De kunstenaar vertelt het leven 1
Een schilderij over droevigheid, kwaad van toon. ‘The girl’s life’ belooft weinig goeds. Het norse gezicht van de man scheldt haar uit. Hij zegt niets, hij staat er schuldeloos bij, zo leunend tegen de deurpost, de rechtervoet voor de linker. De armen over elkaar, powerfull, niet van plan haar te troosten. Het lijkt een verlaten appartementengebouw en ofschoon de kleuren erg mooi zijn, tekent het een kwade sfeer. Zij is de onderworpene, zij is de gevangene. Er is geen uitzicht. Die kerel – hij is de eerste noch de laatste – belemmert elk geloof dat het nog ooit anders wordt. Dit is haar leven, ‘the girl’s life’, op de toppen van liefde of lust, in de dalen van ontgoocheling, van zich steeds maar herhalende misère. Alhoewel ze de kamer van de man is ontvlucht en de buitendeur openstaat, realiseert ze zich eigenlijk nergens heen te kunnen.
Er is geen ander leven.
[Schilderij van Sarah Blackwelder, New York.]
O gij Slangenburg,
mijn oase in elk jaargetij,
strek je armen naar mij uit
en sluit mij in de kerker
van de rust, de lach, de mildheid,
de genade.
O gij Slangenburg,
een huis van bekommernis
buiten deze wereld,
hier vlakbij, ik en de herinnering
op een eiland vol boeken,
wat zijn je handen ver.
[Bij het zoeken naar een illustratie, na het maken van dit gedicht, stuitte ik wonderlijk op Hier is mijn eiland van Johanna Kruit – uit 1977 – (search: eiland vol boeken) en de eerste regel van een gedicht luidt: ‘wat zijn je handen ver’. Wonderlijk. Het schilderij (search: stilte), "Stil geworden", is van Daniël Baarber. Dit is de 80ste post.]
De arme dichter
Intussen heb ik wat prenten verzameld van The poet, Der Dichter, Le poète, en nou zal ik niet direct zeggen dat deze mij het meest aanspreekt of mijn verbeelding weerspiegelt van ‘wie een dichter’ is. Het is, onbelangrijk, geen hedendaags beeld, maar wat mij treft is een sfeer van grote soberheid, een onverstoorbaar ingetogen houding van waaruit de dichter zijn toon zoekt en de eenzaamheid die zijn niet te benijden deel zal zijn maar waarmee hij zich heeft verzoend. Een meelijwekkende prent is het niet; dan moet je bij Stefan Verwey zijn die de arme dichter op een podium zet, die de lege zaal inkijkt en zegt: ‘Mijn volgende gedicht gaat ook over eenzaamheid.’
Dit schilderij heeft tegelijk iets onwerkelijks, iets komisch, iets aandoenlijks: het waslijntje, zijn jas aan een spijker, de paraplu tegen een misschien soms lekkend dak, een kachel die niet werkt en daarom de hoge hoed aan de hendel van de kachelpijp. Een schamel bezit aan boeken. Een ogenschijnlijke behaaglijkheid in een geïmproviseerd bed. De arme dichter, met het potlood tussen de lippen, het gehoor naar zijn innerlijke stem, zoekt als een dirigent zijn poëtisch ritme. “O ruiten mijner eenzaamheid/ waarlangs de avondstromen nemen/hun beddingen, water en licht/vermengen zich voor mijn gezicht/geruisloos tot een glanzenvolle schemer …..”
[Schilderij van Carl Spitzweg. Dichtregels van Gerrit Achterberg.]
Het boek als wereld?
Vandaag krijgt mijn vriend Frans vele duizenden verhalen in huis, is het schrikken of glunderen? Hij moet ze als een vakkundig magazijnbeheerder in zijn huis opstapelen, behoeden voor spontaan omvallen en beschermen tegen vocht en spinnenweb. Tegen rovers ook? (De schrijver als beheerder.) Het is een zware gouden dag. Als de goden en wie al niet meer deze allochtone Schepper gunstig gezind zijn, zal de partij wekelijks slinken, evenals de paar dozen met speciale verzendenveloppen. Roemeens decor gaat over de wereld. Het boek als wereld de wereld in. Ik ken wel het gedicht als wereld van Lucebert, maar niet ‘het boek als wereld’. Het is een aardige metafoor voor het op een donkere avond verzonken zijn in een verhaal, zodanig dat je van de wereld lijkt, niets en niemand meer hoort. Het boek als wereld belooft iets, Roemeens decor ook. (Klik bij de Links op Frans Brinkman.)
[Afbeelding: van een mij onbekende schilder. Nee, geen slaapverwekkend boek, zij mijmert over de wereld die zij er in aantreft. Of denkt u dat het anders is? En ik ben jaloers op deze boekenkasten.]
De schepping verwart mij II
“Het ‘zien’ en opnieuw beleven van vroegere levens blijkt therapeutische waarde te hebben; bepaalde angsten of eigenschappen gaat men beter begrijpen en niet zelden verdwijnen eventueel aanwezige pijnen en gaat men zich beter voelen”, schrijft Pieter Langedijk in Merkwaardige reïncarnatieverhalen. Alain: “Als ik zie dat ik mensen van huidige problemen af kan helpen door ze te begeleiden naar een vorig leven waarin dat probleem blijkt te zijn ontstaan (een traumatische ervaring die toen niet is verwerkt bijvoorbeeld), kan ik niet om de realiteit daarvan heen.”
De theorie, het geloof en de bekwaamheid: een regressietherapeut zou mij kunnen begeleiden naar de tijd dat ik Alain’s moeder was, of naar een eerder tijdvak waarin ik met hem als tweelingbroer werd geboren en de moeder de bevalling niet overleefde. Een lijntje naar mijn vroegere levens zou mijn huidige ziekte begrijpelijker kunnen maken. Over deze passage zit ik al dagen te prakkiseren.
Oud zeer in levens is er genoeg, bij wie niet. Het gaat er niet om schuldigen aan te wijzen, maar het in je eigen leven te onderkennen als een kwetsuur die je misschien hebt verborgen maar je desondanks belemmert. Ik kan die ervaringen verloochenen, maar veranderen niet. Enig biografisch ‘oud zeer’, dat zie ik als een kwetsbaar deel van mijn levensweb dat er als geheel relatief weinig van te duchten heeft. Het blijft intact omdat ik me verbonden weet met mensen en met passies. Het ‘oud zeer’ en de fysieke beperking waarmee ik heb te leren leven kan me soms wel meer of minder versomberen, maar in het aanwijzen en voelen van die mankementen in dat web onderken ik dat ze er evengoed bijhoren als al die steviger gesponnen zaken die aan de zonzijde zijn toe te schrijven.
Met alle respect voor regressietherapeuten, voor Alain, voor diens andere overtuiging en levenshouding, maar over de grenzen van dit leven heen, nee, ik hoef zo’n lijntje niet.[Schilderij “La creation du monde” van Hélène Chevarie.]
Een Nederlands-Roemeens debuutFrans Brinkman is een studieboekenschrijver en woont met zijn Roemeense vrouw en twee kinderen in Targoviste, niet ver van Boekarest vandaan waar ze vele jaren woonden, in de al genoemde Strada Tutunari. Hij telewerkt voor een paar Nederlandse uitgeverijen, is soms betrokken bij een EU-project en sinds kort een eigen uitgeverij gestart, 'Cabinet Cuvinte'. Roemeens decor is zijn debuut.
De vermoedelijk eerste regel gaf ik u al eerder; deze werd door Frans geschreven in de zomer van 2005 en bleef bijna ongewijzigd staan. Ik wist nog niet wie ze is of hoe ze heet, alleen dat ze ‘van volume is’ en een betoverende blik heeft, ogen heeft zoals die alleen voorkomen bij vrouwen in een bepaalde straat van Boekarest. Ze heet Floor en figureert in 'Stadse oprisping', het eerste verhaal in Roemeens Decor. Het is het relaas van een jonge vrouw die haar omgeving evalueert, overwegend vanaf haar balkon. De tweede vertelling, 'Vervulling van tijd', gaat over een grootvader die zich laat kennen aan zijn kleindochter van bijna twee. In 'Eenvoudig verlangen', het derde verhaal, zijn enkele jonge Nederlanders voor een culturele activiteit in een dorp waar veel Rroma wonen. “Van allen heb ik een beetje, allen ben ik een beetje. Maar van wie van de vier het meeste?” Dat is het geheim van de auteur, misschien te ontdekken in het vierde verhaal waar hij de biografische rollen van zichzelf en zijn vrouw omdraait. In 'Zonder bewegwijzering' beschrijft hij namelijk het ontstaan van een romance tussen een welgestelde, hoogopgeleide jonge Nederlandse vrouw en een Rromajongen, en wat ze verder zoal van plan zijn.
Het zijn de persoonlijke waarnemingen van een allochtoon, mooi van toon getransformeerd in vier op zichzelf staande verhalen in het Roemenië van vandaag. Het is (ook) een prachtig (sint of kerst) cadeau voor nog geen tientje (incl. verzendkosten). Klik bij de Links op Frans Brinkman en de bestelwijze wordt meteen duidelijk.
De schepping verwart mij I
Kort geleden kreeg ik een ansichtkaart van Alain met alleen deze regel: “Ik wens je graag veel geluk.” Natuurlijk ken ik Alain, hij is een oude goede vriend, hij is regressietherapeut, maar we hebben al vele jaren geen contact meer (gehad). Internet is een soort scheppingsgids met miljarden data, dus ik had hem snel gevonden en beantwoordde zijn kaart met een hartelijke email. Daarop kreeg ik de volgende reactie, voor mij opnieuw zeer verrassend, maar dan weer anders.
“Lang geleden was jij mijn moeder op een andere planeet en toen we daar niet meer konden leven, zijn we samen als tweeling geboren op aarde, maar direct na de geboorte van elkaar gescheiden omdat onze moeder doodbloedde. Ik werd ingepikt door een vrouw die in het huidige leven mijn moeder was. Wat er van jou toen is geworden, weet ik niet. Maar dat we elkaar ooit weer moesten tegenkomen lijkt me duidelijk en als je nu niet had gereageerd, zou je onze vriendschap definitief hebben uitgesteld tot (in welke vorm dan ook) een volgend leven. Alain.”
“Het moeilijke is meer, dat het enig inhoudelijke in je reactie een esoterisch verhaal is over andere levens die misschien ooit zijn geleefd en die op een of andere wijze 'iets' zeggen over jou en mij. Begrijp me goed Alain, ik heb alle respect voor mensen die zich overtuigd bezighouden met reïncarnatie en ik kan ook zeker niet zeggen dat ik er niets van geloof, er zijn talrijke vragen waarop we het antwoord eenvoudig niet weten, maar dat we het niet weten, brengt me niet tot geloof. (Dat zei ik al eerder tegen Frederik, enkele logs geleden.) Ik houd me bezig met de realiteit van nu, ik beperk me tot dit leven - en dit betekent geen ongeloof naar jou, maar dat de concrete werkelijkheid me genoeg is. M.” Dan tot slot een kort fragment uit zijn volgende bericht:
“Je moet overigens wel een hele nare periode achter de rug hebben, kan ik me voorstellen. Zeker als je niet gewend bent over de grenzen van dit leven heen te kijken, word je van dat soort ernstige aandoeningen toch vaak angstig of depressief, lijkt me. Niet dat ik dat niet zou worden, maar mogelijk zou een lijntje door verschillende levens heen zo'n ziekte wat begrijpelijker kunnen maken (cursief van mij). Geen verwijt hoor: alle respect. Het hier en nu is het belangrijkste dat er is! Alain.”
[Schilderij van Lammert Boerma, Borgercompagnie.]
What’s on my mind?
I have nothing to say, not today, but
“it could be a good day; it needs to be treated carefully."Virginia Woolf
Wait, there is a someone … (I open the door. It’s a man, I don’t know him.)
“Good morning, Frans Brinkman asked me to sell this book, Roemenië decor.”
(I take the book, read a moment.) “It’s from an unknown writer.”
“It cost only € 9.75.”
“Well, ... is it literature? Is it?” (He knows?)
“Eh ..yes, yes, I’m sure it is. It’s a world apart, this book.”
[Afbeelding van het web, nadere gegevens onbekend, I searched for ‘whats on my mind?’ Over dat boek is alles bekend, geef een klik bij de Links op Frans Brinkman.] [Nader bericht van Cas wijst uit dat de afbeelding op een hoes staat van de Amerikaanse band Kansas, de elpee Leftoverture, 1977.]
For better or for worse
Het regent al vier, vijf dagen, vrijwel continu. Op de punt van het eilanddak, weerspiegeld in het glas van de tuindeuren, schuilt een merel onder een kleine waaier van sparrentakken. Dit is zijn bestaan, hij zit er roerloos met neerhangende vleugeltjes als een jasje dat al door en door nat is, niet moedeloos maar geduldig wachtend tot het anders wordt. (Hij kan het niet weten, kijkt geen tv, leest geen krant en al helemaal geen blogs.) En al het blad, dat al lang niet meer windvast is, is vrijwel verdwenen. Nog een enkel geelbruin kersenblad bibbert aan zijn tak.
[Afbeelding: "Autumn", schilderij van Jireh Design.]
Wanneer u voor het eerst hier komt en meer wilt lezen dan er al scrollend zo staat, ga dan naar het archief. Ik moet er zelf (ook) aan wennen. Aan meer trouwens dan alleen aan dit.
‘She hangs brightly?’
In de zomer van 2005 schreef Frans (Brinkman), een vriend die al vele jaren in Targoviste woont, mij een eerste regel (niet meteen de) van zijn roman. Visueel een intrigerend beeld. Op welke verdieping woont ze? Wie is ze? Een levensvervulling? Wat beweegt haar? Zoekt ze iemand? Is ze intelligent, gelukkig?
Frans: “Naast haar moeder leek ze best slank. Geïsoleerd dus objectief was ze van een verpletterende omvang. Ze had groenblauwe ogen, zoals die uitsluitend op de Balkan voorkomen of, beter gezegd, in Roemenië en daar alleen nog in de hoofdstad Boekarest of, preciezer, alleen in Strada Tutunari. Daar hadden ze een naam. Ze brandden naast geblondeerd blond. Zij zat daar op haar balkon als Gods levensvervulling in één geheel. Ze keek uit op een neonreclame die Life is a game aan en uitfloepte.”
Strada Tutunari? Woont Frans in zo’n inspirerende omgeving? Want waar Life is a game flikkert, daar gebeurt vast meer. Heeft hij nooit verteld. Maar goed, die zin staat er. Ik schreef hem regelmatig, moedigde hem aan, informeerde naar het vervolg, en naar de maanden verstreken, bleek het decor te vorderen. Op die eerste zin mailde ik onmiddellijk een denkbeeldige tweede want mijn nieuwsgierigheid was gewekt.
Marius: “Niet dat ze zich heerseres voelde. Neen, ze was zich van geen bedoeling bewust. Ze zat daar in het volle pond en in een luchtig hemd. Haar over de railing wegvliedende gedachten zijn niet te doorgronden, maar haar verschijning, haar blik, is betoverend. ‘Ik maak je gedachten wel’, dacht Frans.”
Dat heeft hij gedaan, maar daarover spoedig meer.
[Een balkondame vond ik niet, wel een fraaie maar te gewaagde foto van Olivia Gay. ‘Nog niet te doorgronden’ ook, en daarom een figurant van Jan Saudek.]
Zonder geweten … and the ability to choose IV
Frederik vertelde me ten slotte, dat naar zijn overtuiging alles gaat zoals het moet gaan en dat het een bepaalde bedoeling heeft. Maar de filosoof Van Tongeren ontkent dit met stelligheid. In Het lot in eigen hand lees ik: “Als alles noodzakelijk gaat zoals het gaat, is er creativiteit noch vrijheid, is er geen moraal, heeft een ethiek ook geen enkel fundament.” Zie je Frederik, het leven is geen boek of tekst die klaar is of zwijgt.
“Lichaam is lot”, schrijft Karin Spaink, en zij vervolgt aldus. “Zelf heb ik een noodlottig lichaam, het is immers ongeneeslijk ziek. Mijn lichaam is ziek, niet mijn geest.” Door deze zienswijze kan zij haar ziekte over het hoofd zien en een creatief leven leiden, “zolang mijn lichaam alleen maar mijn lot blijft kleuren en niet mijn hele leven gaat bepalen. Dan wil ik dood.” Neen, je kiest misschien niet zoveel in je leven, maar “waar het op aankomt”, zegt Paul de Wispelaere, “is het maximum te halen uit je beperkingen.”
[“Soul” by Marianne Mitchell.]
Zonder geweten ... III“Dat je voortdurend keuzes maakt, morele afwegingen, dat je je afvraagt wat in deze situatie wijs of goed is om te doen. Dat doe jij ook. Je vertelde immers over je ervaringen in de bouw waar je vroeger als tegelzetter werkte. Onlangs heb je dat weer opgepakt, de eerste drie dagen van de week in de bouw als tegelzetter bij een tegelzetterbedrijf, en die andere drie dagen in de eigen zaak. Na drie weken gaf je er de brui aan. Waarom?”
“Ja, luister. Het valt niet mee weer in de bouw te werken, dat is heel anders dan vroeger. Tegenwoordig wordt alles verlijmd, het vak (in de specie zetten), dat is er niet meer bij, het moet vlug gebeuren, vlug, tijd is geld. Je komt niks anders dan slecht afgewerkte wanden en vloeren tegen, je verhaal doen bij een uitvoerder kun je beter niet doen, want hij trekt zijn schouders op en zegt dan dat hij er niks aan kan doen, die voelen zich meteen aangevallen! Ik stopte ermee uit onvrede, ik lever goed werk af of geen.”
“Precies. Een andere factor dan je persoonlijke moraliteit kan ik niet bedenken. Die is er gewoon niet. Een vrije morele keus doet er wezenlijk toe. Je was niet willoos uitgeleverd aan de uitvoerder; je kon besluiten mee te gaan in de moderne bouwgewoonte maar ook je eigen geweten laten spreken. Niet alles gaat zoals het gaat. Soms kun je ergens moeilijk onderuit, de omstandigheden zijn dan meer bepalend, soms helpt het toeval je een handje maar vaak is er ook de vrijheid. Jij bepaalde of je verder zou gaan in de bouw. Als je niet zoveel scrupules had, was je ermee doorgegaan. Het verdiende tenslotte goed.” We gaan niet willoos mee in de waan van de dag, we veranderen onszelf, we nemen standpunten in en volgen het pad dat ons goeddunkt.[Afb.: 'Wise guys' by Denton Lund]
Zonder geweten .... IIAlles dat ik opmerkte, was niet tegen reïncarnatie, ik sta er voor open, maar ben niet direct gelovig in dit opzicht. En dat we op veel vragen het antwoord niet weten, brengt me evenmin tot geloof. Ik houd me liever bezig met de realiteit waarin we leven, daar heb ik mijn handen vol aan. Ik denk na over situaties waarin het mensen slecht gaat: over dak- en thuislozen, chronisch psychiatrische patiënten, vraagstukken van armoede – ik herken nooit de gedachte dat het lot hen treft om ze een lesje te leren. Dus mijn nek en alles, ‘het moest gebeuren’ Frederik?”
“Ja, luister, dat zou ik niet durven beweren”, zei hij. Maar even zachtmoedig als vastberaden voegde hij er aan toe vast te geloven dat alles een reden heeft. “Geen toeval? Geen menselijke keuzes?”, probeerde ik. “Alles gaat zoals het gaat?” Frederik knikte. Ik vind dit onwaarschijnlijk, een dergelijk soms verlammende houding naar situaties waartegen je in opstand dient te komen. “Ik geloof in persoonlijke moraliteit.”
“Wat bedoel je?”
[Afb.: Le combat de la conscience van Marcel Archard.]
Zonder geweten zou ik mijn ziel ruïneren I
Frederik, een sympathieke en intelligente groenteboer uit Kerkrade was, zonder het me op te dringen, ervan overtuigd al vele malen eerder te hebben geleefd.
“Wat herinner je je dan uit die vorige levens?”
“Niets”, zei hij, “als je je niet kunt herinneren wat je geweest bent, maar wel het gevoel ervaart, dat wat je aantrekt, goed aan voelt, dan kun je ervan uit gaan dat het zo is, dan is je gevoel sterker ontwikkeld dan je herinnering. Het is een innerlijk weten terug te komen totdat ik de lessen van het leven heb geleerd. Misschien dat jou dit met je nek niet zonder bedoeling is overkomen. De ziel stuurt zo dat je huidige leven op een bepaalde manier samenhangt met vorige levens, als het ware om het eigenlijke leven te kunnen voltooien. Wanneer of na hoeveel levens dat is volbracht, is onbekend, maar wat evenmin bekend is, is wat nu precies volbracht of voltooid moet worden.”
“En wanneer is er sprake van voltooiing van een mensenleven waarvan het een gegeven is dat het altijd tekortschiet”, antwoordde ik. “Het menselijk tekort, geen perfectie, onaf(gemaakt). Eigenlijk zeg je ook: de ziel stuurt zo, dat je in situaties terechtkomt waar je opnieuw verder van kunt leren. Een bekend psychologisch gegeven Frederik: de menselijke herhaling, en dan wordt bedoeld: de herhaling in het eigen (huidige) leven, de herhaling van gedragspatronen, van een manier van leven die toont alsof je van vorige vergelijkbare gebeurtenissen niets hebt geleerd. Vrijwel ieder mens overkomt en herkent dit. Het is deels karakterologisch, deels cognitief, dat wil zeggen, een kennisprobleem, dat je onvoldoende leert van ervaringen, denkt ach het zal dit keer wel anders zijn of meevallen - of men is overmoedig en zegt, neen hoor, dat gebeurt me niet nog een keer. Hoe het niet nog een keer gebeurt, weten mensen vaak niet.”
[ Adam and Eve (schilder onbekend) – The ability to choose.]
Casper als definitie van geluk
Op de dag dat we ons ‘de rechten van het kind’ herinneren, moeten we niet alleen aandacht schenken aan situaties waarin deze rechten worden geschonden, waar kinderen op ongelooflijk grove wijze worden miskend, mishandeld of misbruikt. Casper, het zoontje van mijn nicht en petekind, van Debby en Arthur, is drie jaar en kraait van plezier. Onbeschadigd en zorgeloos, een onbevangen, stralend gelukkig zieltje. Zo willen we het voor alle kinderen. Een warme, onuitwisbare innerlijke vorming is ingezet.[Foto Arthur Ras.]
Een observatie
Daartegen kant zich deze dag
Toen ik na een jaar oponthoud weer eens per trein naar Den Bosch ging, op de dag dat voor meteorologen de lente begint maar een koude noordoostenwind over de perrons blies, was ik de stille getuige van klein maar tenenkrommend geweld. Een jonge bleek uitziende moeder wist zich geen moment te beheersen naar haar om onduidelijke redenen huilende dochtertje in de kinderwagen.
“Hou op met dat gedrein.” “Stil nu”, snauwde ze van bovenaf. “Stil jij!” Maar dat was tevergeefs. En in het huilen vroeg het meiske: “Mamma boos?”
“Dat weet je best kleine trut. Dat gedram. Denk daar maar eens over na, dreinkop!”
“Ophouden zei ik!” Haar bloed kookt. Zij laat zich gaan, ze beeft en trilt. De uitzinnigheid een dreumes zoiets toe te bijten. Ik liep wat passen verder zodat ik het meisje kon zien; ze bleek een peuter van amper drie jaar wier verdriet genegeerd en geschonden werd – haat is geweld tegen het hart - en dat schaamteloos geboden kreeg over haar gedrag na te denken. Nu reeds kreeg ze de ellende van haar moeder over haar heen, alsof het een menselijke wet is dat te doen, terwijl er altijd wordt gezegd het juist anders te (willen) doen dan je ouders je voordeden. Maar hoe is het voor hen die geen geluk hebben gekend. Is het dan nog te leren en door te geven? Geluk is wel geen doel op zich, maar in de vorm van aandacht en mildheid en toewijding wel een grote behoefte, zoniet de eerste. Ik zag een gezichtje vol tranen en snotterigheid. Haar moeder bleef al die tijd achter de wagen staan, rookte starend ‘ins hinein’ haar sigaret en dronk haar ‘perron-koffie’. Het kind lijkt een ongelukkige last. Waar is haar liefde, haar verantwoordelijkheid, haar zelfbeheersing? Ik voelde me sprakeloos en bedacht dat dit openlijke drama mogelijk slechts een flauwe afspiegeling kon zijn van hoe het er thuis aan toe gaat als het deze vrouw niet naar d’r zin gaat en dat het kleine meiske geen hoop kent op een trooster(es). ‘Mogelijk’, al geeft het ‘dat weet je best kleine trut’ en ‘dreinkop’ een sterk vermoeden dat het niet toevallig om een slecht moment gaat. Niets is hopelozer dan het zonder deze liefde te moeten stellen. Geen vriendschap. Geen respect.
Eeuwige eenzaamheid?
[De dag van de rechten van het kind. Afbeelding: Moeder en kind, Willem Hofhuizen.]
De dag van de rechten van het kind
Het kind dat naar de wereld komt, gevraagd als het in liefde wordt gewenst, daar waar het licht door de vensters schijnt, het kind zich geborgen ‘weet’ en bejegend wordt als beschermwaardige medemens, daar kan een kwetsbaar kind in thuiskomen.
De moeder en de wereld hebben een fascinerend verbond. Hoeveel 'koninkrijken' zijn er niet die daar niets van begrijpen?
Alle andere gedachten zijn van uzelf.
[photo Christian Coingy]
Hoe zullen we het noemen: menselijke waarheid?
“Aandacht, nabijheid, liefde, toewijding … en daaruit zal een mens opstaan.” Dat is niet een cryptische verwijzing naar de verrijzenis, maar een uit ervaringen van velen geboren inzicht, hoewel ik hier Andries Baart citeer, “het is de kiem van een relatie.” Wanneer een zorgverlener, van welke discipline ook, louter denkt in protocollen en technieken of direct afkoerst op ‘oplossingen’ of er aan de andere kant met zijn hoofd niet bij is, heeft h/zij slechts oog voor een specifiek probleem waarbij de persoon om wie het gaat ongezien of ongemoeid blijft. Dát is het stille en onpersoonlijke geweld waarvoor vrijwel iedereen een feilloze antenne heeft, zich genegeerd voelt, meteen proeft dat zijn of haar verhaal er niet toe doet, niet van waarde lijkt. Dat is de afwezige, asymmetrische houding, haaks op de behoefte en belangen van de ander die primair respect, erkenning, begrip en aandacht verlangt.
“Gerespecteerd te (willen) worden is de meest onuitroeibare eigenschap van het menselijk hart”, zegt Blaise Pascal. Niets is zo beschadigend als het ondervinden van een ‘Wille zur Macht’, dan keer op keer, stelselmatig, vernedering te ondervinden. Daarom schrijft de Israëlische filosoof Margalit, “dat we het goede niet hoeven te bevorderen, maar het slechte, de vernedering, dáár moet onze aandacht op gespitst zijn, die moeten we bestrijden.”
[Zie het (mooiste) essay over Aandacht van Andries Baart (Lemma, 2004). Schilderij “Aandacht” van Herman Tulp.]
Greta: “Hoe vaak ik niet tegen Jules heb gezegd: ‘zullen we maar uit elkaar gaan’, neen, ik houd van hem hoor, maar denk dan, is dit alles, ik wil groots en meeslepend leven.” Ze denkt er vaak over te vluchten maar pakt nooit haar biezen; dat is ook niet werkelijk haar wens, maar het tekent de onvermijdelijke onrust van de mens. Geborgen in liefde, geborgen in de zorg voor twee kinderen, maar toch, is dit het?
Maar wat is ‘groots en meeslepend’? Ervandoor gaan met een jazzmuzikant die het komende weekend optreedt in Berlijn en volgende week in Parijs waar je erachter komt dat hij een vrouw en kinderen heeft, dan troost zoekt bij zijn vriend die je meeneemt naar Kopenhagen tot je na enkele weken ontdekt zwanger te zijn? Hoe zou haar fantasiewereld er uitzien? Groots en meeslepend - maar nog altijd geen antwoord op wat dat dan is. Het doet even denken aan Coetzee die een groot dichter wilde worden met een wild liefdesleven. Het werd anders, groots, maar wel heel anders.
[De afbeelding hierboven: Daydream, van David Schluss.]
Wegwijzer: halverwege november is een aantal postings van begin deze maand door de onzichtbare hand al opgeborgen in het archief. Voor een volledig overzicht klikt u direct op ‘november’. Aarzel niet eens een reactie te schrijven.
Jeroen Brouwers’ reservoir
Wat in foetusstaat verkeerde en al een auteur had
Hij dacht (JB), ík sta “in het midden van de reis door mijn leven” en het verloop van mijn woestijntocht, al mijn ervaringen en inzichten, zal ik nauwkeurig noteren. Dat gebeurde niet in een enkel schrift, maar op talloze, honderden, stukjes papier, vodjes, in schoolschriftjes en kladblokken, maar lange tijd werd niets daarvan weggegooid. Integendeel, het vormde een papiermijn, een oase, te zien als een ‘oerboek’, waaruit hij nog jaren kon putten.
Die archiefdozen of met elastiek bijeengehouden snippers en blaadjes, althans wat er werkelijk van de oerfragmenten bewaard is gebleven en waaruit uiteindelijk een van zijn grootste werken ontstaat zoals Zonopgangen boven zee en De zondvloed worden opnieuw ingezien, zowel door de schrijver zelf als door Johan Vandenbroucke. JB is nu 66, “dus aan het eind van de tweede helft en dit (In het midden van …) is mijn testament.”
Brouwers woonde altijd in stiltegebieden, ook nu nog, zij het “in een aanzienlijk gerieflijker huis” in Zutendaal, in een bos in Vlaanderen. Zijn huis heet ‘Noli me tangere’: raak mij niet aan, blijf uit mijn buurt, laat mij met rust. (In 2005 schreef ik samen met Frans B. ‘Raak me (niet) aan’ voor het fraaie boek over het Utrechtse Catharijnehuis voor dak- en thuislozen – waar het juist om de waardevolle figuurlijke betekenissen gaat van de aanraking.) Maar toen hij in 1973 in het Krekelbos woonde, in de bossen van het Vlaamse Rijmenam, hield alles hem van het werk, “alsof er een noodweer door zijn hoofd tolt’. ‘Het gaat rot met mij. Dus ik ben.” Het zijn z’n loden jaren.
Het eerste mooie hoofdstuk Het Grote Boek, gaat, behalve dat het laat zien wat van alle schrijfsels op desnoods boterhamzakjes, als het maar van papier was en niet een dood herfstbad, van waarde bleek – “het erts waaruit later beter gelukte teksten konden worden gewonnen” -, onder meer over het doorstrepen, het met een dikke viltpenstreep doorhalen van gebeurtenissen, ergernissen, frustraties, inclusief zijn baan bij Manteau waar hij zich bezighield met kortademige ijdele prullen van anderen, het schrappen van alles dat hem beklemde. Het eerste hoofdstuk gaat ten slotte over al wat al lang op kladpapiertjes geschreven stond en een bestemming kreeg in verscheidene boeken, verhalen of tekstcollages: “ik hoefde ze maar aan te kleden en te kammen om er literatuur van te maken.” Het zeer openhartige hoofdstuk is in die zin een inleiding op het derde hoofdstuk: een dummy vol aantekeningen, aanvullingen en veranderingen, een overblijfsel van terzijde gelegde teksten, de uiteindelijke weergave hieruit van In het midden van de reis door mijn leven. Het tussenliggende tweede hoofdstuk is een essay van Johan Vandenbroucke. Het is een analyse van de oerfragmenten waaruit nogmaals blijkt dat ‘alles naar alles verwijst’, zoals JB zelf, ik weet niet mee waar, ooit zei over zijn boeken: het zijn net luciferdoosjes die je almaar in elkaar kunt blijven schuiven. Tot slot volgt dan De Exelse testamenten, een magistrale, ontroerende nagedachtenis aan zijn eerder gestorven geliefde. In een decor van storm, “de wind sloeg daken van huizen en smeet ze op rijdende auto’s”, zich bijtend, zich in het gezicht slaand, onder die stormwind kwam het doodsbericht en meteen ook de razende angst: “om het alleenzijn, de ontheemdheid, de misluktheid, de machteloosheid en de talentloosheid, de vergeefsheid van alle dingen. Maak mij warm met je handen, ik heb het zo koud. Iris, Iris!” Ik ken geen Nederlandstalig schrijver op wiens naam ik liever kom dan JB – hoewel dit te kras is gezegd. Met hoeveel genoegen las ik niet Wolkers, Morriën, van Zomeren, Buddingh’, van der Heijden, de Wispelaere, Warren, maar het Brouweriaanse is wel heel bijzonder, het meest ambachtelijke.
[Uitgave van Atlas, 2006, met vele niet eerder gepubliceerde biografische gegevens, documenten en foto’s.]
Wat ik bracht, tot nu, deugt het?
Hoe dikwijls ik me die vraag niet heb gesteld, deugt het wat ik schrijf? Vaak leef ik in de twijfelachtige spanning dat het mooi is, warm waar nodig want ik heb een afkeer van het kille, abstracte, saaie onpersoonlijke vertoog, dat het misschien poëtisch is hier en daar maar helder, maar dat het toch niks voorstelt, dat het te bont is, te omslachtig en dat ik me verbeeld te kunnen schrijven. ‘Schrijver, ik?’ Vragen die (ook) Jeroen Brouwers zich stelde toen hij in zijn verwaarloosde boshuisje Krekelbos worstelde met Trommels en trompetten, de novelle die na veel gefoeter en geploeter in 1973 verscheen, - en jubelend werd ontvangen. Hij was toen 33. Toen ik 33 was, in 1982, verscheen mijn eerste boek, Beschermd wonen, verramsjt en voorgoed vergeten.
En nu, in Crossing my soul put ik uit deels oude aantekeningen of refereer aan net gelezen teksten, ik steel uit mijn dagboeken of kopieer passages die ik schreef, ik knip, plak en polijst betekenissen en als alle grammatica in orde is, rommel ik aan mijn ritme. Ik roffel net zo lang op de trom tot het mij aanstaat. Laat mij maar zijn die ik me misschien verbeeld, zoals ik hier (in oktober) eerder schreef in ‘een (onvolkomen) psychologisch portret’. Een kunstenaar ben ik niet, een goed levenskunstenaar misschien evenmin, maar een schrijver die puzzelt met zijn gedachten, met zijn bekommernissen, die ben ik zeker. Maar deugt het ook?
Jeroen Brouwers (in 1973, in een voor hem hoogst verwarrende en verdrietige periode want zijn huwelijk raakt op een dood spoor en zijn geliefde met wie hij enige jaren een verstolen relatie had, Nachtschade (soms verschijnt ze als Iris, elders als Aurora en weer ergens anders heet zij Lis) – “de felste liefde van zijn leven met een adembenemend lijf”, Anne, dochter van Jan Walravens - , pleegt zelfmoord): “Ik verbeeld me dat ik kan schrijven. In mijn vormingsjaren is mij zowel op kostscholen als door mijn ouders met roomskatholieke dril bijgebracht mezelf ‘niks’ te vinden, ergo het werk mijner handen nog nikser, daar dit met ijdelheid en hoogmoed tot stand is gebracht.” En steeds stelt hij de gewetensvraag: Deugt het?
Welke fictie behoort tot de feiten? “Nachtschade en ik zijn in 1979 gehuwd en tot 1992 bij elkaar gebleven, onze dochter, geboren in 1980, heet Anne.”
[JB, In het midden van de reis door mijn leven, Atlas 2006. Afbeelding: “The Writing Man” van Eulabio Fabie de Silva]
Verscheurde stilte
Elke keer zocht Mette in de grote huiskamer van het kasteel het stilste plekje. Zwijgzaam, een schoon gelaat vol angstige zorg, treurigheid en lijden. Ze ging dáár zitten waar alles te overzien was en staarde voor zich uit alsof ze er niet bij hoorde maar ze was er wel. Haar gestalte sprak alsof ze in de herinnering leeft, alsof ze het leven niet meer begrijpt en toch ergens reikhalzend naar uitziet. Zou in die zo opzettelijk gecreëerde afstand ook het verlangen zijn verborgen begrepen te worden? Gerespecteerd, even waardig als wie ook in de kamer, de kamer van het gesprek, van de lach, van de genegenheid. Soms toverde Mette een vage glimlach in haar mooie, bleke gezicht dat omzoomd is met zilvergrijs haar, maar ik wist niet of het verlegenheid was, alsof ze opeens gewaar werd ontdekt te zijn – maar er is daar ook geen schuilhoek waarin ze kan wonen.
Tijdens het eten ging het even over kinderen en Ruth vroeg haar of zij kinderen heeft. “Kinderen ...?” Mette herhaalde het woord kinderen alsof ze er over moest nadenken dat zeggen dat ze geen kinderen heeft het gemakkelijkste antwoord zou (kunnen) zijn. Toen zei ze: “Neen”, maar een ander was al aan het woord en haar neen werd nog slechts in een ooghoek opgemerkt, en genegeerd. Haar neen klonk wel beslist, maar tegelijk ook onzeker alsof ze het juiste antwoord in het midden wilde laten. Mette neemt geen deel aan het gesprek, en als er even niet aan is te ontsnappen, zijn haar antwoorden cryptisch, zacht, niet bits of luid, ook geen onontwarbare taal, maar precies wat het woord betekent: duister, verborgen.
Niemand is de redder van de ander. Soms is het beter geen vragen te stellen, terwijl je haar niet wilt ‘laten’ maar niet weet wat wel als goed wordt ervaren. En er zijn zoveel vragen waarop het antwoord niet is te vinden. Ik kan wel denken, ‘kom eens uit je hoofd’, maar ze laat zich kennen als zacht en zwijgt alsof ze haar verhaal is verloren. We liepen samen door de lange laan in het bos van Slangenburg, zij was niet alleen, en nu ik dit schrijf en met weemoed aan haar denk, ben ik verloren wat ik haar heb verteld.
“Ik hoop dat het je goed gaat als je straks weer thuis bent.”
“Thuis”, fluisterde ze - “je bedoelt de plaats waar ik woon.”
“Ja.” Dit is niet cryptisch, dit is schrijnende eenzaamheid. Het maakt me eenzaam dit te weten.
[Schilderij van Joke Blaauw, “Roos” – maar een roos met een ander verhaal dan gewoonlijk van een roos.]
Tussen schijn en wezen
Een vrouw gezegend met verstand,
met ernst en aldoor sprankelend blauwe ogen,
die vrouw, haar levenslust, kiest het onbekende, gaat
in tempo het vrije pad en kampement.
Zij telt haar zegeningen van het tekort,
schikt met kinderen lot en geborgenheid, en
bewandelt onvermoeibaar wegen van natuur,
meditatie en vrije expressie -
en wordt toch geraakt door het onverwachte,
het leek onbestaanbaar er niet door getroffen
te kunnen worden, maar wijsheid ontvangt, een hart
verovert wat niet kent. Haar verhaal zal verbazen.
Zij, een schoonheid met gulle lach, plots wordt zij stil,
sprakeloos, zij is ontroerd, zie haar ogen, haar verwondering.
Het is oorverdovend stil, hoor haar muisstille hart, as calm,
as calm as the moon above the woods.
[Voor Romée. Afbeelding: Botticelli, De herfst.]
‘Poëzie van gebroken levens’
Solidariteit is geloven in een menselijke samenleving
Kamiano van de Sint-Egidiusgemeenschap is een restaurant in Antwerpen voor thuislozen en anderen die het moeilijk hebben. (Sant'Egidio is een christelijke lekengemeenschap die in meer dan zestig landen van alle continenten 40.000 leden telt. Die komen samen voor het gebed en knopen vriendschap aan met de armsten van de eigen stad. Op wereldschaal zet Sant’Egidio zich in voor de dialoog tussen godsdiensten en de vreedzame oplossing van conflicten.) Kamiano staat voor respect en waardering voor de uitgeslotenen. Tweemaal per week kunnen de mensen er terecht voor een volledige verse warme maaltijd. Het is een open huis waar mensen in nood vriendschap en luisterbereidheid ondervinden, waar ze respect ervaren en hun waardigheid kunnen weervinden, waar ze zelf bepalen of en wanneer ze hun verhaal doen. Voor de vele vrijwilligers zijn deze mensen geen probleemgevallen waar ze vaak voor doorgaan, maar in de eerste plaats vrienden. “Vriendschap is het hoofdingrediënt van iedere ontmoeting.”
De Kamiano-boetiek biedt tweedehandse kledij aan. En binnenkort is er ook de mogelijkheid van medisch onderzoek, wasgelegenheid en is er een kapper. Alles gebeurt gratis en op basis van vrijwillige inzet, zonder professionele krachten. 'Voor niets hebt gij gekregen, voor niets moet gij geven', is een evangelisch principe dat de Sint-Egidiusgemeenschap hoog in het vaandel draagt.
Het boek Bob wil geen schuldigen aanwijzen voor de hulpeloosheid en verlatenheid van zwervers. “Niet de schuldvraag telt – want die is vaak maar een reden om ons niet verantwoordelijk te voelen – wel ons antwoord op de vraag van een medemens in nood.”
Dirk van der Goten is leraar en een van de vrijwilligers van Kamiano. Hij brengt het verhaal van tien mensen maar is zelf geheel afwezig, totaal onbelangrijk. Even, in de epiloog, is de auteur er zelf in enkele regels, maar verder zijn de verhalen de ongeschreven boeken van de mensen zelf. Mooi? Triest? Mooi is het woord niet, de tristesse, dat is het leven, zoals ook de schoonheid. Het is een indrukwekkend en ontroerend boek, geschreven door een vriend die luisteren kan. (Maar ook schrijven.)[Dirk van der Goten (2004), Het boek Bob. Verhalen uit Kamiano, Lannoo; ISBN 90 209 5877 1, 160 pag., geb., € 16.95. Schilderij: “Zwerfmensen” van Françoise Blommaerts.]
Denkend over de zin van het leven gaat het er om of ons leven een doel heeft, ergens heen gaat en of het iets wil zeggen, een betekenis heeft. Deze twee dimensies, richting en betekenis, verwijzen naar iets dat buiten ons ligt, zoals de zin in het katholieke geloof altijd verwees naar het hiernamaals, zoals woorden naar andere woorden verwijzen en tekens naar iets anders dan tekens.
Wat kan het leven zin geven?
God heeft een zin voor gelovige mensen. Maar wat betekent Hij? Wat zou Hij nastreven? Dat weet alleen God, maar ook Hij verwijst naar elders, naar de Drieëenheid en de schepping: er is slechts zin in de relatie, in de ontmoeting. Er is zin in mijn leven indien het zich in dienst stelt van iets anders: een zaak die ik rechtvaardig vind, een waarheid die ik zoek of verdedig, mensen van wie ik houd, iets wat ik nastreef.
Waar we naar toe gaan, om die vraag gaat het niet, dat weten we maar al te goed: naar ouderdom, naar de dood. Het gaat er om wat we willen. Niet of het leven een zin heeft, maar wat het waard is. Alles zegt ons iets naargelang de liefde die we ervoor voelen. Die bestaat slechts in de relatie.
Leven en dood, en het enige dat deze twee verbindt is het leven zelf. Het leven is geen raadsel dat we moeten oplossen. Het is geen wedloop die we moeten winnen. Het is een avontuur, een risico, een inspanning die de moeite waard is als we ervan houden.
