Pagina's

woensdag, november 01, 2006

Vriendschap IV

De derde gestalte van vriendschap is volgens Aristoteles de hoogste, de mooiste die mensen kunnen aangaan. En alle mensen beamen het, deze is de meest bijzondere, de scheppende, de felst begeerde maar ook de meest kwetsbare. De wederzijdse genegenheid berust op innerlijke eigenschappen, op het karakter van de betrokkenen. Ze wensen elkaar het goede, door dik en dun verbonden. Aristoteles noemt het ‘de volmaakte vriendschap' omdat alle kenmerken erin verenigd zijn: het nuttige, het aangename, de wederzijdse acceptatie, genegenheid en aanhankelijkheid, het vertrouwelijke. “Zij zijn vrienden zonder meer, terwijl de anderen alleen bij toeval vrienden zijn.”
Aristoteles heeft ook de eigenliefde in zijn onderzoek betrokken. Plato vindt dat zelfliefde het kwaadst denkbare is want zij belet de mensen goed en rechtvaardig te zijn. Maar Aristoteles meent, dat zelfliefde of zelfvriendschap de basis is van waaruit men zich op anderen richt. “Wie geen verhouding met zichzelf heeft, krijgt er ook geen met anderen.” Of sterker uitgedrukt, wie zichzelf niet mag, kan ook geen sympathie voor anderen voelen, laat staan vriendschap. Daarom is deze wijsgeer ervan overtuigd dat die betrekking met onszelf van wezenlijk belang is. Het is ook te herkennen in ons gezegde, ‘zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten’. Maar is die waard niet eerst zelf bedrogen, ontgoocheld geraakt, waardoor hij nu achterdochtig is? Zoals Joachim Duyndam het cliché dat je om van anderen te kunnen houden van jezelf moet houden, aanvult met de ‘waarheid’ dat je vanaf het begin bemind moet zijn geweest om van jezelf te kunnen houden.
Vriendschap met jezelf als voorwaarde van vriendschap tot anderen is kort te omschrijven als ‘vrede hebben met wie je bent’. Als van zelfaanvaarding geen sprake is, maakt dat mijzelf en de ander alleen maar onzeker, ontstaan er schijnbewegingen tussen mensen omdat de een voor de ander niet gekend wil zijn. Een mens die zichzelf niet accepteert, zal eerder vluchtig en schuw zijn dan er daadwerkelijk zijn voor iemand. Innerlijke onvrede is weerhoudend, belemmert elke diepgaande communicatie.
Natuurlijk zag Aristoteles ook in, dat in het alledaagse leven de eigenliefde een soort masker kan zijn voor egoïsme, dat slecht is. “Wie nu van de goede dingen meer wil hebben dan hem toekomt, leeft volgens zijn begeerten, volgens het irrationele deel van zijn ziel, en niet, zoals het hoort, naar zijn verstand.” Want het verstand, het beraad, de bezonnenheid, is de mens zelf. Een goed mens moet zichzelf liefhebben. “Een slecht mens daarentegen niet, want hij zal door zijn slechte neigingen te volgen zowel zichzelf als zijn medemensen schade berokkenen.” Het is de disharmonie tussen wat hij behoort te doen en wat hij daadwerkelijk doet die hem op het slechte pad houdt. Een goed mens doet wat hij behoort te doen want hij gehoorzaamt zijn verstand.
[J. Duyndam (1994), “Zorg en generositeit”, in H. Manschot & M. Verkerk (red.), Ethiek van de zorg. Een discussie. Boom.]

Geen opmerkingen: