers zijn niet ruim meer.

Marius Nuy in “De wind waait de tijd als zandkorrels weg", 28 november.
Afbeelding: Claude Monet, "And weary and worn are our sad Souls"
Weeping Willow
Geplaatst door Erna

vrijdag, november 23, 2007


Levenszin is onpeilbaar

Aanvankelijk had ik een misschien wel fraai theaterstuk in gedachten over de MRI alsof ik aan boord zou gaan van het schip dat mij stampend door de golven terug zou brengen naar het eiland.
Het ziekenhuis heeft mij echter te stevig in de greep. Een regie die mij helemaal niet bevalt maar omwille van de toekomst toch maar aan overgeef.
Het zal tijd vergen want het is alsof ik fysiek(!) van alles opnieuw moet leren.
Er is gelukkig geen tumorgroei, maar wel veel ander ongemak.
Ik mis de bekoringen van het leven, onze dagelijkse wederzijdse bezoekjes en de aanmoedigingen die we allemaal van tijd tot tijd zo nodig hebben.
Hier in dit stille bed zie ik jullie, de verhalen die ik niet ken en het verlangen dat er altijd blijft, net als de volle maan;) ) van hier, waar alles wordt gepeild………………………………………
De meest hartelijke groet in een reikhalzend weerzien. Als het tijd is, spreken we verder.
Jullie Marius
[Zen painting van E. Snellen van Vollenhoven: The spirit of Silence]

zaterdag, november 17, 2007


Lof van de vriendschap



Precies op de lijn van twee zintuigen

verdreef de adem van vriendschap alle pijn

uit mijn hoofd. Het voorgelezen woord

klonk als een helend hoorspel.



Precies op het goede ogenblik: zodat

mijn handen niet naar 't ondraaglijke

hoofd zouden grijpen en de MRI werd verpest,

jullie liefde heeft me gered.



Kijk, dat is nou mijn wonder van ontroering

wie kaatst, kan de bal verwachten,

juist als 't gaat om warmte.



[MN, bedacht tijdens het absurdistisch

theaterstuk van de MRI-scan op 16 november 2007.

Twee zintuigen: gehoor naar ogen.

Afbeelding: "bhagavata.org/images/krishna/naradablij.jpg']

(Geplaatst naar de uitgeschreven tekst van Marius door Chrisje)

vrijdag, november 16, 2007

De broer van Marius, Enno, en ik hebben bedacht dat het een goed idee is om eventuele post voor Marius via hem te laten gaan en wel naar zijn zakelijk adres. Dat is Optimum, Delta 54, 6825 MS Arnhem. T.a.v. EGJ Nuy. Zogauw Marius er aan toe is kunnen we hem dit overhandigen...
Overigens is er geen verdere ontwikkeling te melden, vanmiddag wel een erg belangrijke MRI scan.

Met welgemeende groet en dank voor de vele reacties, ze gaan weer mee vanmiddag!
Chrisje

donderdag, november 15, 2007

Voor allen die wachten op nieuws over de toestand van Marius: er is nauwelijks verandering te melden.
Hij wil nog geen post; ook geen telefoon naast z'n bed.

Maar veel dank voor jullie meelevende hartelijkheid... ik zal de reacties printen en voor hem meenemen, dat doet hem vast goed!

Met warme groet, ook namens Marius, Chrisje

woensdag, november 14, 2007

Marius heeft een beroerte gehad.
De komende 24 uur zijn erg spannend.
Zo gauw zijn toestand verbetert zal ik zijn adres geven.
Bezoek is alleen toegestaan voor de familie...

dinsdag, november 13, 2007

De dichter ligt wegens algehele malaise (aldus zijn eigen woorden) in het ziekenhuis...
Duim of bid svp voor hem...

Met een groet voor al zijn lezers,

namens hem,

zijn vrouw

maandag, november 12, 2007

Laat ons eigen verleden toch spreken

Is niet elk woord nog teveel en rest ons de tranen van
het ogenblik, de tranen om gerechtigheid en géén innerlijke
vergrimming meer? Laten we het toch niet duiden als sentiment,

maar als morele aanraking van verantwoordelijkheid
voor de verschrikking van de nacht, de moordende steek in de middag,
de pest die waart in het donker van de mensheid – wat zei men niet

zestig jaar geleden? Wir haben es nicht gewusst. Zoeken wij
onder die vleugels onze toevlucht, - er kan toch geen huiver zijn
voor opkomende toorn en te tekenen met het bloed van solidariteit?

[© MN, in Darfur, mijn spiegel. Teken de petitie van rechtvaardigheid bij Amnesty.
Méér dan een aanmoediging kan het niet zijn! Photo bij Amnesty International.]

zaterdag, november 10, 2007


Het gave gebaar van een offer

Christus is tegelijk mooi en geschonden,
hier vlakbij in het voortdurende gebed, zo
groeit in de monnik de memoria Dei*.

Hoe doen zij dat? Zij strijden voor een sfeer
van aandacht voor God en soms zeggen zij
het vanbuiten geleerde zachtjes voor zichzelf op.

En dan hóór ik hen bidden, gevolgd
door een langdurig Gregoriaans gezang, tot
mijn oren er van tuiten. Zo luidt hun offer.

[© MN, *met je hart bij God zijn. Jesus Christ on the island. Iemand schrijft: is 'tot horen en zien vergaan' niet indringender? Dan komen we dichter bij onszelf. Misschien is dat waar. Alles is zoals het zich toont - of: zoals het tevoorschijn mag komen. ]

donderdag, november 08, 2007

Klein geluk in de Oosterkim

Ik ben een dichter die stil en
met de maan in de hand, zittend voor het raam
dat ook een spiegel is, mijmert over het kasteel

waarin ik luisterend woon. Daarginder
staat een paard. Kan een dier gelukkig zijn?
In een koude waterzon ben ik er langs gelopen

vanmiddag. Hij keek me slechts ’n seconde aan
en zweeg. Ik vergat de vraag en het paard,
het paard vergat wat hij zeggen wilde.

De stilheid is een vrijheid, maar het is niet zo
dat alle vragen in mij een kolfje naar mijn hand zijn,
sommige steken als een graat in mijn keel.

[© MN, in “De man en zijn ziel”. Painting by Duy Huynh, “Starry messenger”.]

dinsdag, november 06, 2007

De mens als boek
Steeds heet het: ‘Wie biedt ons uitzicht?’

Toen ik de lange kasteellaan opreed, met aan weerszijden de reusachtige beukenbomen met het gouden en rode en bruine blad als een oker gewelf over het eeuwenoude pad want het bos was nog niet ontkleed, zag ik in de verte een zwijgend kasteel, als een klein geluk. Ik zou gaan wonen op een zolderkamer waar ik ook al eerder verbleef, de Oosterkim, en vooral ’s avonds naar de Sint Willibrordsabdij gaan voor de dagsluiting, de Complete. Er was een vage gedachte ook eens werkelijk door de stilte gewekt te worden en naar de Mette te gaan om kwart over zes, maar mijn dageraad ving aan om half acht en al wat ik door het zolderraam zag, was een luchtige mist boven de velden en een koe die nog slaperig het eerste gras hapte. En ik meende zeker twee boeken te lezen, het ene waarin ik al halverwege was, Datumloze dagen van Jeroen Brouwers, en het andere van Antal Szerb, Reis naar het maanlicht, maar beide bleven onaangeraakt op de stapel paperassen. Iedereen heeft dezelfde tijd, maar voor mij was de tijd toch weer anders, wel geheel vervuld naar wens. Er bleek geen boek te lezen, wel veel mensen met verhalen die ik herkende of nimmer had gehoord, die me verrasten en lieten lezen dat het geluk zelden spoorloos is of die bij me binnendrongen omdat het lijden en soms ook de slechtheid van mensen vaak niet is te doorgronden. Ik ‘las’ over veiligheid, wederkerigheid, warmte en mededogen, over verlorenheid en heelheid, maar evengoed over hele alledaagse geschiedenissen.

Kasteel Slangenburg in Doetinchem dateert uit de 17e eeuw, heeft twee robuuste torens en rondom een brede slotgracht. Op de enige dag dat het regende, zag ik roerdompeenden roerloos met hun koppie in de veren op een bed van bijeengedreven, verouderend lelieblad. Het is hier zoals kastelen horen te zijn, een kasteel met krakende trappen en vloeren, kamers met metershoge muren die gedecoreerd zijn met oude muziekinstrumenten, met mollige engelen of, als je even omhoog kijkt dat me op afstand wel lukte, met een jongeman die op een trompet blaast in het oor van een andere schaars geklede man en met allerlei andere taferelen.
Het is een inspirerende en weldadige omgeving die even een beetje van jezelf wordt en die je deelt met ongeveer vijfentwintig andere gasten, een eiland in de wereld waarop je als het ware gediend wordt door de gastvrijheid. Ik houd van de rust en de stilte, mijn eigen stilte in de onrust van de wereld. Ik sta er middenin, precies zoals vele anderen, en verbind me met de mensen die er zijn, in het luisteren en in liefde en lijden. Nu ik zo vlak na thuiskomst een korte impressie schets, kan ik eigenlijk niet anders zeggen, dan dat je op Slangenburg mét elkaar de nieuwsgierigheid viert, de aandacht, het verlangen, de ontroering en de uitbundigheid. Ieder komt er voor zichzelf en er is niets dat moet en tegelijkertijd weet ieder veel van zichzelf te geven, juist dáár omdat het zo belangeloos kan gebeuren – en wéér is gebleken dat geluk onnastreefbaar is, onpeilbaar en een complexe, puur menselijke aangelegenheid. En een ogenblik dacht ik, kunnen we niet beter ophouden met denken, maar had ik geen gedachten dan vond ik niet de taal dit te schrijven.
[Eerder schreef ik over Slangenburg op 10, 16 en 29 november 2006 en op 12 maart 2007. 'Wie biedt ons uitzicht' is een regel uit psalm 4, gezongen bij de dagafsluiting. Afbeelding: Achterzijde kasteel Slangenburg Doetinchem.]

vrijdag, oktober 26, 2007

Bemoedig de barmhartigheid

We vormen een kring van mensen
zoals we zijn, mensen van passies, falen en
twijfels, maar ik kan niet in woorden gieten

wie we zijn. Maar hebben we niet gemeen
dat we allemaal door een woestijn gaan en onze
eigen oases vinden?

Ik leerde uit een verhaal over Judas, dat we zo
gemakkelijk de ander de schuld geven. Betekent dit,
dat ik die eerst eigenlijk zelf had?

Het gewicht te weten wie wij zijn, ja warempel,
dat is toch groter dan te wijzen naar de ander
want ‘ik heb het nooit gedaan’.

[© MN, in ‘Jaag je niet van jezelf weg’, het deel “Exodus”. Afbeelding: “The messenger” by Robert Schoeller.
Ik ben overigens nu wel tot 6 november naar kasteel Slangenburg.]

woensdag, oktober 24, 2007

Menselijk, maar al te menselijk

Hier staan we, samen in hetzelfde beeld,
het zijn de dichter en de struisvogel die er
als een haas vandoor gaan.

De vluchteling zal vast niet ver komen. Maar nee,
hij vertoont geen kunstje, het enige dat hij bedacht,
is dat onwetendheid wel eens fijn kon zijn,

en zie toch die gespierde poten, die verende vacht,
soms is het een lust voor de gedachte, de blik
op oneindig, een idee dat me niet eens verveelt.

Zodra ik weer bij kennis kom, weet ik dat
het bestaan me lief is, laat ik er maar geduldig in
schrapen, dan keert de tederheid vast weer terug.


[© MN, in ‘Beeld van binnen, beeld van buiten’. Vat het niet op als teken van zwaarmoedigheid; we hebben soms niet op alle vragen antwoord bij de hand. Ik heb nog de tijd. ‘Volgende keer beter”, denk ik maar. “Escape of an artist” by Duy Huynh.]

maandag, oktober 22, 2007

Het broze wezen en de dienaar
“Die Zeit ist mein Besitz, mein Acker ist die Zeit”

Het kost heel wat kruim een dichter
en mezelf te zijn, maar is dat niet
juist al wat de moeite waard is?

Laat mij maar ploeteren, van vroeg
tot laat want vastzitten aan gewoonten
slijt, discipline niet, zo verzet ik mijn wegen.

Ik ben een dichter zonder lawaai, een zachte man
die sober is. Ja, ik ben allergisch voor een morsig
leven en zoek de moed om te dienen.

Een mens die mogelijk rijker is aan taal dan aan liefde,
maar mijn ziel noch eiland is een vreugdeloos
gevang. Ik ga er nog niet vandaan.


[© MN, in Met gespitste oren luisteren, in het deel ‘Zijn mijn leven en geluk nog wel gaaf?’,
met een wijsheid van Goethe. Afbeelding: “Tristan” van Stephane Fugier.]

zaterdag, oktober 20, 2007

IM Jan Wolkers

Een generatie ouder, maar natuurlijk de schrijver van mijn tijd. De rebel van Rottumerplaat*, de zachtmoedige van het eiland. De openhartige man, de hartstochtelijke en gulle man is 19 oktober 2007 in zijn slaap overleden, oud en broos naast zijn vrouw Karina. 81 Jaar. In het diepst van zijn ziel een schilder en beeldhouwer, schrijver en dichter.
De kruidenierszoon uit Oegstgeest, geboren 26 oktober 1925, werd beeldend kunstenaar en ging, zoals Maarten ’t Hart zei, “als een wervelwind door de literatuur”, met zijn ‘Kort Amerikaans’, (1962), ‘Een roos van vlees’ (1963) en ‘Turks fruit’(1969). Maar zo ging hij ook door het leven, hij is mede de schepper geweest van een nieuwe moraal. Met zijn openheid, zijn tomeloze energie, dwarsigheid en lef stootte hij door alle muren van opvattingen. En tegelijk was daar de liefde, zijn uit tallozen te herkennen stem, zijn ontzag voor het verleden en zijn immense respect voor de natuur die tekenend waren voor de zachtmoedigheid, voor de man die het verstond van zijn leven een kunst te maken. Een vriendin schreef me: “Ik dacht altijd, hem hebben we tot in de eeuwigheid. Dat is ook zo, maar anders nu.” Een dijk van een man, wiens lichaam slonk zoals eens bij ons tot een laatste soms onhoorbare zucht, een man die een spoor van liefde achter zich laat, een spoor dat over een eeuw nog niet is uitgewist en graag gelezen wordt. Zo gaat dat met les résonances de l'amour.
[* Denk aan de legendarische radioreportages in juli 1971 toen Jan Wolkers en Godfried Bomans achtereenvolgens een week op het onbewoonde eiland vertoefden. Voor Jan was het een triomftocht, maar voor de geestrijke Godfried een drama.
Collage van rechts naar links: Foto van Monique Baan: Jan Wolkers op Texel, vervolgens een foto van Steye Raviez, een omslagfoto voor zijn ‘Dagboek 1974’ en het boek ‘Terug naar Oegstgeest’, het boek dat voortkwam uit de dood van zijn broer in 1944.]

vrijdag, oktober 19, 2007

De dichter als strandjutter

Dagenlang worstel ik met het beeld
van de strandjutter alsof ik op geen ander
kan komen. Het is niet slechts van dit eiland,

maar van de twijfel die ieder kent. Ik stel vragen,
sprokkel halve antwoorden en weeg elk ervan in stilte,
zie wat waar is voor de tijd dat ik leven mag.

De strandjutter neemt zelfs op ‘t oog het onaanzienlijke
en daarin is hij gelijk een dichter die later wel weegt
welke waarden hem binden of breken.

Hoe ook de onvolmaaktheid ons eigen blijft, ik moet
wel mijn meester zijn want als ik daarin verzaak,
word ik de knecht van onechtheid.

[© MN, in Tot je een ons weegt, Afbeelding: painting “Wisdom” by Charmine.]

woensdag, oktober 17, 2007

Hoop, geloof en liefde, daar moeten we het van hebben

Bij vrijwel elk bezoek is zij er ook, een vrouw van gezet postuur met een eigenwijze maar alleraardigste uitstraling, het is alsof ze leest, is soms druk met allerlei formulieren en tal van kortingsbonnen. Ze is alleenstaand, heeft een kleine WAO-uitkering en gaat vaker naar Dudok dan ik. Ze drinkt één koffie verkeerd met honing en een glaasje water. Ze eet heimelijk haar meegebrachte boterham.
Het bleef altijd bij een vriendelijke groet, maar dit keer zocht ze contact. Nee, dat deed ze telkens, maar onhoorbaar, nu kwam voorzichtig het luide woord. Het was half acht en ik las juist in HP/De Tijd een kwade brief van Van der Heijden aan Arnon Grunberg omdat die het proza van A.F.Th. niet te pruimen vindt en zij beiden voor dezelfde prijs zijn genomineerd. Prompt komt laatstgenoemde met enkele duidelijke inconsistenties in de roman Tirza. “Wat is het vroeg donker.” Het was alsof ze even hardop een gedachte kwijtraakte, zo luidde haar stem. “Over een paar weken gaat de wintertijd in en dan gaan we gaan langzaam naar vijf uur, half zes”, zei ik. Wat een pessimistische boodschap, maar goed, na enig gekeuvel hierover vertelde ze te leven met het verre vooruitzicht naar het paradijs. “We komen steeds weer terug, tot we allemaal volkomen zijn, gered van alle tekorten. Daar zie ik naar uit. Je keert terug in en met jezelf, en je herkent ook je stem, dat is het mooie.”
“Is met het leven van nu niet te leven dan?”
“Nee, als ik dit geloof op het oneindig goede niet had, zou ik niet willen leven. Maar wat ook zo mooi is hè, nu zie je allemaal overlijdensadvertenties, dán niet meer. Dan staat er: ‘Opstanding’. Já”, zei ze en keek me doordringend aan. “We zijn hier om te leren, net zo lang tot we ‘er zijn’.” Ik keek haar aan en lachte haar toe.
“Wat herinnert u zich van vorige levens?”
“Niets. Dat is nu juist het mystieke. Móói toch!”
Daar kan ik niet omheen, maar waag het toch. “Merkwaardig. Hoe weet je dan welke les je nog niet snapte? En leren we niet allemaal in een zéér verschillend tempo, zullen we wel ooit tegelijk aankomen?”
Ze haalt haar schouders op. “Maar er kómt een paradijs! Daar wacht ik op.”
(Is dit nu de uitzichtloosheid van het huidige leven? De teleurstelling en tegelijk de hoop? De overbodigheid? Ik weet het niet. Ze heeft in elk geval een manier gevonden haar leven te leven.) Ik zei wat ik al een minuut of acht eerder had opgemerkt, dat ik nu echt naar huis wilde en moest gaan afrekenen.
“Dank voor uw aandacht. Dat maak je niet vaak mee hoor. Men vindt het klare onzin wat ik vertel.”
“Hoe kan ik weten of de toekomst ons onzin brengt? Een fijn weekend mevrouw.”
[Fresco “The last judgement” by Nardo di Cione, ca. 1350.]

maandag, oktober 15, 2007

15 oktober Milieudag
World Blog Action Day

Dit beeld, Gaia, is zowel een prachtige figuurstudie als een krachtig sociaal commentaar. Gaia is in de Griekse mythologie de godin van de aarde.
Gaia werd altijd afgebeeld als een mollige vrouw, vaak oprijzend uit de grond en op die wijze verbonden met de natuur. Ian Norbury koos er echter voor om haar in een waandood uit te beelden maar ook oersterk zoals moeders zijn, achterover over een zwart gemaakte aarde als signaal over onze oneerbiedige en vaak hypocriete, zelfs vernietigende houding ten opzichte van de wereld waar wij wonen.


We hebben een toenemende honger naar energie, maar het wordt steeds duidelijker dat we via de achterdeur de wereld vervuilen. Kan dat leiden tot een schoon geweten?
“’Groen’ is goed, dat verbetert de wereld”, wordt er gezegd, maar geld moet geld opleveren en de kwartaalcijfers zijn nog immer van immens belang. We leven op de wals van het groeicijfer. (En pixels, steeds meer pixels.) Zou het een gewetenszaak zijn? Dat ‘groen’? Ander voorbeeld: precies een week geleden vertelde iemand, werkzaam bij een grote textielonderneming, over een staaltje van misleiding. “De Dolle Dwaze dagen van de Bijenkorf? Wij leveren een grote partij overhemden, dezelfde als anders, kant-en-klaar met de sticker erop: ‘van zoveel … vóór zoveel’.” ’s Anderendaags lees ik in de krant dat die dagen voor relatief het grootste deel van de omzet zorgen.
We verlangen ernaar te houden wat we hebben, liefst wat meer erbij. Groeien we ook in welzijn? Zit de werkelijke schaarste juist niet in de dingen die we niét kunnen kopen?
De bronnen zijn talrijk en tegenstrijdig. Velen denken dat het de eigen kruimel niet waard is. Het moment van het besef dat het allemaal maar een verhaaltje is, wordt denk ik zo lang mogelijk uitgesteld.
[Sculpture by Ian Norbury.]

zaterdag, oktober 13, 2007

Een vliegwiel van geluk en lijden

Soms zijn we eenzaam in ons verdriet,
in onze fouten en verlangens
is het lastig wonen.

Soms lezen we enkele zinnen en
herkennen plots ons leven
als uit een diepe put gewonnen.

Het leven is bij tijd en wijle mooi,
maar als huilen en troost ons kan
bevrijden, is weer wat lijden voorbij.

[© MN, in ‘Troostvolle brieven’. (Wat speelt er niet in ons o zo kwetsbare brein.)
Afbeelding “Sleep well” by Mihai82000.]

donderdag, oktober 11, 2007

Is ons leven een zelfgekozen gevangenschap?

Zie voor mijn raam een zorgvuldig geweven web met achttien spaken, gespannen met zes draden in een kozijn van 60 x 80. Het web, 40 x 55, is al meer dan tien dagen oud, de kleverige draden als sporen van begeerte, dunner dan het dunste garen, trillen in de zachte ochtendwind en er vallen gaten in. Het is een verlaten huis geworden, in korte tijd een versleten doek, zelfs geen gevangenis voor vliegjes. De kruisspin, die ik meermalen van noord naar zuid zag gaan, is verdwenen. Ik zie dat hij in de vrije hoek van het raam nog even geprobeerd heeft opnieuw te beginnen, een veel fijnmaziger wielweb, maar na tien rondjes hield hij het voor het gezien.
Is ons leven niet ook een zacht wiegend web, sterk en kwetsbaar, een weefsel waarin wij wonen? Beven we niet ook soms als een haas in een strik? Is het soms ook niet een onontwarbare knoop waaruit we ons nauwelijks kunnen bevrijden? Worden onze gedachten niet vaak overweldigd door twijfels, vermoedens en felle hartstochten? Hoeveel onkruid als haat of ongenoegen en hebzucht hebben we niet te wieden? En zo gaan we van geboorte naar ouderdom.
[Afbeelding: “Fairy on a spider’s web” by Arthur Rackham.]

woensdag, oktober 10, 2007


William Soutar, Het dagboek van een stervende
Vaak scheert een gedachte eerst een poosje als een mot rond

Veel liever had ik gezien, dat dit boek gebracht was met de titel Het brood van de ervaring want dat komt heel wat dichter bij de realiteit van dit proza dan de gekozen titel die eerder afschrikt dan aantrekt -, of: De dichter en ik, beiden naast de hoofdweg van het leven (te lang), beter nog De greep op dode jaren. Het zijn titels die intrigeren, zeker als het een dagboek is. Het zijn dagboekbladen uit de jaren 1930 – 1943. Ten onrechte wordt een sterfbed gesuggereerd van zo lange tijd, terwijl dat pas het geval wordt van eind 1942, tot het net zich rond de innemende, eigenzinnige dichter sluit en hij in oktober 1943 sterft. (Ook al bedacht hij al in augustus 1932 een bepaald tragisch grafschrift: ‘Hier ligt een man die niet kon beminnen’, - maar dat sloeg in feite vooral op zijn karakter, niét op zijn fysieke conditie of mogelijkheden.) Meestal was hij een blozende strijder. Bovendien, pas een dag na zijn ‘doodvonnis’, toen zijn huisarts in juli 1943 tuberculose constateerde, begon hij aan The diary of a dying man.
Ik kocht het boek op 21 mei (zie weblog) en in juni schreef ik er nogmaals kort en terloops over. Maar het thema ‘tegenwoordigheid’ van Pascal Mercier deed me plots denken aan een zin van Soutar uit maart 1936. “Wanneer je bedenkt hoe kort ons verblijf op deze aarde is en hoe betrekkelijk saai en betekenisloos ons leven verloopt, verbaast het je hoe bekrompen en weinig geïnspireerd we met elkaar omgaan.” Ik pakte het boek uit een van de stapels hier op tafel. De zin klopt, en hij voegt er nog dit aan toe: “Wij komen bij elkaar, praten over algemeenheden en draaien de lappenmand met clichés keer op keer om. Alles wat voor bespreking in aanmerking komt kennen we van buiten.”
Als gevolg van een wervelontsteking een bedlegerige man, een man van kwatrijnen, een eenzelvige man maar wel een met humor, een man met ogenschijnlijk conservatieve opvattingen over de zinnelijkheid (maar hij bewonderde het werk van D.H. Lawrence, zijn grote literaire voorbeeld) en dit boek is vooral de selectie van Alexander Scott, gemaakt in 1954. Trouwens, nu ik opnieuw in het boek lees, treft mij in de inleiding de zin van Harry Oltheten, de vertaler: “Op 14 mei had hij in zijn Journal geschreven: ‘To accept life is to give it beauty’.” De uitgever – Vorroux, bracht het in een prachtige uitgave – had er veel beter aan gedaan een nieuwe selectie te laten maken want Scott bleef met zijn keuze te sterk in de moraal van de tijd.
William Soutar wordt uitmuntend verzorgd, krijgt veel bezoek. Veel geklets. “Ik zou wel eens willen uitrekenen hoeveel jaren van iemands leven worden besteed aan het laten wapperen van de tong.” Zelfmedelijden kent hij niet – ‘en laat me nooit uit zijn op medelijden’ - , hij is kritisch, strooit droge humor en is scherp in zijn observaties. Hij schrijft en leest en andersom, voorgoed gestationeerd op een soort eiland, vaak in een beperkte kring van doodsaaie respectabele geesten, op een enkele vriend na en van een of twee vrouwen die wars zijn van het gebruikelijke geroddel. Hij voelt zich vaak in beter gezelschap als zijn bezoekers weer vertrokken zijn. Soutar is een meester van de korte typeringen, een meester in soms grillige humor, maar het was ook afzien want elke seksuele impuls had wel iets avontuurlijks maar bleef slechts wonen in de verbeelding. En die was rijk. Dan besteeg hij Pegasus – het paard in de Griekse mythologie – waarmee hij als dichter de werkelijkheid ontvluchtte, maar daarover staat vrijwel niets in dit boek. Wel dat hij gezegend was met een volbloedige viriliteit, helaas in een immobiel lichaam.
Evenmin komen we veel te weten over de aard van zijn ouders. Ze waren zorgzaam, en zijn vader liet William’s kamer flink uitbouwen, met een extreem groot raam, ‘a room with a view’. “Hoe dan ook”, schrijft hij, “ons gezinsleven is altijd heel aangenaam geweest, geschraagd als het werd door de stille aanvaarding van onze onderlinge afhankelijkheid. Demonstratieve liefkozingen kwamen bij ons niet voor.” Een ingetogen familie.
William Soutar, een intellectueel, kritisch over zijn tijd van sociale chaos en materialisme, een man van het woord, van de nadenkendheid, van symbolen die het bewustzijn beroeren, een dichter die iets van een kind heeft behouden en vragen stelt. Soms dezelfde als in de romans van Mercier. “Wat zou er gebeuren als we onze geheime gedachten en woorden zouden opbiechten?” Hij las alle poëzie van zijn tijd en zijn eigen werk werd goed ontvangen. Poëzie is een kwestie van beleving, dat vond hij, en pas dan ben je een goede dichter.
Ik besluit dit klassieke meesterwerk in de dagboekliteratuur met een passage die hij negen dagen voor zijn dood schreef. “Wat schijn ik in een slakkentempo te leven, terwijl mijn tijd toch in een rap tempo opraakt. Ik geloof dat geen van mijn vrienden nog vermoedt dat ik ten dode opgeschreven ben en het zou mij goed uitkomen als zij nog een behoorlijke tijd zouden denken dat ik een aanval van bronchitis heb of iets dergelijks. Wanneer zij er uiteindelijk toch achterkomen, zal er in een eerst open vriendschap een ondefinieerbare terughoudendheid sluipen.” (WS, 1898 – 1943.)
[William Soutar, Dagboek van een stervende, Uitgeverij Vorroux. Afbeelding: “Pegasus” van Karl Heinz Metzger. Ik schreef het eerst met de vulpen, weldadig om te doen, maar het wordt al gauw te lang, zo blijkt: 900 woorden, 400 teveel. Mijn excuus.]

maandag, oktober 08, 2007

Klik voor de leesbaarheid

zondag, oktober 07, 2007

Natuur. Een zelfportret

De zon schijnt door het transparante
kersenboomblad, verderop in het land zien
we plots de wereld van onze kindertijd,

de paddenstoelen, altijd dicht bijeen en
beschut door het warme groene schors. Er is geen
mensenhand aan te pas gekomen,

het is alleen hoe de aarde in zichzelf
voorziet, maar het blijft een oase
van verwondering en verhalen.

[© MN, in “Bladeren in een middag”. Foto van Chrisje.]

vrijdag, oktober 05, 2007

Willen zien wat aandacht verdient
‘Neig het oor van uw hart’, zegt Benedictus


Het luide gedruis in alledaags leven,
in de afrekencultuur, is een bron van laksheid,
grofheid en verspilling. De vermaledijde gejaagdheid
voert tot cascades van kwaad en innerlijk geweld.

Waar is de stilte, het rustige geduld, waar is
de eerbied, is het met alle ambities verdreven
naar het isolement? Van alles is de gedaante tijdelijk,
we kunnen nog morgen beginnen.

De dichter voedt zijn verlangen, hij tracht
zich te verbinden met anderen in het besef van velerlei
beperking. Zijn lichaam gelijk een ruïne, geconserveerd
met schroeven, maar zieltogend, neen, dat is hij lang niet.

[© MN in ‘Met gespitste oren luisteren’, mede geïnspireerd

door Wil Derkse, auteur van ‘Gezegend leven’.
Afbeelding als ‘tegenbeeld’: “A silence like intimacy” by Jackie Morris.]

woensdag, oktober 03, 2007

Pascal Mercier, een schrijver, en ook nog de filosoof die hem hielp
Twee meesterwerken, met meer in aantocht

Voordat ik een paar regels schrijf, breng ik hulde aan de vertaalster, Gerda Meijerink. Het is buitengewoon knap hoe ze als het ware in de meesterhand van Mercier is kunnen blijven, zo subliem, minutieus, ademloos, is het vertaald. En alléén maar om hetzelfde nog eens anders te kunnen lezen, zal ik de ‘Nachttrein’ in de oorspronkelijke taal gaan lezen.
Soms leek het alsof ik de volgende bladzijde niet durfde om te slaan, maar vaak had ik de rechterpagina al in de hand terwijl ik aankwam op de eerste regels van die pagina en er dan zeker van was zonder haperen of pauze de laatste zin ervan op de volgende bladzijde meteen te kunnen vervolgen. Zo ging het met de Nachttrein, waar ik eerder over schreef, en precies zo met Perlmann’s zwijgen, allebei een roman als filosofie. De ‘Nachttrein’ is zachtmoediger en geheimzinnig, ‘Perlmann’, achtervolgd en bijna gewurgd door schuld en schaamte, ingemetseld in de tijd en in de ban van de verbeelding met slechts minuten van bevrijding, is onthutsend, aangrijpend en adembenemend en verbluffend gedetailleerd. (In een decor van academici zoals ik academici zelf heb leren kennen.) Soms wilde ik even niet verder met Philipp Perlmann precies zoals hijzelf soms zwijgend naar lucht snakte – misschien omdat hij zelf vond er geen recht meer op te hebben nog te bestaan -, terwijl de opwindende reis van Gregorius, 57 jaar, zijn rusteloze zoektocht naar Amadeu de Prado me niet lang genoeg duurde.
Hoe wie ook over Philipp Perlmann gaat denken, zo arm als hij is geweest aan het vermogen tot liefde, zo verschrikkelijk rijk zijn z’n intellectuele vermogens, zijn taal en hoe hij eraan vijlde, zijn observaties en scenario’s, zijn geheugen. Het is bijna niet te geloven dat hij niet is gestorven in slechts de dunste jas van de diepste crisis, keer op keer, geen douche of pil bracht er verandering in. Soms ging hij wel lachwekkend ver in de controle over de dingen, maar dat is Perlmann ten voeten uit, zeker zoals hij zich voortdurend in het nauw gedreven voelde in het gevang van zichzelf en door het academische toneel, het wantrouwen en de afgunst (niet in het algemeen, maar in de beleving van Perlmann). Het verwarmende is gelukkig, in beide boeken, dat alle mensen je aan het hart gaan. Philipp, krachtig en kwetsbaar, heus niet in de laatste plaats. En wat voor Philipp geldt, gold ook voor Gregorius – tezamen 1000 bladzijden: een akker ontginnen zonder te weten wat er op zou kunnen groeien, zodat uiteindelijk het inzicht misschien ontstaat hoe dwaas het is je op te sluiten in een innerlijke vesting, dat een dergelijke afbakening je van jezelf afhoudt en het je onmogelijk maakt toegang te krijgen tot de tegenwoordigheid en dus niet onbevreesd staat voor wie je bent. (Zag laatst ergens een zin: “mijn gedachten schreeuwen altijd, maar mijn mond zwijgt”.)
Hebben we het leven zelf in handen, kunnen we ons lot sturen of laten we het, alsof we op een schavot staan, zich voltrekken? Is het mogelijk onszelf te kennen? Hoe is het als je beroep je in je latere leven als in watten of sneeuw ontglipt en hoe krijg je dan weer vat op de tegenwoordigheid? Wat zou er gebeuren als we het leven mochten overdoen? Het leven wordt tot in de kern geraakt. Waarom kies ik wat ik kies? De vrijheid, dat is het centrale thema in al het werk van Pascal Mercier, alias Peter Bieri (1944), de Zwitsersduitse hoogleraar filosofie aan de Vrije Universiteit van Berlijn. Peter Bieri is evenals Mundus Gregorius, Amadeu de Prado en Philipp Perlmann een man gefascineerd door talen. Taalwerelden. Hoe begrijp ik de wereld waarin ik leef? “Wat begrijp ik van de verhalen op televisie als Irakezen over hun ervaringen vertellen en het voor mij abracadabra is?”, zei Mercier in een interview. Ik zie uit naar de vertalingen van De pianostemmer en Lea; Mercier, Mundus, Amadeu, Philipp, Leskov, het zijn onvergetelijke namen.
[Pascal Mercier, Nachttrein naar Lissabon en Perlmann’s zwijgen, beide boeken bij de Wereldbibliotheek. Afbeelding: peinture de Pascale Mercier (1968), “Révenie”, maar mogelijk, voor mij, ook Maria João Ăvila.]

maandag, oktober 01, 2007


Zo uit het dagelijks leven
Een kleine onbeduidende metamorfose

(Ik schrijf vandaag) opnieuw de eerste onwennige regels met de vulpen die ik van Chrisje kreeg toen ik doctor werd, een Mont Blanc met de inscriptie “De odyssee 1998”. Ik heb er zeker al drie jaar niet mee geschreven, terwijl het een pen is van enkele honderden guldens, geschonken als eer aan een schrijver, een schrijver die zijn pennen al lang had verruild voor een toetsenbord en voor veel vluchtige notities of observaties een van zijn ballpoints gebruikte, bij voorkeur de Charles Hubert en in de marge van teksten zijn vertrouwde vulpotlood, een Cross.
Sinds de operaties in 2005 is mijn handschrift verknoeid, voor anderen wellicht onleesbaar, voor mezelf wel herkenbaar maar onaantrekkelijk. ‘Hij heeft een vreemd geworden hand van schrijven.’
Er staat hier nog een potje inkt, Königsblau, nu onmisbaar want met een langdurig genegeerde vulpen is niet te schrijven, ook met een Mont Blanc niet. Nee, onvindbaar was hij niet want ál die tijd lag de set pennen en het vulpotlood als het evidente attribuut van een schrijver op mijn werktafel. Voor de Mont Blanc had ik altijd zwarte inkt, in cartridges, en voor de Waterman het potje Pelikan 4001. ‘Hij schrijft vandaag de dag vaker over volstrekt nutteloze gegevens, alsof hij alleen maar hoeft te controleren of hij nog wel schrijven kan, dat wil zeggen, in leesbare zinnen.’
Tegenwoordig gaat dat moeizaam en soms lijkt mijn woordenschat te zijn vermagerd omdat er geen argumentatie meer nodig is, geen vergelijk of overtuiging. Maar tegelijk is elke tekst ook soepel en vrij want hij is bevrijd van reputatie of ambities. ‘Hij is als schrijver veranderd omdat hij leeft in een ander landschap van de taal, maar hij is niet veranderd als een mens die hij niet kent.’ (People don't remember what you tell them, they remember what they experience.)
Ik leef in een sterk veranderde werkelijkheid en beschouw deze als de gelukkigste van mijn leven. De crises zouden anders doen vermoeden, ze waren uitputtend en leken soms verpletterend, maar zaten vastgeklonken aan een traumatische levensgebeurtenis en ééns zouden de klokken ervan gaan luiden. Hopelijk hebben we ze nu alle gehoord. Is er iémand een leven zónder beloofd? En, daarbij, een ander lichaam krijg ik niet en ongelukkig met mezelf ben ik evenmin, tenzij anderen mij nog zouden willen kneden naar een beeld dat zij liever zien.
Achter in dit oude schrijfblok ligt een gedicht van de Zenleraar Dōgen – jaren geleden, in the hope of finding a quieter, more calm existence – het gedicht “Mountain Seclusion”: ‘I won't even stop/ at the valley’s brook/ for fear that my shadow/ may flow into the world.’ Ik liep op het aardedonkere eikenbomenpad, dacht aan een nachtegaal, maar vond ook de woorden voor dit eeuwenoude gedicht. Zelfs daar zal ik niet aarzelen/ daar bij de beek in het dal/ ook daar zal de vrees mij niet weerhouden/ dat mijn schaduw in de wereld stroomt.
[Uit een handgeschreven tekst, MN. Dōgen Zenji (1200 - 1253) was een leraar, meester, Zen Boeddhist, geboren in Kyōto in zijn tijd een befaamd religieus leider en filosoof. Afbeelding: “De Wodanseiken” van J.J. Cremer, 1849.]

zaterdag, september 29, 2007


Verwonderd over de wereld

Er zit niet een regelmaat in, maar nu en dan komen we bij de kringloop, dan eens bij de sjacheraar op de Schaapsdrift en dan eens bij die van de St. Vincentiusvereniging aan de Rozendaalsestraat. Als geld moet rollen, dan goederen ook. Laat ik het er maar niet over hebben waarom we kleding niet dragen tot het op de draad is versleten of de televisie niet blijft staan tot de gloeibuizen zijn gesprongen. Een enkele keer gaan er schoenen mee waar tevoren nog even de poetslap overheen gaat, ik frons dan m’n wenkbrauwen maar ben al blij dat ze naar de kringloop gaan. Er moet nog veel meer naar toe.
Er staan ongeveer twintig mensen te wachten tot de deur opengaat. Nog een minuut of zeven. Drie mannen draaien nog een shagje. De meesten staan zwijgend bij elkaar, tussen ieder een armlengte afstand zodat het duidelijk is dat ieder er voor zichzelf is. Alleen een paar vrouwen met helaas jengelende peuters aan de hand vinden elkaar. Het leven is niet geëgaliseerd, misschien bij de Aldi een beetje, maar niet bij de kringloop, op een enkeling na.
Vlak voordat de deur opengaat, komt er een jonge vrouw door de poort, gevolgd door haar moeder, een graatmagere vrouw die de slagen van het leven wel kent want de rimpels liggen als opgewaaid duinzand in haar gepoederd gezicht, zwart haar, paarse lippenstift en aan elke vinger een ring. Haar dochter, smakkend op haar kauwgum en een bleek, verveeld en ongelukkig gezicht, draagt een verkeerde broek. “Dat je dat ziét”, zegt m’n lief. “Waarom?” De broek zit zo strak om haar billen dat de stof daar dunner is dan langs de benen, de billen als het ware een opgeblazen bol vormen waar geen enkele bekoring meer van uitgaat en omdat ze teveel patat eet, wordt de stof aan de voorzijde zo in het nauw getrokken dat het haar schaamheuvel ongetwijfeld pijnigt. Dat kon je zien. Sommigen denken dat een mannenoog dit boeiend vindt. Ze kon onmogelijk aandacht voor zichzelf hebben want ik zag even later dat ze verdrietige ogen had, en haar gezicht toonde geen verveling, maar leed waarover ze misschien nauwelijks kon spreken.
Een gesluierde Marokkaanse moslima blijkt een zeer geïntegreerde Nederlandse. Ze pakt telkens een rok die niet haar maat is. “Deze is me ook weer te klein, ziet u?” “U hoeft toch niet uw levenlang maatje 36 te houden!”, zeg ik, denkend dat het toch maar een muf boeltje is. Ze gaat hardop pratend door met zoeken en telkens blijkt de rok aan beide kanten een vuistbreedte te smal. “Jammer, want deze is zo mooi”, en ze kijkt met ogen die zeggen ‘ja toch!?’ “Ja, het is een batikstof.” Heb ik hier verstand van? Ze is een aardige vrouw, donkere, warme ogen, haar leven gediend aan man en kinderen. Ze was zelf denk ik weinig in tel en terwijl de tijd niet zorgeloos verstreek, werd haar lijf ongemerkt een beetje een boomstam, een die overal tegen kan. Sommigen vinden dit weerzinwekkend, maar wie zien we eigenlijk als we in de spiegel kijken?
[Painting by Fernando Botero.]

donderdag, september 27, 2007


De ongesproken taal

Bo, onze hond, was al driemaal naar het eiland gekomen met het zichtbare verzoek wanneer we nu eens uitgingen. “Nog even Bo, ik ben bezig.” Hij keek me aan en het leek alsof hij zijn schouders ophaalde en wat verontwaardigd bij me wegliep. De derde keer keek hij enkel even om het hoekje, zag dat ik nog bezig was en liep terug alsof hij niet gezien was. Het duurde nog tot elf uur, zeker een uur later dan gewoonlijk.
Tijdens die wandeling realiseerde ik me hoe fascinerend de ongesproken taal van een dier is. Aan het voorbeeld in de eerste alinea zijn nog talloze toe te voegen, waaruit blijkt dat de wederkerigheid tussen mens en dier heel bijzonder is. We doen het vaak wel af met de idee dat het bij een dier slechts ‘gewoonte’ is, of conditionering, maar de houding en gelaatsexpressie, en de alertheid van het dier op het ongewone dat zich kan voordoen, toont een ‘tegenwoordigheid’ die wij mensen vaak missen.
Het tweede dat mij tijdens dit kortdurende uitstapje opviel, was de maan. Een krachtige, warme maan. Het wonderlijke is, dat de volle maan precies boven Rozendaal lijkt te staan, ‘zie, pal boven mijn eiland’, maar Gerhard die in een kleine plaats in Friesland woont of Inge in Zandvoort of Gerda in het Vlaamse Gent, ze kunnen allen op dezelfde gedachte komen, ‘zie, wat een juweel deze volle maan, pal boven mij’. Ik ben niet bekend met maanrituelen, maar weet dat deze koningin van de nacht toch ook, evenals de boom van gisteren, een symbool van vruchtbaarheid is, en ik ben blij het te hebben opgemerkt want het heeft me even weggehaald uit de droevige geschiedenis van Philip Perlmann. Eigenlijk zou ik de postvogel moeten terugroepen en hem met een paar regels over de ‘beangstigende gewaarwording van een existentiële crisis’ erop uitsturen, maar misschien zijn deze twee zinnen al even veelzeggend. De postvogel heeft intussen een andere meester te dienen.
[Een verwijzing naar de roman van Pascal Mercier, Perlmann’s zwijgen, Wereldbibliotheek 2007 (623 p, € 24,90). Foto van het www, onbekend van wie maar met eer geplaatst.]

woensdag, september 26, 2007

A rose for each of you
Op het eiland heerst nu een andere stilte dan voorheen. Ik heb verwarring gesticht in mijn leven maar twijfel er niet aan dat die vruchtbaar zal zijn. Ik zie hier bijvoorbeeld een ansichtkaart, daarop staan vijf in leer gebonden boeken gestapeld en het is natuurlijk alleen maar symbolisch, maar op die stapel staat een boom met de wortels langszij maar ongetwijfeld ook naar binnen, al is dat onzichtbaar. Het geheel verbeeldt de vruchtbaarheid.
[Photo BC Gal.]

donderdag, september 20, 2007

Postvogel V

De geschiedenis van mijn lichaam


“De auteur van deze weblog is voor onbepaalde, vermoedelijk lange tijd op reis. Het eiland blijft zijn boekenkast en alleen wanneer hij ongelukkig wordt, keert hij terug.”

Neen, zo afstandelijk zou ik het nooit willen zeggen. Er is meer aan de hand. ‘Op reis gaan’ is de metafoor voor een ontdekkingsreis, voor opnieuw een reorganisatie van mijn bestaan. De eerste was dringend nodig nadat ik min of meer was hersteld maar nooit meer zou gaan werken. Om kort te gaan: het werd een weblog en mijn eiland werd gelijk een kippenren waarin ik dag en nacht vertoefde. Natuurlijk is dit beeld sterk overdreven. Maar het lezen van talrijke weblogs, het almaar langdurig peinzen, mediteren, over eigen thema’s, over taal, het verdwijnen als het ware in de virtuele wereld, leidde tot een soort van afwezigheid in het huis dat aan dit eiland vastzit en waar ik feitelijk woon. Het ligt deels in mijn aard zo te leven, maar mijn verlangen, beter gezegd, ons verlangen, het ervaren van harmonie is sterker. Daarom moet ik deze ‘vorm’ verlaten en, nog in verwarring, een vorm vinden die mij meer integreert met het huis waar ik woon. Het is geen gedachtespel, het is een levendige wens.

‘Whisperings of my soul’ heeft mij ongelooflijk veel geboden en in dat opzicht is het virtuele aspect grotendeels schijn, dat is het namelijk minder dan we denken en elkaar steeds voorhouden. Zijn warmte en aanmoediging dan slechts lucht? Ik voel een verbondenheid die ik niet verliezen kan, maar wil nu een andere weg inslaan. Ik heb van jullie met gulle hand gekregen, maar je kunt niet alles hebben.
Plots denk ik aan een passage uit mijn Hals over kop en nog langzamer: Een van de verpleegsters van de eerste hulp waar ik om 9 uur aankwam (op 7 maart 2005) en van waaruit ik ’s middags tegen de klok van vier werd opgenomen op traumatologie, zocht mijn ogen en keek me aan, “Wees gerust, wat er ook gebeurt, ik volg het en wijk geen moment van uw zijde, ook niet als er dadelijk allerlei onderzoek gaat plaatsvinden.” Fluisterend vervolgde ze: “Er gebeurt alleen wat goed is voor u, daar let ik op.” De geschiedenis van mijn lichaam heeft me geleerd dat het leven niet licht is, maar ik ben niet ziekelijk geworden en dat is de verdienste van heel veel anderen.

Wat kan ik jullie wensen anders dan het versleten woord ‘Alle goeds’? Zo luidt de wens uiteindelijk wel, maar wanneer alle namen me als levend geworden portret voor de geest verschijnen en weet dat alle littekens in ons mee blijven ademen, dan zeg ik liever: “Adieu. Dank je … adieu.”

Het is de kunst ervoor te zorgen dat het verlangen niet je meester wordt.
Ik schreef iemand laatst, dat het nu de beste jaren zijn. Zou ik ze dan zelf in de greppel rond mijn eiland moeten gooien omdat ik ze niet leven kan? Zoals Jeroen Brouwers het zegt: “Je schrijft terwijl het leven aan je venster voorbij waait, zonder dat jij eraan deelneemt.”
[© MN, in De wijsheid van het lichaam. (Log nr. 305.) Ik wilde er eigenlijk nog veel aan toevoegen, maar ik realiseer me dat dit zogenaamde toevoegen alleen voortkomt uit reële pijn, dankbaarheid en onthechting rondom en in het leven van mensen met een weblog, waarvan het in de kern maar één eigenschap heeft: we doen het ieder voor onszelf. Laat ik dus als dichter maar gewoon de reis maken die ik me voorneem, zonder precies te weten hoe dat zal zijn. Foto: “Brieftaube” Gerhard Glück]

woensdag, september 19, 2007

Postvogel IV
De tijd die ons gegeven wordt, is kort


Als het regent en er is wind dan word je geslagen. Ga de wind niet uit de weg, maar jaag hem ook niet na. Ik weet het, soms is de wind zachtmoedig, als een frisse zijwind. “Had je de wind in de rug zoals wij dat het liefst hebben?”, vroeg ik de vogel. Of versta je me niet, waait mijn woord weg in de wind, zoals de wind ook de tijd wegwaait? Hij zat daar weer even parmantig en zwijgend als vorige week en ik vroeg me af of ik in zijn tijdschema zit, tot de vaste adressen behoor. “Nu ja, als je maar niet op mijn boeken landt!”, zei ik terwijl ik mijn hand uitstak toen hij naar me toeboog met de post.

Soms ben ik zo traag als Amadeu de Prado, maar laat me maar denken en schrijven, dan blijf ik in leven. Alleen zo kan ik hier wonen, zo meende ook Slauerhoff. Ik zet Arvo Pärt aan, de cd Alina, dat zou de melodie kunnen zijn van de Portugese filosoof, de man die voortdurend koos voor een stukje eeuwigheid. “Het komt aan op partij kiezen voor de ziel aan de gevoelens voorbij.”
Amadeu vroeg zich af, “waarvan het afhangt als we een maand als een gevulde tijd, als ónze tijd hebben beleefd, in plaats van als een tijd die langs ons heen is gegleden, die we alleen maar hebben ondergaan, die ons door de vingers is geglipt zodat we het idee hebben dat het een verloren, een gemiste tijd was waar we niet om treuren omdat die voorbij is maar omdat wij niets van die tijd hebben kunnen maken? De vraag is dus, hoe je voor jezelf iets kunt maken van de tijd van een maand? Wanneer is het zo dat ik de indruk heb dat deze maand helemaal van mij is geweest?”

Wat wil ik toch graag dat u Gregorius leert kennen, de begaafde classicus uit het Zwitserse Bern, die door een toevallige ontmoeting álles achter zich laat, zelf nauwelijks beseffend wat hij nu eigenlijk tegemoet gaat, en dan in Portugal het leven van Amadeu de Prado leert reconstrueren. Hij krijgt als het ware stapvoets de weg gewezen naar indringende ontmoetingen waardoor hij in de loop van de maanden een andere kijk op zichzelf creëert en tegelijkertijd het zachtmoedige, standvastige en respect afdwingende intellectuele leven van Amadeu openbaart. Amadeu de Prado.
[Pascal Mercier, Nachttrein naar Lissabon, Wereldbibliotheek 2006. Overigens is een nieuwe roman verschenen: Perlmann’s zwijgen en begin volgend jaar verschijnt Lea. Alle boeken van tafel, alleen nog Mercier. Foto: “Brieftaube” Gerhard Glück.]

dinsdag, september 18, 2007


Postvogel III
De wolken schetsen weer hoe weinig heel de wereld is


Om wat ze zijn, je woorden, zal ik ze branden. Om wat ze zijn, zal ik ze verstrooien, als as over een bevroren grasland. Zie, het is nog even een donkere vlek. Zo reizen dichters soms met het woord.

Heeft stilte niet juist de toon die we zoeken?

Toevallig vond mijn postvogel wat andere woorden, ik begreep zijn gekwetter, pakte mijn pen, schreef ze op en verbaasde me erover waar hij dat schoons vandaan haalt. “Een gouden zon schenkt al het bomenblad het geluk waar wij van leven. Ik hoop dat hij rustig ergens in je tuin wacht tot je thuiskomt want hij maakt er nog wel eens een zootje van”, schreef ik en deed het briefje in een enveloppe. Het is wonderlijk hoe hij weet dat mijn kleine werk gereed is en hoe hij zonder dralen de post zo vast in zijn snavel grijpt, héél anders dan de broodkruimels die hij hier vliegensvlug oppikt.
[“Brieftaube” Gerhard Glück.]

maandag, september 17, 2007


Als een porseleinen hazewind naar de stilte

Waarom trekken mij de kloosters zoals de holen de vossen? Ik reed naar de abdij van de Norbertijnen en in de boekwinkel vertoefde ik, hoe uitzonderlijk, slechts vier, vijf minuten. Ik zag het portret van Miek Pot, nam haar boek in de hand en rekende af. Een warm gezicht van een moderne vrouw, ze is 47. Haar zachtmoedige maar zekere, wilskrachtige gezicht deed me blozen, dat viel me op toen ik buiten was en de wind het niet kon zijn, die was straf en guur. Ik wilde de Vespers bijwonen, maar de kerk was nog gesloten. In een als het ware ver naar binnen gevouwen erker van het immense bouwwerk eromheen, windstil maar nog net in de zon van het laatste middaguur, begon ik te lezen alsof ik buiten adem was van mijn vondst. Haar boek viel in mijn hart.
Miek Pot, die sinds 2002 als meditatie-contemplatielerares in een klein appartement in een besloten beluik van het Brugse begijnhof woont, leefde twaalf jaar in een wit habijt met daarover een witte kovel met puntmuts, haar haren verborgen maar tot aan haar billen, een ongeziene levendige vrouw als moniale in een kluizenaarsklooster. Eerst het strenge kartuizerklooster in Marche-les-Dames, net onder Namen, later, van dezelfde orde, in Zuid-Frankrijk aan het einde van de wereld en onder de rook van de beroemde abdij van Le Thoronet. Daar woonde ze met dertien andere kluizenaars op een domein van vijftig hectare, ieder zwijgend als een graf in eigen kluis, het hart van de monnik.
Haar intuïtieve keuze voor eenzaamheid volgde na een wild en gemakkelijk studentenleven, een tijd zonder één minuut stilte, een leven dat nog alle kanten uitkon maar ook een bron van onbehagen werd, een leven dat haar tegelijk ook zo voorspelbaar leek verder te gaan, misschien als moeder van enkele kinderen, lid van de hockeyclub en als dat er niet inzat wandelen met een labrador, in elk geval een mondain leven dat haar leeg en zinloos leek en dat botste met het in haar verborgen innerlijk proces, nog lang niet te duiden maar zoals een verboden liefde waarover je niet spreekt.
Uit het kluizenaarsleven is een innerlijk vrije vrouw geboren. Zij maakte een lange en voor wie er het hart voor heeft fascinerende reis door de woestijn, maar wat een veilige wereld was, werd uiteindelijk een niemandsland. Zij voelde zoals Jezus het haar zei: ‘Word voorbijganger’, keer terug naar de wereld, naar het marktplein. Haar uittrede werd onvermijdelijk, maar betekende geen afscheid waarin zij gelooft. Zij wil een trouwe berggids zijn, trachten mensen naar de stilte te brengen, bewust te maken en bij zichzelf te laten komen. Haar portret staat hier, telkens zie ik de titel en is er een oogwisseling alsof ze me aanmoedigt.
[Miek Pot, Naar het hart van mijn ziel, uitg. Ten Have, 128 pag., € 15,-.]

zaterdag, september 15, 2007

Dus jij denkt dat je een mens bent?
Ook hier, op de mogelijkheid van een eiland?

Ik dacht, kom, neem de nachttrein naar Lissabon,
hoewel ik droom naar het einde van de wereld
naar het hart van mijn ziel.

Ben ik niet een van die denkende schrijvers,
levend in de schaduw van de wind, almaar
in de stilte van de wereld voor Bach?

Het leven heeft geen geheimen, soms
is het een dubbeltje op z’n kant, en ik weet ‘t,
de regen verandert niets aan de begeerte.

Heb ik liever liefde dan gedichten, ik, de ander,
hoeveel geheime kamers telt mijn hart, zijn het wel
werken van barmhartigheid die ik leef?

Het zijn niets dan proeven van liefde, fluisteringen
langszij het ebbenhout, mijn leven een voorval. Misschien
tot morgen, ik ben afgemat als een eendagsvlieg bij avond.

[© MN, Het eiland, mijn gedachtenwereld. In de reeks ‘Stapelgedichten’, als felicitatie
aan Eric van Hoof, alias Gobboe, voor zijn gedichtenbundel ‘Droomkleur’.]

vrijdag, september 14, 2007


De oude dag is niet zo als ze lijkt

Alsof de naam van het gelag me ertoe dwong, volgde
ik in "Buitenlust" even de heupen van de serveerster, ze handelde
zo prompt, totdat ik twee senioren zag van fors postuur, zij en hij,
beiden een grijze Hazewind aan de hand, en onwillekeurig vergeleek
ik de ribbenkasten met de grote borsten, geborgen in een puntige beha,
misschien nog van oudroze satijn, dat zou melodieus zijn.

[© MN, in Aging, living, dying; this all poetically reference the beauty and vulnerability that characterize human experience. Afbeelding: by MAX, nadere gegevens ontbreken, maar het is a piece of my mind.]

donderdag, september 13, 2007

De atheïst en de monnik

Wie het denken de hoofdzaak vindt, kan het daarin weliswaar ver brengen, maar verwart toch de grond met het water; er komt een ogenblik dat hij verdrinkt.

Hermann Hesse

Mijn broer, ook een familieman, leidt een druk bestaan. Hij is ongelovig. Voor hem is geloof niet te funderen op verhalen of een overlevering. “Het plaatsen van de Godsidee bij alles dat niet rationeel verklaard kan worden beschouw ik als existentiële zwakte en gemakzucht.” Het behoort tot de logica van de rede dat voor denkbeelden een wetenschappelijke of een empirische verklaring is want anders ontbreekt het fundament, dan is er sprake van iets dat je je in je hoofd hebt gehaald maar niet kan kloppen. Maar kan alles gedacht worden? Verklaard? Is de rede in de war? Daarom dacht ik aan Hesse. Het geloof is geen wetenschap. Geloof is mensenwerk.
God bindt en splijt.
Hij is atheïst, hij is iemand die zich beweegt binnen de grenzen van de rede en die heel goed weet dat de rede – zoals Kant zei – maar een eilandje is in een grote oceaan. “Atheïst. Vreemd eigenlijk”, zei hij laatst met een lach van verlegenheid, “met dit woord ben ik toch weer met hem verbonden.” En nog iets. Waar hij woont, is het prachtig. Maar het is de tweede keer achtereen dat hij ergens woont met direct zicht op een kerk. Hij is ook gefascineerd geraakt door het werk van Heinrich Böll, toch een gelovig man - hoewel hij de onfeilbaarheid van de paus verwierp en een groot wantrouwen had naar de officiële kerk en haar autoriteiten, die hij verweet geen weerstand te hebben geboden tegen het Nazi-regime en dus medeverantwoordelijk achtte voor de menselijke problemen in de toen miserabele Duitse samenleving. De kerk weet het goede niet steeds van het kwade te onderscheiden. Een gelovige en een atheïst evenmin. Morele kwaliteiten zijn gelukkig niet gebonden aan welk geloof ook.
Mijn broer is evenals ik een humanist, een stille strijder. Het is zijn identiteit, maar hij verlangt niet dat iemand hem volgt, of misschien ook wel, maar hij zal niet willen dat ik op hem lijk. Dat zou me ook niet lukken. Geloof is geen rationele zekerheid en ik houd niet van het leven zonder verrukking, zonder hoop, en dat is ook het wonderlijke, het goede schemert overal doorheen, door het ergste dat is geweest of ons nog te wachten staat.
Hier op mijn eiland leef ik eigenlijk al een soort van monnikenbestaan. Ik geloof in God maar weet niet exact waarin ik geloof want God blijft een mysterie. Ik ken het onzienlijke niet, evenals hij, de atheïst, het onzienlijke niet kent en daarom binnen zijn grenzen blijft. Dus wij beiden kennen de grenzen van de rede. De monnik en de atheïst, mijn broer en ik zijn meer en anders verwant dan we zouden vermoeden, aangenomen dat ook hij eerbied heeft voor wat boven de rede uitgaat.
[Beeld uit “Into Great Silence”, een documentaire van Philip Gröning door de seizoenen heen over kartuizer monniken in het klooster Grande Chartreuse in de Franse Alpen.]

woensdag, september 12, 2007


Zijn naam is Amadeu de Prado, je ne peux pas vous oublier

Zodadelijk lees ik de laatste twee pagina's, met opzet almaar uitgesteld omdat ik er aan dacht dat De Prado echt heeft bestaan. Ik vind het de knapste roman die ik ooit las. En het is vermoedelijk de enige die ik nogmaals ga lezen. Het leven van Gregorius ‘eindigt’ onzeker, dat heb ik al gezien, eigenlijk wel jammer, maar een 'happy end' of iets dergelijks zat er ook helemaal niet in en zou ongeloofwaardig zijn. Laten we maar geloven dat Doxiades gelijk had, dat het uiteindelijk allemaal meeviel en goedkwam en dat hij de Spaanse geschiedenis is gaan bestuderen want hij was zeer geïmponeerd door Estafania. Ten slotte zou hij een boek schrijven over het Portugese verzet en daarin zou Amadeu weer terugkeren, Joao Eca ook. Maria João Avila, de schatbewaarder van zijn gedachten eveneens, maar de geschiedenis zou beginnen met het drama rond Mendes en de diepe vernedering die er op volgde.
Amadeu de Prado, mijn grote held, de dichter, de kluizenaar van de liefde, de man met een drang om geheimen te doorvorsen, de goede arts die tijd, medegevoel en begrip met gulle hand wist toe te dienen.
Gregorius die de boeien lossloeg van het zwaar vergrendelde hart van Adriana.
Ooit verandert alle pijn in oud zeer.
Merci Pascal.
[Pascal Mercier, Nachttrein naar Lissabon, Wereldbibliotheek.]

dinsdag, september 11, 2007

Postvogel II
Hij zei dat het op z’n route lag


Mijn eiland staat voor iedereen open. Hij zat daar rustig op de rand van mijn leren fauteuil, zei niets maar pikte met zijn snavel tussen zijn tenen zoals ik dat vroeger mijn kanarie zag doen en wat ik beschouw als een bewijs van thuis zijn. (Hoewel, thuis zijn en gekooid, gaat dat samen?) Ik was net klaar met het schrijven van een kaart die ik op de tafel voor het Mariabeeld legde. Voor ik er erg in had, was hij ermee verdwenen.

“De vogel vloog op het juiste adres binnen maar trof niemand thuis. Hij fladderde wat rond en veroorzaakte wat rommel. Het lieve dier kan van niets weten en is er toch zeker van dat jullie thuiskomen. Schrik dus niet, hij brengt wat geluk, wat troost, wat geduld, en vliegt weer weg.”
[Foto van Jaap van de ansichtkaart die ik hem stuurde; “Brieftaube” Gerhard Glück.]

maandag, september 10, 2007

Ik hoor de kist nog niet knarsen
Geen vonnis dat mijn mond verzegelt


Wat mensen aan ziekte overkomt, kan
soms nooit meer kantelen naar hoe het
eens was. Dat te weten, is eerst als dwalen

in een diep bos, je weet niet waar je bent
noch waar je gaat. Met geduld komt er licht en
gewoonte tevoorschijn en eenmaal daar

wil je zó niet meer kijken naar de tijd
die je nog niet kent. Zo wordt het mogelijk
het onmogelijke te leven

want eens verlaten we elkaar, vroeg of laat,
een van beide, maar allemaal. Staan we er teveel
bij stil, dan komen we tijd tekort.

[©MN, in De wind waait de tijd als zandkorrels weg. Jan Wolkers schreef: “Je laatste gedicht schrijf je pas als de kist hoort knarsen.” (Ziekte is metaforisch voor alle lijden dat zich in littekens vastzet. “Het lijden is de universiteit van het egocentrisme”, zegt Kundera.) Uit een Ierse song: So stick to the fight when you're hardest hit, It's when things seem worst that you must not quit.
Afbeelding: “The music of the soul” by Victor Safonkin.]

zaterdag, september 08, 2007

Is muziek niet net als een boek
De componist die kunstenaar is, music … the intelligent emotion

Muziek is vooral een kwestie van smaak en daarom kan ik er vrijmoedig over schrijven, ook al zei ik Ferdinand, “Ik heb er geen verstand van, alleen, ‘Exploratie’, ja, dat is goud”. Zonder professionele kennis (weet ik veel wat octaven en driekwartsmaten zijn) stel ik vast dat het ‘goud’ is – bij een kwestie van smaak is alles geoorloofd; ‘smaak’ is niet iets van alleen de tong, maar appelleert aan al je zintuigen.
‘Exploratie’ van Ferdinand Groos. Iemand die dit magnifieke pianospel ‘zenuwengepingel’ noemt – dat is heel beroerd want degene die dit goud noemt, verdraagt zo’n oordeel niet (je wilt dat het gedeeld wordt, dan mag de muziek ook op ‘hard’) – die heeft denk ik niet de rust, of niet het geduld, te luisteren en soms te zoeken naar wat hier gebeurt. Ik ken Ferdinand van veel vroeger dan zijn muziek, en toch is het andersom want er verstreek meer dan vijfendertig jaar voordat ik zijn muziek hoorde en pas daarna ontmoetten we elkaar weer. Toen ik me dit realiseerde, ging ik mijn herinneringen eens na, en in die enorme verzameling ontdekte ik plots een element dat er ook vandaag weer is. Ik keek natuurlijk in het laatje ‘muziek’, waar luisterde ik naar, wat vond ik mooi? Nou, the Moody Blues bijvoorbeeld, the Beatles, Fats Domino, Garfunkel, David McWilliams (“Can I get there by candlelight” kan ik nog neuriën), later ook veel Cohen, maar géén van deze muziek won het van Jean Philippe Rameau, daar zette ik de ramen wijd bij open. Nu, ditzelfde zou ik bij ‘Exploratie’ ook weer doen – het is in mijn leven dus vrij zeldzaam dat muziek zo in mij doordringt dat ik de vensters opengooi, dat ik anderen wil laten delen in mijn geluk, in mijn ontroering, in iets dat echt is, dat roffelt op je ziel. Tonen en ritmes, klanken, melodieën die zich vastzetten, zodat de muziek er ook op stille momenten is en doen verlangen naar het luide uur. Als tekst levende muziek zou kunnen bevatten, zou ik het nu doorgeven, zo prachtig, zo vol van klank en hartstocht, op momenten zo feestelijk dat het de blijdschap, die altijd ergens in mensen huist of verborgen is, onmiddellijk tevoorschijn tovert. Telkens weer raak ik opgetogen, na honderd maal wel meer vertrouwd maar nog even hevig.
Een leek heeft het wel moeilijker dan een professional als hij een ‘kritiek’ schrijft over een muziekstuk. Ik ken het ambacht van de musicus niet en kan de virtuositeit nauwelijks vergelijken, maar tegelijk betwijfel ik of dat nou zo belangrijk is. Als ik maar kan uitleggen waarom het mij boeit, waarom die dubbel-cd hier soms de hele avond is te horen en me geen minuut verveelt. Menig cd zet ik halverwege uit, of vergeet ik, al kan ik ook gerust zeggen te kunnen genieten van ‘Canto Ostinato’ van Simeon ten Holt, pianospel dat verwant is aan het werk van Ferdinand. Niét verwant, al is het eveneens minimal music, en mooi is het werk van Philip Glass.
Nu eerst iets over de achtergrond van Ferdinand – zijn muziek heeft, evenals hij zelf en ieder van ons, een geschiedenis. Ferdinand Groos begon met piano spelen toen hij amper vier jaar oud was. Als getalenteerd kind kreeg hij vlot toegang tot allerlei faciliteiten om voor hem muziek te laten zijn wat het nog steeds is: de mogelijkheid om wat niet meer met taal kan worden uitgedrukt te verklanken in emotievolle thema's. Na zijn gymnasium beëindigde hij zijn piano-opleiding aan het conservatorium, waarna hij, daartoe aangezet door zijn ouders, filosofie studeerde in Nijmegen. Maar van meet af aan was al duidelijk dat (direct na het beëindigen van deze studie) de aantrekkingskracht van de 88 toetsen toch sterker was dan welke andere bezigheid ook. Wel zou de filosofiestudie zich later duidelijk manifesteren in zijn werken. Ferdinand reisde over de hele wereld. De ontmoeting met de vele verschillende culturen zette hem er toe aan deze ervaringen op latere leeftijd te ordenen in de studie Cultuurwetenschappen. Want juist deze ontmoetingen met andere landen en culturen in combinatie met zijn filosofieopleiding zouden opgeld doen in zijn werken voor meestal twee of drie vleugels. Uiteindelijk zouden zijn werken gekenmerkt kunnen worden door mooie melodische lijnen, ontrold in een ‘minimal-musicachtige’ omgeving. Deze vorm werd bewust gekozen omdat tijd een centraal begrip is in al zijn werken.

In de partituur ‘Exploratie’ draait het in wezen om datgene wat Hegel bedoelde: steeds wanneer een kunstenaar een werk schept, zal er sprake zijn van een kenbaar maken van zijn eigen (gedeeltelijke) waarheid. Ook Groos ontvouwt zijn ‘waarheid’, uitgedrukt in een scala van melodische lijnen in verschillende toonsoorten en in figuren gecomponeerd in de traditie van de ‘klassieke’ minimal music: melodische lijnen om het gevoelsleven welluidend naar voren te brengen, om rationeel bezig te blijven met zijn ‘muzikale zoektocht’ naar het tijdsbegrip. Daardoor gebeurt het steeds weer, dat de toehoorder verrast is door de werkelijke digitaal af te lezen lengte van het werk, terwijl het gevoelsmatig een veel kortere tijdsspanne omvat.
Naar verluidt hadden luisteraars vaak de idee dat de tijd was stilgezet. Dat het steeds weer gebeurt, dat de melodie zich herhaalt, en wéér en wéér, wijst erop dat muziek een taal is in klanken die je moet leren verstaan – dat vraagt een openheid die alleen denk ik mogelijk is
als je er door wordt geraakt. Smaak, zintuigen, gevoel; woord en klank vallen niet samen en toch wordt er een verhaal verteld, alleen een verhaal dat ieder voor zichzelf mag navertellen omdat ze niet, zoals bij proza, nagenoeg identiek zal zijn. Zeker als het muzische verhaal niet geraffineerd is, niet doortrokken van wat in de mode is, maar belangeloos en zo puur dat het ‘navertellen’ niet wijst naar een bepaalde geschiedenis of plot, maar meer een expressie is van persoonlijke fascinatie.
‘Exploratie’ staat aan, ik ken de tonen, weet op welk ogenblik ze heftig worden, ik ben aan het schrijven en vind zo de woorden die ik nodig heb en waar ik anders veel graafwerk voor moet doen, ik ben rustig, kalm, tevreden, gelukkig. Warmte, veiligheid – misschien, daar moet ik nu opeens aan denken, lijkt mijn grote genoegen wel op dat van de fervente boswandelaar die je niet hoort over de duizend zelfde bomen die hij tegenkwam, maar wel over de kalmte, over het tot zichzelf komen, over inspiratie, over ‘persoonlijke inzichten’, over kwetsbaarheid. Muziek als natuur … luister naar de tweede, de vierde, de veertiende minuut, naar de zeventiende, naar de achttien punt dertig – en zo verder -‘wandel er heen’, dan gebeurt wat ook de wandelaar zegt, “Ik weet niet, dat moet je meemaken. Ga erheen.”
[Podiumfoto van Ferdinand. Zie
www.fjmgroos.nl/]