Pagina's

vrijdag, november 10, 2006


De Heerlijckheid Slangenburgh
Toch ook weer over vriendschap

Om juister te zijn: vorig jaar logeerde ik in ‘Morgenlicht’ en in de ‘Oosterkim’, deze keer in ‘Morgenstond’, drie naast elkaar gelegen kamers, uiteraard aan de oostkant van het kasteel. (‘Pas over zeven dagen’, dacht ik, ‘keer ik terug naar de wereld die ik achterliet, maar in mijn hart behoud ik hem.’ Alleen vanuit die rust is ook elders te zijn.) Alles dat ik meebracht kwam in de kast op z’n plaats, maar het merkwaardige was dat de wekker ophield met tikken zodra ik hem uit de koffer nam en nog in mijn hand had. Vier minuten over half twaalf, het klopte met mijn horlogetijd. ‘Is het mijn tijd? Nu al?’
De donkerte sloeg niet toe. Het bleek niet de tijd die ik krijg want alle volgende zonsopkomsten ben ik er nog. Ik heb een krachtig levensinstinct, gelukkig maar.

Het kasteel, zoals het nu is, heeft een authentiek interieur dat grotendeels dateert uit de 17de eeuw. Een zekere Frederik van Baer liet ter herinnering aan de vroege dood van zijn vrouw het huis overdadig voorzien van schitterende symbolische plafond- en muurschilderingen, geschilderd door Gerard Hoet. Er zijn meer dan veertig enorm grote doeken, zo groot als de wand, die alle geloof ik zinspelen op liefde, op liefde in allerlei schakeringen – van frivool tot innig en ‘eeuwig’ -, de liefde als hoogste van alle deugden, geflankeerd door het geloof en de hoop. Natuurlijk ook de rechtvaardigheid, de matigheid en de voorzichtigheid.

Niets van het knap gemaakte stuc- en houtsnijwerk is verloren gegaan. Het ‘huis’ was door de eeuwen heen particulier bezit van verscheidene families, met als laatste en gedurende enkele generaties de Duitse familie Passmann.
Al vóór de tweede wereldoorlog feitelijk was begonnen, werd kasteel Slangenburg staatseigendom, niet omdat de familie armlastig was geworden en het grote landgoed – er behoorden zeker acht boerderijen toe, met elk vele hectaren land - niet meer kon beheren, maar omdat het een Duitse familie was en de Staat louter daarin het motief vond voor onteigening. Het was vijandelijk vermogen. De wrange waarheid is geweest, dat de familie zéér anti-Hitler was en dat de toenmalige baron met gelijkgestemden een soort ondergrondse verzetsgroep had gevormd waarvan een aantal leden, ergens in de loop van de oorlog, door de Nazi’s gevangen werd genomen en werd gedwongen tot het noemen van de namen van hun partijgenoten, hun naaste sympathisanten. Hij zag hen niet meer terug, zoals zovelen gefusilleerd.
De baron die met zijn gezin al van huis en haard was verdreven, niet had weten te ontkomen aan militaire dienst, hoorde dat een aantal vrienden was opgepakt en raakte van dit nieuws over hen in zware gewetensnood. ‘Als het mijn beurt zal zijn, mij het vuur aan de schenen wordt gelegd, zal ik dan in staat zijn te zwijgen? Als er de dreiging is van kwellende marteling, als de loop van een geweer …. ik vrees op het moment van de diepste doodsangst een egoïst te zijn, in de hoop zo mijn leven te sparen en niet te offeren aan dat van anderen, mijn partijgenoten, mijn kameraden en familie. Ik vrees dat mijn solidariteit sneuvelt.’
De baron zag maar één oplossing: op een verlaten plek een kogel door zijn hoofd. (Georg Lichtenberg, in Jeroen Brouwers: “De dood is het beste bolwerk tegen de stormen van het lot.”)
Wat een afgrijselijk en eenzame innerlijke strijd moet dat zijn geweest, een strijd die nauwelijks verschillen kan van de doodsangst die hij vreesde. Was het dat? Hij wilde niet tandenknarsend van schaamte uit de oorlog komen en dat de achterklap luidde dat hij een volksverrader was. Was het dat dan? Neen, dat was het evenmin, het was het verraad dat hij niet wilde, preciezer, hij wilde niet, mogelijkerwijs, in een situatie van dwang komen, aan de alles onterende druk bezwijken en de namen van zijn vrienden prijsgeven, hoe stamelend ze ook over zijn lippen zouden komen. Dát bracht hem op 34-jarige leeftijd tot zelfmoord. Gezegd werd dat hij “durch ein Unglücksfall ums Leben kam”, deze Baron Otwin Rüdt von Collenberg.
Was het een heldendaad? In Duitse kring, zeker toen en tot lang nadien, heerste daarover grote verdeeldheid en er werd daarom nooit over gesproken. Je hoorde de nationale solidariteit gewoon niet te schenden. Wat goed en fout is, zijn complexe begrippen. Maar er is geloof ik weinig twijfel mogelijk: het is toch moreel hoogstaand je leven te geven uit vrees dat anders dat van anderen ontnomen zal worden. Een ware vriend in een zeer onvriendelijke tijd.

[Ik kan niet verwijzen naar een schriftelijke bron, dit is wat ik onthouden heb uit een tafelgesprek. Er bestaat wel een boek over Huis, landgoed en bewoners van Slangenburg, van de hand van dr. H. Hoppenbrouwers e.a., maar daarin wordt ook bovenstaande toedracht verzwegen.]

Geen opmerkingen: