Pagina's

dinsdag, november 28, 2006

De arme dichter
Intussen heb ik wat prenten verzameld van The poet, Der Dichter, Le poète, en nou zal ik niet direct zeggen dat deze mij het meest aanspreekt of mijn verbeelding weerspiegelt van ‘wie een dichter’ is. Het is, onbelangrijk, geen hedendaags beeld, maar wat mij treft is een sfeer van grote soberheid, een onverstoorbaar ingetogen houding van waaruit de dichter zijn toon zoekt en de eenzaamheid die zijn niet te benijden deel zal zijn maar waarmee hij zich heeft verzoend. Een meelijwekkende prent is het niet; dan moet je bij Stefan Verwey zijn die de arme dichter op een podium zet, die de lege zaal inkijkt en zegt: ‘Mijn volgende gedicht gaat ook over eenzaamheid.’
Dit schilderij heeft tegelijk iets onwerkelijks, iets komisch, iets aandoenlijks: het waslijntje, zijn jas aan een spijker, de paraplu tegen een misschien soms lekkend dak, een kachel die niet werkt en daarom de hoge hoed aan de hendel van de kachelpijp. Een schamel bezit aan boeken. Een ogenschijnlijke behaaglijkheid in een geïmproviseerd bed. De arme dichter, met het potlood tussen de lippen, het gehoor naar zijn innerlijke stem, zoekt als een dirigent zijn poëtisch ritme. “O ruiten mijner eenzaamheid/ waarlangs de avondstromen nemen/hun beddingen, water en licht/vermengen zich voor mijn gezicht/geruisloos tot een glanzenvolle schemer …..”
[Schilderij van Carl Spitzweg. Dichtregels van Gerrit Achterberg.]

4 opmerkingen:

Anoniem zei

Met dank voor de mooie regels van een van Nederland's grootste dichters. Ook toepasselijk ware geweest:

WONINGLOOZE

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Nooit vond ik ergens anders onderdak;
Voor de' eigen haard gevoelde ik nooit een zwak,
Een tent werd door den stormwind meegenomen.

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.
Zoolang ik weet dat ik in wildernis,
In steppen, stad en woud dat onderkomen
Kan vinden, deert mij geen bekommernis.

Het zal lang duren, maar de tijd zal komen
Dat voor den nacht mij de oude kracht ontbreekt
En tevergeefs om zachte woorden smeekt,
Waarmee ‘k weleer kon bouwen, en de aarde
Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de
Plek waar mijn graf in 't donker openbreekt.

Anoniem zei

Van Jan Jacob Slauerhoff natuurlijk!

Enno Nuy zei

Ja, Slauerhoff, prachtig. "Is 't waar dat ik, in langvervlogen dagen, geloofde in droomen en een dichter was?"

Anoniem zei

Naar aanleiding van je commentaar ben ik even komen kijken en dit is inderdaad het kledingstuk dat ik bedoel, al mag de entourage bij mij ook wel iets comfortabeler zijn.