Er is geen absolute zin in dit vergankelijke leven. Het zoeken naar de zin van het leven suggereert dat de zin reeds ergens bestaat en dat we hem slechts hoeven te ontdekken. Maar er is geen verborgen zin, alleen het leven brengt de zin voort. De zin hoeven we niet te zoeken of te vinden; we moeten hem voortbrengen, bedenken, maken. Dat is de functie van het denken, de functie van de liefde, de kunst. Het is goed te moeten nadenken over hoe collectief geluk, gedeeld geluk, kan worden bevorderd. Nadenken en bevorderen: niet alleen erover nadenken maar er ook naar handelen. Dit moeten is te ervaren als opgave, als uitdaging, om het lijden te verminderen en om samen te leven, op de best mogelijke manier.[Schilderij "De ontmoeting" van Wil Lof]
Het levensvuur van aandacht
In het Zuid-Hollandse Dirksland woont een vriend die de ziekte van Kahler heeft (kanker). Nee, hij is gelukkig niet in levensgevaar, maar vanwege de gestegen plasmacellen in het beenmerg ondergaat hij momenteel nare behandelingen, chemo en allerlei bijkomende medicatie, teneinde in een fase terecht te komen waarin de ziekte stabiel is, zal stagneren, ophoudt een directe dreiging te zijn. Hij stelt zich twee fundamentele vragen: 'Is het wel goed uit te leggen wat er allemaal gebeurt?' en 'Kunnen we er wel mee omgaan?'
Vanaf het begin heeft hij gedetailleerd uitgelegd hoe het vooral fysiek met hem was gesteld, wat de aard en de variatie van de behandeling kon zijn en uiteindelijk ook werd, welke (mogelijke) gevolgen zouden kunnen optreden en hoe telkens getast werd naar de veranderende prognose.
De psychische last van wat je overkomt wanneer je kanker hebt, hoe het in je grijpt en graaft, hoe breekbaar je je voelt, hoe onwetend het je maakt, blijkt vaak moeilijk uit te leggen, het is voor velen een pijnlijker last dan al het andere. De machteloosheid, de donkere eenzaamheid soms, de angst, de onzekerheid, de rusteloosheid, de somberheid - de zorgeloosheid die niet meer wakker lijkt te willen worden. Terwijl je levendig wilt zijn en opgewekt, raak je sprakeloos. De vuren zijn niet gedoofd: er is hoop, er is de belofte dat de narigheid beterschap brengt, er is het uitzicht dat het anders wordt.
Hij en zijn vrouw gáán ermee om zover hun kracht, moed en nabijheid reikt, en dat is verder dan nu te geloven is. Het is een vermoeiend maar geen onbegaanbaar pad. Alleen een blijvende aandacht en nabijheid kunnen het leed verlichten, zijn troostend, zelfs zonder dat er almaar over wordt gepraat - dat is het grootste geschenk, en dat het voor de ander weldadig blijkt, dat is weer zijn geschenk aan haar. Het oog naar de ander blijft een weldaad, niet alleen wanneer de kwetsbaarheid zich feitelijk toont, maar elke dag opnieuw, levenslang. Het oog op het goede is nooit schadelijk, het brengt baat, het verzacht, het stemt mild en maakt het bestaan van lichter gewicht. Het is dit oog dat samenbindt.
De ascese, de solitaire levenswandel, de realiteit
Monnik zijn, de afzondering van de wereld, woestijn en oase tegelijk – de discipline, de confrontatie, de rumoerloze zoektocht, de bezinning, zo min mogelijk verleidingen, de herhaling van almaar hetzelfde - houdt verband met bidden, niet omdat de monnik er een belangrijk deel van zijn tijd aan besteedt, maar omdat het de eerste plaats moet krijgen. “Niets is belangrijker dan bidden”, dat schrijft Sint Benedictus. Kees Fens in De regel van Augustinus: “Het innerlijke bidden moet overeenstemmen met het uiterlijke. Dat is het begin van de contemplatie.”
Bij Augustinus lees ik nog deze mooie, universele, regel: “Spreek geen harde woorden. En zijn ze u eenmaal over de lippen gekomen, deins er dan niet voor terug diezelfde lippen te gebruiken voor het genezende woord: ze brachten ook de wonde toe.”
Ik zag het gebeuren toen Adelaïde in de huiskamer opmerkte: “Ik ben een en al luisterend oor.”
“Ik geloof er geen bal van”, was de onverwachte sneer van Ilse. Adelaïde keek haar geschokt aan en snelde de kamer uit.
“Ze is zó druk, hoe kan ze nu luisteren?” Ilse, al halverwege zeventig, keek me verbouwereerd aan, met volle doordringende ogen in een bleek gezicht. Ze is gewend te provoceren, maar het is vooral een uitlokking tot dialoog.
“Je hebt haar gekwetst Ilse. Ze is wel druk, maar ze heeft levendige aandacht.” Dit is niet overdreven. Adelaïde heeft het vermogen bij anderen stukjes goud tevoorschijn te halen.
“Ik ga naar haar toe. Ik moét het goedmaken.” Met betraande ogen en gekromde rug liep ze naar de hal. Omdat het bijna etenstijd was, begaf ik me een minuutje later eveneens naar de hal en zag ik dat de omhelzing het harde woord weer uitwiste.
[Schilderij van Jorieke Putman, ‘De Complete’, Kapel Achelse Kluis]
Elke weg is goed, als die maar een hart heeft
De monniken, de sobere maar warme want in Romaanse stijl gebouwde abdij, doen mij telkens weer prakkiseren over de al zo dikwijls heldhaftig geuite ‘wens’ ook monnik te willen zijn. Maar ben ik een monnik? Ben ik de man die een dergelijke eenzaamheid de baas zou kunnen worden, de man die een harmonieus begrip heeft over de schoonheid van Jezus Christus “die ons bemint ten einde toe”? Ben ik de man die tevredenheid, innerlijke rust, zou vinden in een onthechte levensstijl, werkelijk in staat me te wijden aan een leven met God, de man met een diep verlangen naar het geluk van een evangelisch leven?
Ik ben de man die vaak gezegd heeft monnik te (hebben) willen worden, die een diep respect en genegenheid voelt voor het monnikenleven, hoewel mijn beeld lang niet samenvalt met de realiteit ervan, en ik ben ook de man die zich wel herkent in het ideaal dat hen drijft, maar het is tevens een levenswijze waarvoor ik terugdeins, die me verwart en aan alles doet twijfelen – en precies dat wil ik niet, ik houd vast aan wat ik het goede vind. Of is het durven en ben ik weer niet moedig genoeg? Nee, dat is het niet – en het is evenmin de ‘geslotenheid’, maar, hoewel ik graag in de abdij kom en dat is in feite slechts de kapel, ‘de complete’, - ik weet dat ik het niet kan missen: de ontmoeting, de betrokkenheid op anderen, de harmonie, de gehechtheid aan veel en velen, de inspiratie door al wat er gebeurt, de menselijke aanraking, de tederheid … De monniken hebben een hart voor Christus, voor de onveranderlijkheid, maar hebben ze ook een sprekend hart voor elkaar? Leven ze voor zichzelf, elk het eigen pad, of leven ze werkelijk in gemeenschap? Steunen ze elkaar, bemoedigen en troosten ze elkaar, inspireren ze elkaar en de gemeenschap?
Het is wellicht onnodig al deze vragen te stellen. Als ik in de abdij ben dan voel ik me thuis, het raakt en ontroert me, maar we hebben allemaal (niet één weg) slechts één leven, en dit is het mijne. En ik weet dat de weg die ik volg een hart heeft.
[Afbeelding: Titus, Rembrandt.]
Een toestand van vrede. De Complete
De abdij ligt afgezonderd van de wereld, maar het is een afzondering die de monniken niet opsluit. Het is een levensschool, een gemeenschap, een thuis – een levenswijze die ik zeer bewonder. Hier leven de volgelingen van de heilige Benedictus van Nursia.
Er heerst een zodanige stilte dat je de vogels hoort fluiten. Het is de stilte van nederigheid en toewijding. Het is er vrij van hardheid, van ongevoeligheid. Elke avond om half negen ga ik naar de dagsluiting, de Complete, die slechts op het punt van de korte schriftlezing en de meditatie van elkaar verschillen. De negen monniken gaan naar hun plaats en weldra klinkt het vredige gezang van psalmen. Geen luid gezang, maar zacht en met overgave, alsof een geschenk gegeven wordt. Dan volgt een enkel gebed. De lichten gaan een paar minuten uit zodat de meditatie nog niet door een vonkje kan worden afgeleid. Ondertussen is een van de monniken naar achteren gegaan en luidt de klokken: het Engel des Heren, de Engel die aan Maria geboodschapt heeft. Het licht blijft uit, op het altaar brandt een kaars. De monnik laat de klok driemaal slaan, bidt in stilte een Wees gegroet en herhaalt dit nog tweemaal. Tot slot klinken er welluidende, feestelijke, ontroerende klokslagen. Met volle slag.
De dag is gesloten.
Strijd en aanbidding, het een evengoed als het ander moet het voor hen zijn. Geen gemakkelijke liefde. Net als bij mij thuis waar het leven anderhalf jaar geleden kantelde naar een vorm die we niet gewend waren. Het is volstrekt irreëel te denken dat de tegenspoed ons niet deren kan of te verwachten dat het maar verdoezeld moet worden. We willen het allemaal goed hebben, het geluk proeven, de wind in de zeilen, maar het is ondenkbaar altijd op de toppen van het ideale stand te kunnen houden. Het is juist de kunst te volharden als het een tijd tegenzit, als de keerzijde het geduld beproeft.
Net als bij iedereen thuis. Het leven is niet alleen een feest, het is ook strijd.
[Foto Joop van Reeken, St. Willibrords abdij, het Benedictijns kloosterleven – de Complete, dagsluiting.]
Een Kasteel, De Gastvrijheid, De Vriendschap
De ziel van een huis
Het is een prachtig gebouw, daterend uit de 14de eeuw en oorspronkelijk een middeleeuwse havezate. Een paar honderd jaar later is het verbouwd tot wat het nu nog is, maar het kraakt naar oude tijden.
Grote sfeervolle huiskamers met riante zithoeken met ouderwets, met nostalgisch maar ook antiek meubilair, met warme vloer- en tafelkleden, met een reusachtige schouw met gebeeldhouwde ornamenten langszij en overal grote schilderijen, vele met typische verbeeldingen uit de middeleeuwen. Precies even betoverend zijn de zeer grote en rijk gestoffeerde tweepersoonsslaapkamers en de torenkamers op de eerste verdieping. Alleen de tweede verdieping, de zolder, kent uitgesproken eenvoud. Daar, op zolder, ‘woonde’ ik even, in Morgenstond. Aan de oostzijde, en door het raam zag ik dat er ’s morgens een doorzichtig laken van mist over de weide ligt.
Er zijn elke keer weer aardige gasten en heel weldadige en waardevolle ontmoetingen. De een komt voor bezinning op zijn bestaan omdat er keuzes gemaakt moeten worden, de ander voor louter rust in een omgeving die zo gastvrij is dat het een eiland lijkt in een wereld waaruit gevlucht is, en weer een ander om een bepaalde tekst te voltooien. Velen, zo blijkt, komen er heel geregeld. Sommigen, neen, velen hebben moeilijke, pijnvolle, geschiedenissen achter zich waarvan in deze oase weinig geheim blijft omdat de gasten in alle discretie een voor elkaar verrassende openheid, betrokkenheid en bezorgdheid tonen. In een hotel blijven de vreemden vreemd, maar hier zijn de grenzen ver opgeschoven, er is geen sociale huiver, maar ook is er geen vrijpostigheid, geen opdringerigheid. Mensen zijn gekleed in hartelijkheid want daar is, bij niet allen even nadrukkelijk, ook een onstilbare behoefte aan. Men laat zich gemakkelijk aanspreken; het gebeurt zó rustig en respectvol dat mensen er verguld mee zijn, wat overigens niet wil zeggen dat iedereen zijn ziel blootlegt. Maar wat vriendschap is, wordt ten diepste ervaren, dat is het wonder(lijke) van Slangenburg.
Ondanks dat een vlechtwerk van meest donkergrijze wolken geruisloos voor de volle maan schoof, bleven op de avond van 4 november de eikenbomen langs de paardenwei waar ik op uitkeek zo goed weerspiegeld in de gracht dat de schaduw bijna evenveel vertelde over het gebladerte als overdag.
Evenals vorig jaar ben ik weinig toegekomen aan het voorgenomen lezen want al schreef ik een korte impressie over Jeroen Brouwers, zijn boek moet ik nogmaals lezen. Steeds weer ben ik dankbaar opgehouden door persoonlijke, warmhartige, ontmoetingen met vele mensen wier gestalten, gezichten en geschiedenissen mij boeiden, ontroerden en zullen bijblijven. Naar hen ging mijn aandacht uit, met hen heb ik mij verbonden, en ik heb werkelijk ervaren hoe deze kracht van aandacht – waar zo’n mateloos verlangen naar bestaat – bij sommigen langdurig was ondergesneeuwd en weer teruggevonden werd.
Partir c’est mourir un peu.
De Heerlijckheid Slangenburgh
Toch ook weer over vriendschap
Om juister te zijn: vorig jaar logeerde ik in ‘Morgenlicht’ en in de ‘Oosterkim’, deze keer in ‘Morgenstond’, drie naast elkaar gelegen kamers, uiteraard aan de oostkant van het kasteel. (‘Pas over zeven dagen’, dacht ik, ‘keer ik terug naar de wereld die ik achterliet, maar in mijn hart behoud ik hem.’ Alleen vanuit die rust is ook elders te zijn.) Alles dat ik meebracht kwam in de kast op z’n plaats, maar het merkwaardige was dat de wekker ophield met tikken zodra ik hem uit de koffer nam en nog in mijn hand had. Vier minuten over half twaalf, het klopte met mijn horlogetijd. ‘Is het mijn tijd? Nu al?’
De donkerte sloeg niet toe. Het bleek niet de tijd die ik krijg want alle volgende zonsopkomsten ben ik er nog. Ik heb een krachtig levensinstinct, gelukkig maar.
Het kasteel, zoals het nu is, heeft een authentiek interieur dat grotendeels dateert uit de 17de eeuw. Een zekere Frederik van Baer liet ter herinnering aan de vroege dood van zijn vrouw het huis overdadig voorzien van schitterende symbolische plafond- en muurschilderingen, geschilderd door Gerard Hoet. Er zijn meer dan veertig enorm grote doeken, zo groot als de wand, die alle geloof ik zinspelen op liefde, op liefde in allerlei schakeringen – van frivool tot innig en ‘eeuwig’ -, de liefde als hoogste van alle deugden, geflankeerd door het geloof en de hoop. Natuurlijk ook de rechtvaardigheid, de matigheid en de voorzichtigheid. Niets van het knap gemaakte stuc- en houtsnijwerk is verloren gegaan. Het ‘huis’ was door de eeuwen heen particulier bezit van verscheidene families, met als laatste en gedurende enkele generaties de Duitse familie Passmann.
Al vóór de tweede wereldoorlog feitelijk was begonnen, werd kasteel Slangenburg staatseigendom, niet omdat de familie armlastig was geworden en het grote landgoed – er behoorden zeker acht boerderijen toe, met elk vele hectaren land - niet meer kon beheren, maar omdat het een Duitse familie was en de Staat louter daarin het motief vond voor onteigening. Het was vijandelijk vermogen. De wrange waarheid is geweest, dat de familie zéér anti-Hitler was en dat de toenmalige baron met gelijkgestemden een soort ondergrondse verzetsgroep had gevormd waarvan een aantal leden, ergens in de loop van de oorlog, door de Nazi’s gevangen werd genomen en werd gedwongen tot het noemen van de namen van hun partijgenoten, hun naaste sympathisanten. Hij zag hen niet meer terug, zoals zovelen gefusilleerd.
De baron die met zijn gezin al van huis en haard was verdreven, niet had weten te ontkomen aan militaire dienst, hoorde dat een aantal vrienden was opgepakt en raakte van dit nieuws over hen in zware gewetensnood. ‘Als het mijn beurt zal zijn, mij het vuur aan de schenen wordt gelegd, zal ik dan in staat zijn te zwijgen? Als er de dreiging is van kwellende marteling, als de loop van een geweer …. ik vrees op het moment van de diepste doodsangst een egoïst te zijn, in de hoop zo mijn leven te sparen en niet te offeren aan dat van anderen, mijn partijgenoten, mijn kameraden en familie. Ik vrees dat mijn solidariteit sneuvelt.’
De baron zag maar één oplossing: op een verlaten plek een kogel door zijn hoofd. (Georg Lichtenberg, in Jeroen Brouwers: “De dood is het beste bolwerk tegen de stormen van het lot.”)
Wat een afgrijselijk en eenzame innerlijke strijd moet dat zijn geweest, een strijd die nauwelijks verschillen kan van de doodsangst die hij vreesde. Was het dat? Hij wilde niet tandenknarsend van schaamte uit de oorlog komen en dat de achterklap luidde dat hij een volksverrader was. Was het dat dan? Neen, dat was het evenmin, het was het verraad dat hij niet wilde, preciezer, hij wilde niet, mogelijkerwijs, in een situatie van dwang komen, aan de alles onterende druk bezwijken en de namen van zijn vrienden prijsgeven, hoe stamelend ze ook over zijn lippen zouden komen. Dát bracht hem op 34-jarige leeftijd tot zelfmoord. Gezegd werd dat hij “durch ein Unglücksfall ums Leben kam”, deze Baron Otwin Rüdt von Collenberg.
Was het een heldendaad? In Duitse kring, zeker toen en tot lang nadien, heerste daarover grote verdeeldheid en er werd daarom nooit over gesproken. Je hoorde de nationale solidariteit gewoon niet te schenden. Wat goed en fout is, zijn complexe begrippen. Maar er is geloof ik weinig twijfel mogelijk: het is toch moreel hoogstaand je leven te geven uit vrees dat anders dat van anderen ontnomen zal worden. Een ware vriend in een zeer onvriendelijke tijd.
[Ik kan niet verwijzen naar een schriftelijke bron, dit is wat ik onthouden heb uit een tafelgesprek. Er bestaat wel een boek over Huis, landgoed en bewoners van Slangenburg, van de hand van dr. H. Hoppenbrouwers e.a., maar daarin wordt ook bovenstaande toedracht verzwegen.]
Waar ik heen ga, daar overnacht ik in de kamer ‘Morgenstond’. Vorig jaar was ik er ook, a time like an Indian Summer, en logeerde ik in de ‘Ochtendkim’. Vanuit een niet te openen venster is er uitzicht over een brede gracht naar grazige weiden waarover ’s morgens een dunne deken van mist hangt. Daarachter ligt een dicht bos.
Hier zal ik een week niet verschijnen. Wat een rust – eenzelfde rust als daar, dat hoop ik, as calm as the moon above the woods.
[Foto van Michael Kroese.]
Alles heeft zijn tijd
De onwetendheid is een existentieel gegeven want niemand weet of de volgende morgenstond er weer zijn zal. Daarom nemen we onze toevlucht tot de hoop. Wat een cliché, wat al te menselijk dit zo te zeggen. Ik moet een eigen weg gaan in al wat mij is overkomen en soms denk ik, ‘heb ik een weg?’ Hoe lang duurt mijn toekomst? Hoeveel morgenrood zal er nog schijnen? Nietzsche: “Er is zoveel morgenrood, dat nog nooit geschenen heeft.”
Voor ik het weet, spreekt de geschiedenis. Vanavond ga ik naar een lezing over Nietzsche, een briljant ‘filosoof’, een ijdele maar, ook in zijn donkerste jaren, ijverige man, een Einzelgänger, geplaagd door gezondheidskwalen, een man met idolen, een man met onvervulde verlangens, een man met vaste en oersterke overtuigingen waar hij soms ook weer van terugkwam, een man van de controverse, een man met een kristalheldere hand van schrijven, hoewel soms ondoordringbaar, een man van aforismen, van de polemiek, een scherpslijter. Hij was een veellezer, op allerlei terrein, een fascinerende maar misschien ook beklagenswaardige man.
Nietzsche (1844-1891) werd al op 25-jarige leeftijd hoogleraar klassieke filologie; hij gaf de Duitse nationaliteit op en vertrok naar de universiteit van Basel. Zijn filologisch werk was onderhevig aan grote kritiek, het beeld dat de academische wereld van hem had, brokkelde af. Hij leed aan heftige migraineaanvallen. Tien jaar later legde hij zijn hoogleraarstaak neer en zwierf vanaf dan, stateloos, naar streken waar het klimaat het meest gunstigst was voor zijn zwakke gestel. Op 3 januari 1889 brachten omstanders hem naar zijn pension (in Turijn), nadat hij huilend een paard om de hals gevallen was dat afgeranseld werd. Vanaf dat moment heeft hij nauwelijks nog een helder moment beleefd en was hij geestelijk dood. Maar wat een enorm werk heeft deze man verzet, waarvan veel nu 100 jaar later nog steeds actueel is. Een man van strijd, van eenzaamheid.[Afbeelding: 'Morgenrood' van Saniye Bildirich.]
Bericht van 'Het eiland' IIHet blijkt, dat in 'archive Oktober' alles van de maand oktober staat. Wie vandaag of morgen de weblog opent, ziet echter nog wel een deel van de posts in oktober, maar voor het geheel, vanaf het begin, is het nodig hier rechts op Oktober te klikken. (Het is ook voor mij maar ondervinden hoe het gaat, deze reis door Bloggerland.)
Vriendschap IV
De derde gestalte van vriendschap is volgens Aristoteles de hoogste, de mooiste die mensen kunnen aangaan. En alle mensen beamen het, deze is de meest bijzondere, de scheppende, de felst begeerde maar ook de meest kwetsbare. De wederzijdse genegenheid berust op innerlijke eigenschappen, op het karakter van de betrokkenen. Ze wensen elkaar het goede, door dik en dun verbonden. Aristoteles noemt het ‘de volmaakte vriendschap' omdat alle kenmerken erin verenigd zijn: het nuttige, het aangename, de wederzijdse acceptatie, genegenheid en aanhankelijkheid, het vertrouwelijke. “Zij zijn vrienden zonder meer, terwijl de anderen alleen bij toeval vrienden zijn.”
Aristoteles heeft ook de eigenliefde in zijn onderzoek betrokken. Plato vindt dat zelfliefde het kwaadst denkbare is want zij belet de mensen goed en rechtvaardig te zijn. Maar Aristoteles meent, dat zelfliefde of zelfvriendschap de basis is van waaruit men zich op anderen richt. “Wie geen verhouding met zichzelf heeft, krijgt er ook geen met anderen.” Of sterker uitgedrukt, wie zichzelf niet mag, kan ook geen sympathie voor anderen voelen, laat staan vriendschap. Daarom is deze wijsgeer ervan overtuigd dat die betrekking met onszelf van wezenlijk belang is. Het is ook te herkennen in ons gezegde, ‘zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten’. Maar is die waard niet eerst zelf bedrogen, ontgoocheld geraakt, waardoor hij nu achterdochtig is? Zoals Joachim Duyndam het cliché dat je om van anderen te kunnen houden van jezelf moet houden, aanvult met de ‘waarheid’ dat je vanaf het begin bemind moet zijn geweest om van jezelf te kunnen houden.
Vriendschap met jezelf als voorwaarde van vriendschap tot anderen is kort te omschrijven als ‘vrede hebben met wie je bent’. Als van zelfaanvaarding geen sprake is, maakt dat mijzelf en de ander alleen maar onzeker, ontstaan er schijnbewegingen tussen mensen omdat de een voor de ander niet gekend wil zijn. Een mens die zichzelf niet accepteert, zal eerder vluchtig en schuw zijn dan er daadwerkelijk zijn voor iemand. Innerlijke onvrede is weerhoudend, belemmert elke diepgaande communicatie.
Natuurlijk zag Aristoteles ook in, dat in het alledaagse leven de eigenliefde een soort masker kan zijn voor egoïsme, dat slecht is. “Wie nu van de goede dingen meer wil hebben dan hem toekomt, leeft volgens zijn begeerten, volgens het irrationele deel van zijn ziel, en niet, zoals het hoort, naar zijn verstand.” Want het verstand, het beraad, de bezonnenheid, is de mens zelf. Een goed mens moet zichzelf liefhebben. “Een slecht mens daarentegen niet, want hij zal door zijn slechte neigingen te volgen zowel zichzelf als zijn medemensen schade berokkenen.” Het is de disharmonie tussen wat hij behoort te doen en wat hij daadwerkelijk doet die hem op het slechte pad houdt. Een goed mens doet wat hij behoort te doen want hij gehoorzaamt zijn verstand.
[J. Duyndam (1994), “Zorg en generositeit”, in H. Manschot & M. Verkerk (red.), Ethiek van de zorg. Een discussie. Boom.]
Bericht van 'Het eiland'Nu vrees ik dat alle voorgaande postings vandaag, 1 november, zonder dat ik er de hand in heb naar het archief gaan, terwijl er door de te scrollen tot nu toe een mooi overzicht bleef van bezorgde teksten en illustraties. Daarom ben ik zo vrij nieuwe bezoekers graag te verwijzen naar ‘archive’ in de rechterkolom want in oktober zijn reeds een aantal naar ik hoop lezenswaardige berichten geplaatst. Maar vandaag werk ik nog aan ‘Vriendschap IV’ en haalt de lezer de eerdere drie overwegingen misschien zelf ‘uit de kast’, nog even ervan uitgaande dat Blogger automatisch gaat archiveren. Bovendien ga ik over een paar dagen voor een week naar kasteel Slangenburg, eigenlijk nog sterker een eiland want daar waan je je werkelijk in een andere wereld. Geen televisie, geen mobiele telefoon, geen internet. Het grappige is dat het voor mij lijkt alsof ik in een nieuw schrift begin, zoals ik gewend ben met mijn dagboeken hoewel een los deel daarvan langer meegaat dan een maand – laat staan een week want deze weblog begon ik op 25 oktober.[Vuurtoren Vlieland waar ik in mijn jongensjaren verscheidene vakanties doorbracht.]