Pagina's

woensdag, februari 28, 2007

Nabij de resten van een regenwoud

Gérard is in Australië en reist van Geraldton naar Perth, de wijnstreek Swan Valley, van Gellibrand Victoria en aldaar naar Beech Wood en straks nog weer verder, naar Perth en later nog naar Melbourne. Jaren geleden is hij er ook geweest en ontmoet verspreid door het land oude vrienden die zich daar hebben gevestigd. Mijmeringen, herinneringen, verhalen, verkenningen, observaties.
Van de week wandelde hij met Tony en samen ontmoetten ze daar enkele ‘locals’ met wie Tony een gesprek aanknoopte. “Er was een spraakmakend 'nieuwtje'. Jim Pears, een welbespraakte tachtigplusser en bekende barfiguur, had zijn rijbewijs verloren wegens 'een glaasje teveel'. Voor de zoveelste keer. Nu wellicht definitief. Hij woont maar 600 meter van Gellibrand Hotel, de enige bar, maar toch stond hij er op altijd met zijn pick up te gaan voor zijn dagelijkse glaasje, want het traject was voor een groot stuk zijn eigen oprijlaan. Zodoende gingen roemruchte snedige opmerkingen van deze kleurrijke dorpsfiguur over de tong. Hij was eens aangehouden wegens een gebroken linker autospiegel, en hij had gezegd: -"Waarom zou ik dat repareren? Ik kan met mijn linkeroog toch niets zien". [Het was bekend dat hij daar een glazen oog heeft, overgehouden van een oude vechtpartij]. ”Maar het mooist vond ik (Gérard) het verhaal van ruim vijftig jaar geleden. Zijn vader, eveneens een 'bekend tiep', had vier zoons die stuk voor stuk uit hetzelfde hout waren gesneden. De vader had zijn grond in vier gelijke delen verdeeld, en op een dag gaf hij aan ieder van de zonen een deel van zijn enorme lap landbouwgrond en bossen. Naar gebruik van die dagen kregen de dochters niets. De zoons zetten zich aan het kaarten, en 's avonds was Jim eigenaar van alle vier de lappen.” “Dat is echte kolonistenromantiek”, zei Tony, en: “Alles of niets! D'r op of d'r onder!”
Ik vertel dit om u te wijzen op het rijke, beschouwende, onderzoekende dagboek van Gérard van Eijk, een senior wereldreiziger, een street observer met een schat aan kennis, zo bij de hand. Hij is een wijze kluizenaar en mensenvriend tegelijk. Ja, dat gaat samen. Hij weet te drinken van de nectar van de vriendschap die hij geeft.
[ ‘De nectar van de vriendschap’ komt uit een hem dierbaar gedicht dat in zijn dagboek staat. Afb.: “If Hundertwasser has lived in the Otways” by Dijanne Cevaal. She lives and works with her housband and three daughters on one hectare land in a recycled house in the Otways (Victoria) – ten zuiden van Gellibrand, aan de kust, Cape Otways, Australië.]

dinsdag, februari 27, 2007

De esthetiek van de natuur

Ik was al vroeg op afgelopen zondag, half acht, en het regende alsof het ook de hele dag niet meer zou ophouden. Op een bevriende weblog las ik: “een Heilige rustdag, maar een dag om dood te gaan”, maar ik hoop dat de engel des doods mij voorlopig nog niet op zijn lijstje tegenkomt. (Het benauwt me soms te denken dat hij dichterbij is dan ik kan weten.)
Na de lunch, die bestond uit verrukkelijke mosterdsoep en een paar sneetjes brood met jonge kaas en Doesburgse mosterd, besloten we de grijsheid van de dag onze eigen kleur te geven. En zo reden we even later onder een matgrijze lucht over zwartglanzend asfalt via Emmerich naar Kleve, naar het Museum Kurhaus, alwaar een vaste Sammlung is van Ewald Mataré – van wie ik ook een juweel van een dagboek heb – maar waar nu een expositie was, de laatste dag trouwens, van de Turijnse beeldend kunstenaar Giuseppe Penone (1947). Het museum, dat als zodanig nu tien jaar bestaat, is een reusachtig mooie witte burcht, daterend uit de 17de eeuw en gesitueerd in een historisch parklandschap vlak voordat men Kleve binnenrijdt. Penone behoort tot de Arte Povera, armoedige kunst, en gaat in heel zijn werk, beelden, tekeningen, installaties, een dialoog aan met de natuur, in het bijzonder met bomen, met zijn schors, takken en gebladerte. Zo hangt er beneden in de grote zaal een paneel, nee, een groot werk van drie meter hoog en twaalf meter lang, bestaande uit naar schatting 18 panelen bijna tegen elkaar, waarvan men eerst niet weet wat het nu eigenlijk moet voorstellen, maar even met de neus op het materiaal en dan op afstand er zo traag als een slak voorbij lopen, ich spüre den Atem des Waldes: het is een mond, gemaakt van véle duizenden kleine en grote Acaciadoornen. Die moeten alle, na eerst behoedzaam te zijn verwijderd en verzameld, met een pincet zijn vastgehouden, van een vlekje lijm zijn voorzien en op het licht grijs gehouden doek zijn vastgezet. Een monnikenwerk. Honderden keren zal hij meters van het immense doek zijn weggelopen om te controleren of de onderlinge afstand van de doornen nog wel zou gaan verbeelden wat hij van plan was. Het is een indrukwekkend kwetsbaar werk geworden. Het zal mettertijd verloren gaan, want het natuurproces zal de doornen doen verdrogen of verschrompelen, ik weet niet wat er mee gebeurt. Maar dit hoort bij de Arte Povera.
Zijn vele eenvoudig ogende maar gedetailleerde tekeningen zijn evenals ‘Der Mund’ een zich opeenstapelend respect voor de natuur. Giuseppe Penone, hij zal het zelf niet zeggen, maar is een dichter, hij is een zo gepassioneerd waarnemer, dat zijn werk de poëzie van de natuur laat zien. Er was steeds het wakend oog van vier of vijf suppoosten dus ik kon er helaas geen foto’s maken, bijvoorbeeld van heel natuurgetrouw getekende jaarringen van een boom, en op een papiertje in de hand noteerde ik deze regel van Penone: Der Baum bewährt die Erinnerung der Berührung während er wächts, dat is toch ongelooflijk mooi. ‘Zo’, dacht ik, ‘und so spiegelt den Bleistift, der Spitze der Bleistift, die Haut des Waldes’. Mit diesem Gedanke zurück nach Hause und nach einer köstliche Mahlzeit wieder aufs Insel hinter meinem Schreibtisch, und dort, ja, Ich danke mir für das poetische Glück des Sonntags. Es ist so Einfag. Gar kein Tag um zum Tode betrübt zu sein.
[De afbeelding spreekt voor zich, Der Mund, la Bouche, van Giuseppe Penone. Overigens is “I think it’s raining today” – so I stay in bed till twelve o’clock – een lied van Judy Collins en Graham Nash (met dank aan Gerard, Spinzels, zijn log op zondag jl.).]

maandag, februari 26, 2007

De wortel van de vlam
[De aardgeest XII]

(Slot.) Alle onzekerheid, die conflicten tussen mensen met zich meebrengt, is afkomstig van de menselijke ziel zelf. Zij kent geen uitwendige oor­zaken. Het is bijna lasterlijk zoiets te beweren, want vandaag de dag meent men niet anders dan dat alle kwaad zijn oorsprong heeft in omstandigheden. Ik geloof daar niks van. Het leven zelf is goed, om het even onder welke omstandigheden. Wij zijn het die het onmoge­lijk maken het leven te leven, wij en niet de goden. Niet het noodlot. Niet de omstandigheden.
Het is voor de mens absoluut noodzakelijk als mens, en niet als dier, te kunnen leven. Maar tegenwoordig leeft de mens zelfs niet als een dier, maar lager nog. Slechter. Hij leeft niet, hij wordt geleefd. Het eigenaardige is dat hij toch een geest heeft …. hij is in staat van God te dromen, zich gewichtige vragen te stellen. En toch, zijn persoon­lijk leven is ronduit afschuwelijk, hij leeft nog erger als een rat. Hij is schuwwekkend. Hij verwaarloost zijn persoonlijkheid en kent geen hoop.
Het grote conflict ligt tussen de mensen die hoopvol zijn en ons die hem hebben verloren. Wij in het Westen kennen weinig hoop. In ze­kere zin zijn we passief, al zijn we nog zo druk en nijver. Veel warm­te en overtuiging komt er niet aan te pas. We dobberen niet eens tussen hoop en vrees, neen, we doen alles automatisch.
Van het Oosten kunnen we nog heel wat leren, terwijl zij van ons niet veel op te steken hebben, hoogstens wat trucs, enige uitvin­din­gen, comfort. Mooi is dat. Maar wat het werkelijke leven aangaat, het psychologische …. De ziel. Een woord toch dat men nauwelijks nog hoort. Een woord dat hier bezweken is. De beschaving. Hoe kan men mensen als beschaafd beschouwen wanneer ze elkaar onophou­delijk vernederen en uitmoorden? En als het daar nog maar bij bleef. Neen. Maar ik ga nu niet alles opsommen dat volstrekt indruist tegen elk idee van beschaving.
In mijn leven heb ik misschien tien mensen ontmoet van wie ik wer­ke­lijk kan zeggen dat ze innerlijk beschaafd zijn. Marcel Duchamps bijvoorbeeld … ja, dat was een beschaafd mens. Hij harmonieerde met het leven, was erg tolerant.
Eerlijk gezegd, ik heb geen idee waar ze zijn, de beschaafde mensen. Ik zie slechts lieden die voortdurend bereid zijn allerlei afgrij­selijk­heden te begaan. Tot verbazing, tot ontsteltenis, telkens weer. Dat iemand denkt als een God, dat hij zelfs vergelijkbaar zou kunnen zijn met God, dat verwondert me niet – maar al die gruwelijkheden waar­mee hij zich inlaat.
De totale nederlaag. Het beest. De duivel. Nietzsche’s ‘oppermens’ is altijd verkeerd begrepen en uitgelegd. Over de oorlog zegt hij bij­voorbeeld dit. Wanneer er twee in wezen elkaar vijandelijke groot­machten zijn – zoals Rusland en de Verenigde Staten – dan moet de sterkste van de twee verklaren: wij zijn onoverwinnelijk, de mach­tig­sten, en daarom leggen we de wapens neer en geven ons over. Een andere mogelijkheid de oorlog te beëindigen is er niet.
De verwarring. De duisternis.
Er is lange tijd niet naar gevraagd noch naar uitgekeken, maar te­genwoordig verlangt men naar vrijheid, en men vindt ze ook. Niet alleen in de literatuur en in het theater, maar ook in het leven zelf.
Mar­quis de Sade heeft eens gezegd, dat ieder het recht heeft met eigen lichaam te doen wat men wil, dat ieder daar zelf over moet be­slissen. Tegenwoordig (1969) gaat dat wel wat verder. Als je in de parken van New York die naakte jongens met hun banjo ziet, dan wekt dat wellicht het lachen, maar het geeft toch te denken. De politie staat er doodgemoedereerd bij en amuseert zich. Ongelofelijk, dat dit moge­lijk is. In wat voor een wereld leven we eigenlijk? En dan die uitdos­sing met bloemen. Dat is nog eens surrealistisch!
De jeugd. Iets duurzaams draagt ze niet bij aan onze gemeenschap. Bevliegingen. Schermutselingen. Pogingen zijn het. Of moet ik het er op houden dat ik toch te weinig vertrouwen heb in mensen om te kunnen geloven dat daar iets uit voortvloeit dat standhoudt.
“Just wild about Harry”, zo heet het (enige) toneelstuk dat ik ooit schreef. Harry keert terug van het oorlogsfront. Hij is volkomen aan­geslagen, misschien niet eens zozeer vanwege de doorstane angst, als wel door het soort beschaving dat een dergelijke slachting kon aan­richten. Eenmaal terug weet hij zich niet meer te schikken in het bur­gerlijke leven. Hij wordt een ware buitenstaander. De verwerping. De weigering.
Hij wordt pooier.
In werkelijkheid beschouwde hij dat niet als een beroep voor het leven. Hij was tot van alles in staat … van alles, wat slecht is dan.
Doch volgens mij ook tot de dingen die goed zijn. Zowel het kwade als het goede waren in hem verenigd, dat is wat mij zo in hem aan­trekt. Een woest heerschap, waar ik veel mee opheb. Raar eigenlijk, want het was bepaald een slechterik. Toch een man met hart in zijn lijf. In wezen houd ik het meest van schooiers, van nietsnutten. Ik heb een zwak voor ze, omdat die ‘brave burgers’ mij meters de keel uithangen. “The good people”, het goede geweten …! Dat soort men­sen zijn erger als de allerslechtsten, met uitzondering dan van Hitler. Dat meen ik. Want over het algemeen zijn het huichelaars, de mensen die het zo voor de wind gaat en die voorgeven een onbe­ris­pe­lijk leven te leiden. Het fatsoen. De walging. Dan zie ik nog liever de priesters: dat zijn pas echte huichelaars. Ik houd van mensen die twee gezichten hebben en ze niet verbergen – dat is tenminste men­se­lijk.
Alles wat menselijk is, is mij lief. Natuurlijk, engelen bestaan niet. Maar hij, de engel, behoort tot de symbolen die wij nodig hebben – God, de engelen, de heiligen – maar als je het waagt ze nu te noe­men, dan word je aangestaard. Dan wordt er gezegd: “Maar dat is toch achterhaald. Archaïsch!” Toch ben ik ervan overtuigd dat deze woorden, deze beelden – want dat zijn het, voorstellingen – onze wortels raken. Het beeld van de reinheid. Realisten horen dit niet graag.
De engel. De clown.
Ik was graag een clown geworden. Mijn vroegere zelfbeeld, of­schoon wat het in wezen behelsde mij ontging. Later ontdekte ik mezelf als clown te zien, en te begrijpen. De clown en de engel, ze zijn nauw verwant. Een goddelijke overeenstemming.
In mijn volgend leven wil ik een doodgewoon mens zijn. Een sim­pele ziel. Een ‘nobody’. Ja, als ik ooit nog eens op aarde te­rug­keer, zou ik de ootmoedigste onder de mensen willen zijn, een onbekende, een die niets doet.
Dat is mijn ideaal.
[Aquarel by Henry Miller, “A vous cher ami”.]

zondag, februari 25, 2007

Strijd en aanbidding
[De aardgeest XI]

Vaak wordt gezegd dat ik het niet over de liefde heb. Me niet geef als een man die de liefde kent. Een verwijt dat vooral vrouwen mij maken. Niet geheel ten onrechte, dat geef ik toe; de ware liefde heb ik immers verloren laten gaan.
Al eerder heb ik gezegd het in mijn boeken niet over de ware liefde te willen hebben. Uit schaamte en schuchterheid. Ze is er evenwel altijd, en in elk opzicht. De grote liefde, Mona. Soms is zij God en duivel tegelijk.
De masochist. De sadist. Wat een huwelijk. Het is zoals het in elk werk van William Blake weer verschijnt: een leven tussen hemel en hel. Tussen pijn en verrukking. Iets anders betekent het huwelijk ook niet. Alleen harmonie zegt nog niets, maar het aangaan en over­win­nen van conflicten en kwelling. Dostojewski dacht er precies zo over.
De mannen geloof ik te kennen, de vrouwen allerminst. Er is iets in hen dat eeuwig onbereikbaar is. Zij behoort tot een ander ras. Zij is meer verbonden met de aarde, aan hem de lucht. Hij heeft vleugels …dat is treurig eigenlijk want zowel de man als de vrouw behoren tot de aarde.
Maan en sterren zeggen mij niets. Zij zijn de illusie, de leugen. Maar ik bewonder de vrouw, die eenheid in haar met de aarde. Het vrou­we­lijke element, daar mankeert het bij ons aan. Wij zouden dat meer moeten cultiveren. Vrouwen kunnen het makkelijker stellen zonder het mannelijk element, zij kunnen er zelfs van afzien.
Ik zou willen dat de man meer verdeeld zou zijn, schommelend tus­sen de seksen. Al weet ik overigens niet goed waarom, maar dat zou ik wensen.
De tweedracht.
Ook in de hartstocht blijkt het verschil. Bij de vrouw is deze steeds heel persoonlijk. De man geraakt enthousiast voor abstracte zaken … dat heeft de vrouw niet nodig, lijkt me. De man is van nature de re­ligieuze, volgens mij ook een gebrek. De mislukking van mannen wordt getekend door zijn grenzeloos verlangen. Zijn onophoudelijke streven. Hij maakt het leven nodeloos ingewikkeld en werkt zich in de nesten, terwijl voor een vrouw het leven tamelijk eenvoudig is. Ik bedoel, zolang men van haar houdt en haar goed en oprecht behan­delt, dan ervaart zij het leven niet als last. Maar de man … nog nooit heb ik er één getroffen die in staat is vreedzaam met de eenvoud te leven. Hij is een web van complexen.
De liefde. Voor de vrouw betekent dat haar hele leven. Het is haar belangrijker dan wat ook. Maar zij kent niet de liefde met de grote L zo­als de man die weer kent. Zij kan zich opofferen aan de man, maar niet voor de liefde in z’n algemeenheid. Voor haar blijft het persoon­lijke begrensd. Altoos en immer. Het bezittelijke. Het exclusieve. De trouw. De bezorgdheid.
Dat is een idee van mannen. Hij bedenkt al die complexen. In werke­lijkheid is de vrouw doorgaans in staat te leven zoals een man, dat wil zeggen, op haar zelf betrokken, met meerdere mannen. Volgens mij komt het haar ook niet ten goede als ze zich haar hele leven be­perkt tot één man. Maar het zijn de ideeën, de begrippen, de taal van de man die haar al eeuwenlang belemmeren daarin zichzelf te zijn.
De dwingeland.
In vroegere, prehistorische tijden was er het matriarchaat. Het zou me deugd doen als dit soort heerschappij weer terugkeerde. Als zij met haar vrouwelijke wijsheid het lot van de wereld een andere wen­ding zou geven. Nu zien we overal slechts rampen. De man. In hem ligt het bederven. In haar het behoeden.
Tegenwoordig zie je bij vrouwen helaas niet veel meer dan een imi­tatie. De vrouw moet de man niet naäpen. Zij moet zich als vrouw ge­dragen, met haar gezonde geest, zo dicht bij wat de aarde voor mo­ge­lijk houdt, alle idyllische verborgenheden in het leven weer te voor­schijn halen. Dat is haar wijsheid. Haar eenvoud.
[Afb.: “De schoonheid”, of de eenvoud, van Katarzyna Wildmanska.]

zaterdag, februari 24, 2007

De kathedraal. Het symbool
[De aardgeest X]

Mannen, zoals deze Swami, blijven in mij aanwezig. Ik heb er meer­deren ontmoet met zo’n sterke, indringende persoonlijkheid. De her­innering aan hen blijft onveranderd sterk omdat hun invloed vaak groter is dan van hen met wie je praktisch je hele leven doorbrengt en die vrienden zijn. Ieder is slechts voor even in mijn leven geweest, maar het is ongehoord veel wat ze in die enkele ogenblikken voor mij heb­ben gedaan. Ongelofelijk. Zonder uitzondering hebben ze in die kor­te spanne van tijd bewezen mij beter te kennen dan sommige van mijn oudste vrienden. Merkwaardig. En niet bepaald geruststellend.
Deze Swami was een bijzonder man. Later heb ik nog eens een Swami ontmoet, in New York. Ook bij hem voelde ik me op m’n gemak, maar op een heel andere manier. Niet dat ik ook maar enigszins onder de indruk was, neen, zo’n eerbied werd hem niet ge­gund. Ik respecteerde hem, dat is mijn aard, maar niet zoals een leer­ling zijn meester. Daarvoor was hij te werelds. Burgerlijk en volg­zaam.
Er is veel te zeggen over de relaties van leerlingen tot hun meester, maar ’t meest verhelderend is voor mij deze parabel. De wijze, die ergens diep in het bos leeft, krijgt van de leerling het verzoek of deze hem mag bezoeken. De wijze antwoordt: “Maar natuurlijk, kom maar.” Ofschoon een eind te gaan, schrikt de leerling er niet voor te­rug en vertrekt. Onderweg ondervindt hij vele hindernissen, veroor­zaakt natuurlijk door de meester. Als de leerling tot de ziel geraakt en alle moeilijkheden weet te overwinnen en de meester uiteindelijk bereikt, dan ontmoeten zij elkaar op gelijk niveau. Ze zijn gelijk­waardig geworden. Waar het tenslotte om gaat, is niet de meester, maar de weg naar hem toe. In mijn leven ken ik niemand als mijn meester. Eigenlijk is dat jammer. Ik betreur het zelfs geen mens ontmoet te hebben tegen wie ik ‘meester’ kan zeggen. Zo min als ik er zelf een ben, zul je zo iemand in het hele Westen ook nauwelijks vinden. En als ik er al een ontmoeten zal, dan gebeurt dat waar­schijn­lijk ergens waar je het niet verwacht: op straat, in een kroeg, in een bordeel … Moeilijk zal het niet zijn, want hij zal zijn zoals ik. De gelijkwaardigheid. Van een meester-leerling verhouding zal nooit sprake zijn.
Telkens als ik een mij onbekende voor het eerst ontmoet, let ik op twee dingen: allereerst de ogen en vervolgens de mond. Alleen bij vrouwen is het merkwaardig genoeg precies andersom: eerst de mond en dan de ogen.
Bij mannen eerst de ogen omdat ik ze vergelijken kan met die van Oosterse wijzen en heiligen. Zij allen hebben volmaakte ogen, rond als een ei. Helder, zonder een spoor van nijd, wrok of jaloezie. Ze zijn geheel zuiver, zo transparant zelfs dat het lijkt alsof men er door­heen kijkt zonder dat er iets te zien is. Een manier van kijken die het hele universum in volkomen gelijkheid omvat. Een blik van men­sen die niet op zoek zijn …., dat is het bijzondere aan hun ogen. Ze zoeken niet. Ze zijn ‘gearriveerd’.
Wat de mond betreft, ik houd alleen van een volle, zinnelijke mond, in het bijzonder bij vrouwen. Daarom kijk ik bij hen eerst naar de mond. Het ontsnapt me niet. Ik vergis me zelden.
Lichaam en geest. Het gaat om de eenheid van deze beide. Wij Christenen hebben ons echter altijd ingespannen een splitsing te ontdekken. De geest als heiligheid. Het lichaam als lust en verderf. Het dualisme. Het conflict. In het Oosten daarentegen streefde men er naar beide als eenheid te beschouwen. Voor hen bestaat slechts het onlosmakelijk verbonden zijn van lichaam en geest. Niet het onder­scheid, het onnatuurlijke. Het ontgaat mij dan ook wat asceten ons met de ‘onthouding’ willen leren. Op een of andere manier zijn ze verminkt en gaat er een slechte invloed van hen uit.
In het Oosten is seksualiteit het natuurlijkste van de wereld. Denk aan grote Indische tempels met haar façades vol erotische afbeel­dingen, waaraan werkelijk niets aan de verbeelding ontbreekt. Mag men beweren dat deze tempels het werk zijn van goddelozen of sen­sualisten? Neen, ze zijn ontstaan uit intense en oprechte gods­dien­stig­heid.
Eigenlijk heb ik er een hekel aan als mij alles over seks wordt gevraagd. Alsof ik bij uitstek deskundig ben. Eerlijk gezegd ben ik al zo ver, dat als ik enkel het woord seks al hoor, ik het liefst naar een re­volver grijp om me te verdedigen, en schreeuwen: “Weg met de seks!” Niet dat ik dit werkelijk wens, maar die eeuwige discussie, naar de hel ermee!
Het brandmerk.
Voor het overige heb ik het idee toch heel normaal geleefd te heb­ben. Het enige onderscheid is, dat ik heb uitgedrukt wat bij anderen veelal verborgen blijft. Ieder doet hetzelfde als ik. Ik doe niet anders dan anderen. De spiegel. Iets natuurlijkers dan seksualiteit bestaat er toch niet. Een Don Juan? Dat ben ik nooit geweest. Ik ben eerder ver­legen tegenover vrouwen. Terughoudend als een jongen zijn kan.
Een boek dat men leest, wordt altijd geïnterpreteerd overeenkomstig iemands aard, zijn kennis en zijn mogelijkheden het te begrijpen. Het laat me koud wat de reacties van lezers zijn, of ze nu walgen of ver­rukt zijn van het seksuele element in mijn werk. Wat zijn we toch onvrij. Wat een verlies. Wat een buitengewone aandacht voor seks is er toch. In de middeleeuwen accepteerde men het naast elkaar be­staan van lichaam en ziel tenminste. Kijk naar de kathedralen: het uiterlijk doet denken aan de Indische tempels; de lichamelijkheid wordt niet gemeden, in de kleinste sculpturen zelfs tref je de sporen van een sterke seksualiteit. Als men naar binnengaat, verandert het beeld … Je zou kunnen zeggen, dat de mens op zijn manier een kathedraal is.
De opwinding die er tegenwoordig heerst over seks, komt voort uit huichelarij. Wie zich verontrust, weet dat hij hetzelfde leven leidt dat ik hier en daar in mijn boeken beschrijf. Hij wil het niet toegeven. Hij is op zijn hoede. De eeuwige zorg. Daarom kan hij het ook niet verdragen dat er over gesproken of geschreven wordt. De onvrijheid. De beklemming. Het geniep.
Het klopt dat er in Sexus zo uitvoerig sprake is van seks. Het weer­spiegelt een bepaalde periode in mijn leven. En toch houdt men mij voor een geniale pornograaf. Dat is niet zo. Ik houd me voor heel nor­maal. Het werken aan Sexus was voor mij een bevrijding, of­schoon ik me dat in die zin niet direct bewust ben geweest. Geboren in Amerika en opgevoed door puriteinse ouders, was het voor mij een mogelijkheid te ontkomen aan de knellende banden rond dit hei­melijk nest van kleinburgerlijkheid. Maar, een verklaring is nooit toe­reikend. Het is de indompeling. Het zelf ondergaan. De ervaring, daar ligt de realiteit, de waarheid. Niet in de verklaring, die is ad infi­nitum.
Als men geen prettig leven leidt, doch schraal en onvervuld, dan wordt seks zeer voornaam. De toevlucht. In Indië bijvoorbeeld, of in Egypte bij de Arabieren: daar is seksualiteit de grote trooster. De pas­sieve opstand. Daarom moet ik wel overdrijven, zo sterk ver­gro­ten. Maar dat is geen reden nu te beweren dat ik de ‘keizer der seks’ ben. Ik was er bezeten van, dat wel. De obsessie. De overmaat.
Daarin lag de weg naar verlossing.
[Afb.: “Eroticum” von Gino Hasler.]

vrijdag, februari 23, 2007

De onthechting. De troost. De onbaatzuchtigheid
[De aardgeest IX]

Bij mij thuis hangen overal m’n aquarellen. Soms schil­der ik zelfs rechtstreeks op de wand. Ik heb weinig meu­bilair. Wat de inrichting betreft heb ik nog niet het minste esthetische gevoel. Het enig belangrijke is een ruimte waarin je kunt pingpongen. Het interesseert me niet hoe die ruimte er uitziet, als hij er maar is. In mijn huis in Californië is het de mooiste kamer. Vroeger was het de salon, maar ik dacht: “Zum Teufel mit dem Sa­lon. Het kan me niet schelen, ik maak er een pingpong­ruimte van.”
Enige jaren geleden woonde ik er een paar maanden alleen. Mijn vrouw, de moeder van mijn kinderen, had mij verlaten. Alles in huis behoorde aan haar: al het meubilair en zelfs de tapijten. Ze heeft niets laten staan, en van de ene op de andere dag was mijn huis volko­men leeg. Bovendien waren de kamers tamelijk groot en de vloeren overal kaal. Ik heb me toen zelfs een paar rolschaatsen gekocht en rolde van de ene kamer in de andere. Heerlijk vond ik het niets meer te bezitten. De leegte. De ruimte. De vrijheid. Ik voelde me honderd­maal gelukkiger dan voorheen temidden van al dat meubilair. Het weinige dat ik daarna kocht, was van geringe waarde. Dat was mij om ’t even.
Zo gaat het me nu nog: ik heb een vriend die bij elk bezoek iets voor mij meebrengt – bijna altijd een meu­belstuk. Hij heeft werkelijk het idee dat ik dat nodig heb, maar telkens zeg ik hem het rustig weer mee terug te nemen.
Ik houd van eenvoud, van soberheid. De schoonheids­leer, de fraaie composities waarin allerlei spullen te plaatsen zijn, ach neen, dat zegt me niets. Zeker, de zin voor schoonheid die Japanners zo eigen is, vind ik fas­ci­nerend en is wat ik het meest in hen bewonder. Maar dat neemt niet weg dat het mij persoonlijk onverschillig laat.
Ik zei daarnet iets over de muren in mijn huidige wo­ning. Wel, in de kamer waarin ik aan mijn aquarellen werk, staan de muren vol met woorden, namen en ci­taten van auteurs die ik bewoner. Tekeningen ook. Trouwens, ieder die bij mij komt, mag met de muren doen wat hij wil. Zo staat er van alles in alle talen. Van het meeste begrijp ik niets, maar ik vind het komisch. Mooi dat het er staat en het verveelt me nooit.
Van tijd tot tijd gebeurt het dat ik midden in de nacht opsta om op de muur een zin te schrijven die mij bij het lezen van een boek was opgevallen. Of het gebeurt dat ik ogenblikken uit mijn leven sta op te schrijven ... die ik in idiote of obscene zinnen uitdruk. Nog niet zo lang geleden deed zich zo’n periode weer voor. Ik leed aan slapeloosheid. Om drie uur ’s morgens stond ik op en be­gon aan een aquarel, maar onder het schilderen kon ik het schrijven niet laten. In zekere zin bedierf ik er de aquarel mee, maar toch, er ontstond iets ... een me­lan­ge. Denk aan illustraties in oude manuscripten of aan de Perzische schilderkunst: het handschrift was daarbij heel wezenlijk. In onze westerse spraak heeft de schoon­schrijfkunst niet meer de betekenis die het heeft in China of in Japan, vandaar dit onomwonden na­bootsen op muren of aquarellen. Het is voorgekomen dat een Chinese of Japanse gast in deze tekens een betekenis in hun eigen taal herkenden. Dat is toch frap­pant. Wonderlijk. Zo instinctief geschilderde symbolen, kennelijk zo natuurgetrouw ... in wezen vind ik dát nu juist het “comfort” ...
Nu ik het hierover heb, schiet me een bepaald gezegde te binnen. Over Jezus spreekt men als de ‘great comfor­ter’, in het Frans heeft men het over ‘le grand conso­la­teur’. Maar ‘grand réconforteur’ zou een betere uitdruk­king zijn. ‘Réconforter’ (versterken, troosten) is een mooi en betekenisvol woord. Comfort hebben we niet nodig, maar troost is onontbeerlijk. Het belangrijkste is dat er iemand naar je luistert als je in de puree zit. Je hoeft niets te zeggen. Niets te geven als alleen het luisteren. Het lankmoedig luisteren, dat is een gave. Ik kom nog even terug op wat zo bijzonder is aan de Chi­nese wijsheid: het onderscheidingsver­mo­gen. Er is alleen het leven dat altijd meer dan goed is, meer dan het zich laat uitdrukken. Slechts de mens is dwaas, krank­zinnig en tegen zijn situatie niet opgewassen. Mis­lukkelingen zijn het.
Men moet zich niet aanmatigen over goed of slecht te oordelen als men het over het leven heeft. Leven bete­kent energie ... een onuitputtelijke bron van energie. Wat hebben moraal en ethiek daarmee van doen? Het is eigenlijk een kwestie van gezondheid. Dat betekent le­ven: de energie die wij nodig hebben. Ik aarzel niet dit te zeggen. De mens heeft zich religieuze en morele prin­cipes eigen gemaakt die zondigen tegen het leven, tegen dat wat ik gezondheid noem. De aanslag. Want de wijsheid van het hart en de gezondheid zijn onaf­scheidelijk.
In dit verband herinner ik me een boek met een grafi­sche afbeelding die een soort machine, een buizensy­steem, voorstelt. Het laat zien dat water altijd vloeien moet, dat het bloed vloeit en circuleert, dat er nergens een afknelling of blokkade mag zijn, maar dat alles onophoudelijk in beweging blijft. Een eeuwig komen en gaan. Dat in stand houden, dat is gezondheid. Het is misschien wel 25 jaar geleden; ik zat behoorlijk in de nesten, was zeer verward maar ook hevig verliefd op een Griekse vrouw. Desondanks, de zelfmoordgedachte sloop bij mij naar binnen als een klein verslindend dier. Maar ik ontmoette iemand die mij aanraadde naar een Indische man te gaan, een Swami. Een wijs man. Ik had al eens van hem gehoord maar kende hem nog niet. Slechts naam en faam. Hij heette Provananda en was een vriend van Aldous Huxley. Ik heb hem opgebeld en gevraagd of hij mij voor een paar minuten ontvangen kon. Hij antwoordde meteen: “Ja, natuurlijk, kom wan­neer u wilt.” Ik zei: “Morgen?” Hij stemde toe: “Goed, morgen.”
Maar nu het vreemde: nog dezelfde avond, dus nog voor mijn ontmoeting met hem, waren al mijn proble­men opgehelderd. Kwellende zorgen waren plotseling verdwenen. Een wonder? Het was eerder een gevolg van de wijze waarop hij mij te woord stond: Ja, kom gerust. Ik ben tot uw beschikking. Kom wanneer u wilt. Ik geloof dat dát de bron is van mijn ‘genezing’.
De volgende dag ben ik toch gegaan. Ik herinner me nog precies hoe ’t ging. Ik klopte aan, hij opende de deur, en ik zei “Goedendag. Neemt u me niet kwalijk, maar weet u, het is niet meer nodig. Alles is opge­klaard.” Hij pakte mijn hand en zei: “Maar komt u tóch even naar binnen. Misschien heb ik u nodig, ik heb ook mijn problemen en mogelijk kunt u me daarbij helpen ...” Het was fantastisch. We hebben ongeveer een uur met elkaar gesproken. Misschien heb ik hem echt wel geholpen, dat gevoel kreeg ik wel. Wat een mens! Wat een houding. Wat een gave. In zekere zin was hij het wonder. Het wonder dat zich uitte in het onmiddellijk er in toestemmen mij te ontvangen.
Wat je in dergelijke situaties nodig hebt, is een open oor, iemand die bereid is een ander aan te horen. Zonder vooroordeel, doch ook zonder toegevendheid. Hoe vaak gebeurt het niet dat een vriend die in moei­lijkheden zit iemand opbelt erover te praten. Men hoort hem even aan, maar denkt tezelfdertijd: “Mijn hemel, wat heeft hij nu weer?” Onze reacties zijn meestal weinig oprecht, “und wenn sie nicht aufrichtig ist, sind wir selbst es auch nicht.”
[Afb.: aquarel van Henry Miller, “The procession”, 1973.]

donderdag, februari 22, 2007

Het onwrikbare geloof
[De aardgeest VIII]

In wezen is het zo dat ik temidden van de conflicten en met mezelf in vrede leef. Meer verlang ik niet. Zelfs de kunstenaar in mij is niet zo belangrijk als de mens die het met zichzelf goed vinden kan. Ik zou er van af kun­nen zien scheppend bezig te zijn, het bijna verloo­che­nen, als ik er zeker van zou zijn werkelijk de volledige vrede met mezelf gevonden te hebben.
De kunstenaars .... de zucht naar genialiteit. Is het niet eerder zo, dat er slechts weinig grote kunstenaars zijn maar dat wij godheden van hen maken? Idolen, het zou heel wat beter zijn niet alleen dit soort verering maar ook de scheppingen van deze meesters te verwoesten. Het zou toch eindeloos zijn wanneer ieder op eigen ni­veau kunstenaar is. Naar onze eigen aard en mogelijk­heden scheppend bezig zijn, in plaats van hen die wij groot en begaafd noemen te verafgoden. Het is te sim­pel slechts met de aanbidding genoegen te nemen.
Ik geloof dat wanneer men iets heeft volbracht, dan is niet alleen dat werk voltooid maar tevens ben je niet meer die je was. Nadien ben je niet meer dezelfde mens. De ontwikkeling. De groei. De ervaring. Ik hoop althans dat dit bij mij zo is .... ik heb niet de geringste zin een soort repeteerapparaat te zijn. Net zo min als ik zin heb altijd maar te strijden. Al houd je nooit op te strijden, het voltrekt zich telkens op een ander niveau. Dan ligt het me wél, dit strijden, als het maar niet eeu­wig om hetzelfde gaat. In het midden het hart en daar omheen wikkelt zich de mens. Zijn geheugen. Zijn geest. Zijn identiteit.
Ik zou graag geduldiger van aard zijn. Niet dat ik in­halig ben, maar het valt me moeilijk iets de tijd te gun­nen. Zodra ik iets wil, moet ik het ook direct hebben. En nooit is het me genoeg. Alles komt altijd te laat. Steeds vraag ik: “Wanneer komt het nu eindelijk? Wan­neer? Morgen?”, terwijl ik steevast lange tijd moet wachten aleer ik krijg wat ik hebben wil. Natuurlijk is het niet altijd mijn schuld. Ik vind dat ondanks de vooruitgang waarover men zo gretig spreekt, de mens en de wereld nog veel te bereiken hebben. De ach­ter­stand. De beschaving.
Ik zou onophoudelijk wonderen willen zien. Zelfs als God mij alles geven zou wat mijn hart begeert, dan nog zou mijn honger niet zijn gestild. Meer en meer zou ik verlangen – en snel, zeer snel. Dát is een van mijn te­gen­strijdigheden.
Nu ik het hierover heb, schiet me de geschiedenis van Jezus te binnen. Wat ik nu zo fantastisch vind, is dat als hij al een wonder doet, dit altijd zeer snel gebeurt: de zieke wordt onmiddellijk gezond. De absolute waar­heid: zo zou het eigenlijk met alles moeten gaan. Ik ge­loof niet in evolutie, maar in wonderen die niet stapsgewijs maar plotseling, onverwacht, gebeuren. De ver­rassing. De openbaring. Dat zou niet de absolute waar­heid zijn, maar het natuurlijkste van de wereld. De we­reld. Vooral op gelukkige momenten komt men soms tot de slotsom dat hij helemaal niet anders kan zijn dan hij is, met al z’n verdorvenheden, z’n boos­aardigheden en z’n onvolkomenheden. Maar wat doet het er toe zo­lang je bent die je bent. Sommigen zeggen: “Zelfs zo, zo de wereld nu is, is hij goed, is het leven prachtig...” Dat gaat mij wat te ver. Ofschoon men zich op som­mige dagen toch heel goed voelt: men staat op, men ziet de problemen die niet anders zijn dan gis­teren en eergisteren. Men neemt de krant en slaat deze open: zoals gewoonlijk niets dan rampen, oorlogen, re­vo­luties. En ondanks alles voelt men zich goed, de alle­daagse somberheid lost als vanzelf op en men zegt: “Wat gaat mij dit aan? Ik ben gelukkig, tevreden, hoe mooi is het leven niet!” Dat lijkt me een gezonde in­stelling. Nu ja, je kunt zeggen dat het een logische wijze is de dingen zo te zien, maar het vervelende is dat we niet weten waarheen die logica ons brengt.
Ja, in mijn leven hebben zich heel wat wonderen voor­gedaan. Wonderbaarlijke omstandigheden. Zo ben ik al vaak op sterven na dood geweest doch werd telkens op het laatste moment gered. Door wie of waardoor, dat is me een raadsel. De ontsnapping een feit. Als alles dan weer is goed gegaan, kijk ik naar de hemel en zeg: “Be­dankt, ik weet dat je er bent, ik dank je ...” Ik wil niet zeggen dat het een persoon is, maar dat er iemand is lijkt geen twijfel. Ik word beschermd, dat ervaar ik maar al te vaak. Ondanks al mijn zwakheden en fouten, de redding is steeds nabij. Ik heb niet het geringste ver­moeden waarom. Het is mijn lot.
Het heeft zo moeten zijn.
Ik geloof in de lotsbestemming. Daaraan valt niet te tornen. Rotsvast. Ik heb mensen gezien die in een poel van ellende leefden – in de gevangenis, in de oorlog, in het verzet – en deze mensen wisten niet van wijken. Ze gingen ongestoord door. Ondanks alle verschrikkingen en gruwelijkheden. Een wonder van vasthoudendheid. Als ik zie hoe ze zich er doorgevochten hebben, kan het niet anders dan dat de tegenspoed een bron is van in­ner­lijke rijkdom. Ik ken mijn tekortkomingen, ik zie mijn fouten en hoe ik ze bega, maar hoe mijn redding zich voltrekt, daarvan weet ik niets. In zo’n situatie ben ik aan het einde van mijn krachten, tot niets in staat. Juist in die ogenblikken beleef ik een soort open­baring. Plotseling wordt alles van mijn schouder ge­nomen. Wanneer ik denk: “Ik ben niets meer, ik kan niets meer”, dan is daar opeens mijn beschermer die me onverwacht bevrijdt. Ik zeg dikwijls – de Fransen horen het niet graag en de Duitsers trouwens nog minder - : “Als men ’t opgeeft, het eenvoudig z’n gang durft laten gaan, dan gebeurt het wonder.” Daarin ligt het geheim: het opgeven, de overgave.
Het leven is één groot geheim en ik houd van ondoor­gron­delijke geheimen. Hoe diep men ook spit, het mysterie blijft. Dat is ook de reden waarom ik de inspan­ningen van wetenschappers en politici overbodig vind.
In welke tijd ik ook zou leven, ik ben ervan overtuigd mijn leven niet anders ingericht te hebben. Mijn geluk, mijn welzijn is niet afhankelijk van uitvindingen, ver­nieuwingen, vooruitgang. In het geheel niet. Ja, nou ik ouder word, weet ik het moeilijk te stellen zonder com­fort, maar ’t voornaamste is het niet. Het is slechts ge­rieflijkheid.
[Henry Miller, 1940, by Carl Van Vechten.]

woensdag, februari 21, 2007

De ontsteltenis over de mensheid
[De aardgeest VII]

Of iemand er over spreekt of zwijgt, daaraan herkent men de echte Zen. Ik ben het niet. Het boeit me, en meer dan dat, ik ben er voor geboren. Daarom ben ik er aan gehecht en is ’t me niet vreemd. Maar er naar leven, neen, dat geloof ik niet. Ik heb zo mijn eigen opvattingen over de Zen, dat is me vol­doen­de.
Ik woonde in het westen van de Verenigde Staten, in Califor­nië. Juist in die streek vindt men tegenwoordig (het is 1969) een opvallende gerichtheid op het Oosten. Dat is heel merkwaardig want vroe­ger, in de tijd van Thoreau, Whitman en Emerson, wist de Oos­terse gedachtewereld vooral het oosten van het land te be­ko­ren. Nu is het precies andersom.
Het wemelt daar van de ‘ismen’, alle mogelijke sekten. Dat is niet het gevolg van de grote Amerikaanse rusteloosheid. Neen. Niet de radeloosheid, die manifesteert zich in het hele Westen. Het is een goed teken, een teken van de overgang. Een teken dat men op zoek is. Een nieuw kompas.
“The wisdom of the heart”. In Londen, nee eerder nog, in Parijs ... heeft iemand mij eens het boek van een Engelse psychoanalyticus gegeven. Zijn naam ben ik inmiddels ver­geten, maar het was een begaafd man uit de Harley-Street, een typische artsenstraat in Londen. Zijn denkbeelden hebben een diepe indruk op me gemaakt. Hij was in Indië geweest en heeft zich veel van de Indische filosofie eigen gemaakt. In zijn boek staat het woord ‘hart’ centraal. Als ik me goed herinner, heette het de Oorlogsdans. De titel doet het niet vermoeden, maar het ‘hart’ komt buitengewoon dikwijls ter sprake, en toen ik een paar dagen geleden André Gide’s opmerkingen over Dosto­jews­ki las, ontdekte ik dat ook hij de intellectuelen verachtte. Zij belichamen de duivel ... de grote verzoeking waarmee de duivel ons lokt. Dat zegt zelfs Gide. En Dostojewski’s helden, zijn hoofdpersonen zijn steeds mensen die het gevoelsleven hoger achten dan het verstand. Het gevoel. De essentie. Het hart.
Het verstand, dáár komt de verzoeking vandaan.
Later ontmoette ik in Londen deze Engelse analyticus. Het was verrassend te zien hoe weinig hij daar van weg had, nee, hij deed me eerder denken aan een Indisch wijsgeer. Hij was Engelsman in hart en nieren, dat wel, maar doordrenkt van een Indische gedachtewereld. De geest. De cultuur. Ook volgens hem zou men zich moeten laten leiden door het gevoel. Het hart. Niet het verstand. De Rede. Het intellect is schadelijk. Het bederft. Het verminkt.
De hartstocht is een deel der wijsheid. De dichter William Blake zei eens: “The tigers of rage are wiser than the horses of instruction.”
Ik hoop niet ooit zover te komen dat ik mijn innerlijke conflic­ten kan beheersen. Perfectionisme staat me tegen. Met mezelf wil ik altijd in conflict blijven ... niet met anderen, niet met de wereld, maar met mezelf. Ik houd van helderheid, van opge­wektheid. Ik ben lachlustig van aard. Als ik denk aan Boeddha met die onbestemde zekere glimlach, wonderbaarlijk is dat. Ik weet dat ik ’t nooit zover zal brengen, maar ik wens ’t me ook niet. Laat mij maar zijn zoals alle anderen. Hindernissen. Ne­derlagen. Je wordt er altijd wijzer van. De verrijking die het geeft, daarin ligt juist de wijsheid.
Het Nirwana is in ’t geheel niet wat men vaak denkt: een be­spiegelende gelukzaligheid. Nee, het is een verwerkelijking, een voltooiing. Geen liefde zonder lijden. Geen voltooiing zonder strijd. Het is je reinste onzin te geloven dat je volmaakt kunt worden, dat er geen conflicten meer zijn, geen twist of twijfel.
Het paradijs is niet populair. De aanlokkelijkheid van de hel is groter. Daar waar het onkruid zo welig tiert. De hel is zoveel interessanter. De bekoring. De opwinding. De natuurlijke weg naar de wijsheid, een onomstreden waarheid.
Een leven in het paradijs kan ik me niet eens voorstellen. Gé­rald Robitaille, mijn secretaris, heeft een stuk geschreven waarin God naar de aarde keert om na te gaan wat daar zoal gebeurt. Sedert eeuwen was hij niet meer op de hoogte ... Hij sliep. Plotseling interesseert hij zich voor de wereld en besluit te gaan kijken hoe het er in die hel aan toegaat. Hij vindt een gigan­tische menigte en treft daarin Rabelais aan, en Marquis de Sade, Gilles de Ray, alle denkbare monsters. God ziet om zich heen en verklaart dat het bij hem toch heel wat interessanter en aar­diger is.
Het doet me denken aan wat D.H. Lawrence over Jezus schreef, in het boek waarin Christus terugkeert naar de aarde. Maar ditmaal is hij mens als alle anderen, een of andere idioot. Er is één verschil: “He finds life wonderful now, he enjoys life.” Eenvoudig omdat hij zijn persoonlijkheid verloren had – en tegelijkertijd zijn overspannen idee de wereld te willen redden. Van zulk een bezetenheid moet men zich bevrijden, want de wereld willen redden is meer dan een dwaze vergis­sing.
“Hoe wordt de wereld gered ... als dit al ooit zal gebeuren?” Ik kan het me wel voorstellen, vermoedelijk alleen wanneer er zich een verschrikkelijke ramp voltrekt. Een ware catastrofe, zo een die ons overrompelt. Volkomen onverwacht. Het is denkbaar dat de mens, onder indruk van dat onheil, tot een nieuw bewustzijn komt. Alles wat hij was, valt van hem af. De problemen van tegenwoordig zijn niet opgelost, maar verge­ten. Deze worden verdrongen, of beter gezegd, zullen vanzelf verdwijnen.
Het lijkt wat onnozel om over het onmogelijke te spreken. Maar het onmogelijke is zoveel beter dan het waarschijnlijke, want het is duizendmaal aanlokkender. Bovendien ben ik ervan overtuigd dat niets onmogelijk is ... – niets, wel te verstaan. Ik geloof ook dat zolang de mensheid bestaat, de mens in al die tijd er nog verre van is als mens te leven. Lawrence zei: “Een hond blijft altijd hond, ’n paard een paard, ’n bloem een bloem. Maar een mens, blijft hij een mens? Hij is het nog niet eens!”
In werkelijkheid heeft de mens nog geen idee van de kracht die hij bezit en voorstelt. Wat een mens al niet moet onder­vinden eer hij werkelijk mens kan zijn. “Er müszte einen un­geheuren Schock erleiden.”
[Schilderij “De oorlogsdans” van Marijke Vonk. Mannen die ten strijde trekken. Baren wij hiervoor onze zonen? Voor mij is dit ‘het hart als gebroken goed’.]

dinsdag, februari 20, 2007

De zielsverwantschap
[De aardgeest VI]

Een paar dagen geleden ontmoette ik de fotograaf Halasz Brassaï. (Een beroemde Hongaarse fotograaf. In ‘De wijsheid van het hart’ (1941) is Miller’s essay over Brassaï opgenomen: Het oog van Parijs.) Hij schrijft een boek over mij. We raak­ten in gesprek en daarin stelde ik hem de volgende vraag: “In dat wat ik in mijn boeken tot uitdrukking ben, vindt u daarin tegenstrijdigheden?” Hij antwoordde: “U bestaat doodeen­voudig uit niets anders. In alles wat u doet, is de tegenspraak aanwezig.” Dat is goed mogelijk. Walt Whitman zei over zich­zelf: “Of ik mijzelf tegenspreek? Ja, natuurlijk, dat klopt, ik spreek mezelf tegen. Nou en?” André Gide zei het even an­ders: “Alleen domoren spreken zichzelf niet tegen.” Precies. Wat betekent het ook, de tegenspraak? Toch niets. Neen, ik geloof niet dat ik een realist ben. Een surrealist evenmin. Ik heb niet zo’n vast idee van de realiteit. Wel zeg ik altijd: de realiteit waarover ik het heb, schrijf het met een grote R. Niet de objectieve realiteit.
Realistische schrijvers, daar ben ik niet bijster op gesteld. Zon­der dat het een leugen is waarover zij schrijven, is het toch een imitatie van de werkelijke realiteit. Het raakt slechts de op­per­vlakte. Het heeft geen wortels. De ruwheid. Het tijdloze. De realisten geven slechts feiten. Niet de interpretatie. Dus niet de waarheid.
De ervaring. De beleving. De subjectieve realiteit. Het is de enige zekerheid die men heeft, die het zonder definities stellen kan. Men meent vaak dat ik veel ontleen aan grote filosofen. Maar het komische is dat ik de ideeën van de filosofen onver­teerbaar vind. Ik begrijp er ook niets van, maar getroost word ik in de overtuiging dat een filosofie, zo abstract als ze is, niet te leven is. Ze heeft niets met de alledaagsheid van doen. Niets met de tegenwoordigheid. Ze is onbruikbaar.
Ik bewonder de oude Chinezen. Zij verstaan de kunst te ach­terhalen, te interpreteren. Het onderscheiden, daarin ligt de ware wijsheid. De Chinezen. Religieus zijn ze nooit geweest, maar leven, dat kunnen ze! Niet het weifelen, maar het kiezen. “If the wrong man says the right thing, it does not mean any­thing.” Dan is het ook niet waar.
Toen ik zeventien was, ontdekte ik de schrijver Laotse. De Oosterse filosofie, elke andere viel er bij in het niet. Een we­reld ging voor mij open. En dat in Brooklyn, niet te geloven! In dat idiote gezin waar ik leefde, daar las ik Laotse. On­voor­stelbaar. Het heeft zo moeten zijn. Vast en zeker. In toeval­lig­heden geloof ik niet.
De natuur. De ziel. Een verwantschap met Chinezen, Japan­ners, Hindoestanen en Indiërs. Met elk van deze rassen, zelfs daarin waar ze elkaars tegenstelling zijn. De spiritualiteit. De bron. Vroeger droomde ik dat eens de dag zou aanbreken waarop ik naar Tibet zou reizen. Neen, het is er nooit van ge­komen, ofschoon in m’n beleving wel.
Zo bewaar ik mijn eigen innerlijke Tibet.
De dood. Het woord. Een leegte. We hebben er geen idee van wat het betekent. Er is geen dood. Al weet ik niet of reïncar­natie werkelijk bestaat. Daarover ben ik onzeker, maar belang­rijk vind ik het niet. Het is onbewijsbaar, nauwelijks te begrij­pen. Leven is voldoende.
De wedergeboorte is mij niet vreemd. Ik ben vele malen ge­storven. Ontbinding en belofte, dat heb ik sterk ondervonden. De afsterving. De opstanding. Mijn leven is er vol van.
Het volkomen niets doen is mijn ideaal: je laten drijven in plaats van te zwemmen. Vanwaar toch de behoefte iets te doen? Altijd maar die drukte. Is het méér dan een teken van innerlijke onrust? Sociale problemen zijn er het gevolg van. Verlang naar ware eenvoud en wijsheid en ze zijn verdwenen. Vreselijk al die vlijtigheid. We lijken wel insecten. Zo be­weeg­lijk. Zo opgewonden. Maar zo belachelijk als dit lijkt, zo serieus nemen we het. Absurd.
Een groot woord, absurd.
Waar ik vooral aan denk, is de absurditeit van het kwade. De ongerijmdheid van het slechte. Aan het feit bijvoorbeeld dat men in een oorlog moordt. Het ontketenen van een oorlog, dat zal ik wel nooit begrijpen.
Iemand die een ander uit hartstocht vermoordt, kan ik verge­ven. De passie. Maar in een massa meetrekken en in ’t wilde weg op anderen schieten! Dat heeft met menselijkheid niets te maken. Ook met vijanden kan ik in vrede leven. Waarom zouden an­deren niet hetzelfde doen? Een utopie is het niet. Christus en Ghandi leefden zo. Het liep weliswaar slecht met hen af, maar dat is uitzonderlijk. De martelaren. Voor mij bestaat er boven­dien een groot verschil tussen het godsdienstige en de wijs­heid. De weg van de wijzen leidt zelden tot martelaarschap. Als die van de religieuzen daartoe wel leidt, is ’t hun eigen schuld. De vroomheid. De bekering. De strengheid.
De arrogantie. De dwang aan anderen hen te volgen.
Dat is ook het onderscheid tussen Mohammed en Boeddha. Aan de laatste geef ik de voorkeur, al is het belachelijk hem te vereren. De Zen leert juist dat wij allemaal Boeddha’s zijn. Erkennen zelf een Boeddha te zijn of op z’n minst het te kun­nen worden, doch tevens de devotie tot verering van een enke­ling te maken, dat is waanzin. Er anders over denken is haast niet mogelijk, want daarmee creëert men toch een idool zonder dat er verder ook nog maar iets bestaat? Slechts leegte. Slechts ijdelheid.
Raak voor genieën niet in vervoering, schenk de heiligen geen aanbidding en spreek geen vervloekingen uit over misda­di­gers. Men doet wat men kan, in ’t leven. Het leven is zoiets als een reusachtig orkest waarin ieder zijn rol heeft. Het enig be­langrijke is de ons toebedeelde rol te vervullen, welke het ook is. Dat is zowel komisch als tragisch want eigenlijk wil het zeg­­gen: “Wenn Sie ein Mörder sind, seien Sie ein guter Mör­der.”
[De ‘Wijsheid van het hart’, dat ik ooit iemand cadeau heb gedaan, heb ik bij een antiquariaat maar weer ‘terug’-besteld. Afb.: schilderij van Nicole Carvajal, “De andere liefde” naar een foto van Brassaï. De kat staat voor zinnelijkheid, de muis voor ingebeeld gevaar.]

maandag, februari 19, 2007

De bekoring. De verwondering
[De aardgeest V]

Mijn vader? Daar had ik evenmin iets mee op. Hij kwam iedere avond beschonken thuis en maakte dan ruzie met mijn moeder. Aan tafel altijd gedonder en gekijf, waarbij ze niet nalieten elkaar om de oren te slaan. Ik kreeg geen hap door m’n keel. Een verstikkend nest. Geen liefde, maar lijden.
Pas veel later, toen ik uit Frankrijk terugkeerde, ontdekte ik in hem de ware ziel. Een en al goedheid. Het was mijn moeder die hem tiranniseerde, die nooit heeft verzaakt kritiek op hem te hebben. Zij was de gemeenheid. De kwelling.
Hij toonde zich altijd trots en blij als ik een nieuw boek had geschreven, alhoewel hij er slechts één van heeft gelezen: Mo­ney and how it gets this way, een brochure die ik zelf had uit­gegeven in Parijs. Hij dacht dat daarin alle waarheid over geld stond, maar het was een satire. Een klucht.
Sinds ik lezen kan, verslind ik boeken. Zonder boek tref je mij niet aan. Toen ik nog een jaar of zeven was, zat ik vaak bij mijn grootvader aan tafel te lezen. Dan kreeg hij de verwijten van mijn moeder.
Ik las toen kinderboeken natuurlijk. Erg slim was ik niet. Een genie in geen geval. Maar in de puberteit kreeg ik toch al wel oog voor de literatuur. De grote schrijvers. Ja, zelfs voor Bal­zac.
Momenteel lees ik weer boeken uit mijn eerste Parijse jaren, zoals La confession de la minuit en Le journal de Salavin van George Duhamel. Een tijd geleden las ik nog het boek van Edmondo de Amicis, een Italiaans auteur die haast niemand meer kent. Boeken die ik ook vroeger las. Boeken van Rider Haggard, Jack London en Dreiser. Nee, heimwee is het niet. Ik vermoed meer en meer er achter te willen komen wat mij in mijn jongensjaren nu wel en niet aansprak. Mijn bewondering voor sommigen destijds vergelijk ik met mijn mening van vandaag. Hoe wonderlijk als blijkt dat van de glans nog niets is verdwenen. Ware lof schijnt onveranderlijk. Het is bijzonder zoiets te ontdekken. Kalmerend.
Het was min of meer toevallig dat ik Salavin opnieuw ben gaan lezen. Op een dag was ik in de buurt van de Rue Mouf­fetard en de Place de Contrescarpe aan het wandelen en op­eens herinnerde ik me dat Salavin in de Rue Pot-de-fer woonde, daar meteen om de hoek. Op dat moment nam ik mij voor deze roman van Duhamel te herlezen. Een meesterwerk. Subliem in zijn eenvoud. Niet typisch Frans, eerder Russisch. De overeenstemming. De weerklank.
Salavin is in wezen een volkomen onbelangrijk mens. Een randfiguur. Een mislukkeling. Een Dostojewski-figuur. Het bijzondere is echter, dat hij dit slechts is in de ogen van de wereld, niet in die van de lezers. Integendeel, voor degene die over hem leest, is het een hoogst interessant en boeiend per­soon die zich aan hem in alle toonaarden openbaart. De onthulling. De nabijheid. Dat is wat mij bevalt.
Ik heb een zwak voor de armen, de nooddruftigen. De ver­latenen. De primitieven. Voor de schrandere kerel. Meer dan een pienter mannetje ben ik zelf ook niet. De gelijkheid. De identificatie. Waardering wellicht voor beroemde en alom erkende mensen, maar genegenheid? Neen.
Het zou onjuist zijn te beweren dat ik nog altijd twijfel aan mezelf als schrijver. Wat ik doe, daarin geloof ik. Op de keper beschouwd heb ik vrij snel hierin zekerheid gekregen, ik ge­loof zelfs ondanks mijn boeken. Een zekerheid omtrent wie ik ben. Mijn bewustzijn. Mijn geest. Mijn ideeën.
Ik ben blijven strijden tegen het intellectualisme. Dat is be­slissend geweest. De intelligentie op zich leidt tot niets. In­tellectuelen missen elke zekerheid. Het zijn mensen die twij­felen. Permanent. Werkelijk iets weten, neen. Terwijl een sim­pele ziel met een religieuze geest deze zekerheid in zichzelf hebben kan. Heerlijk is het zulke mensen te ontmoeten. De eenvoud.
De meesten kunnen het zich niet voorstellen, maar in de grond van mijn hart ben ik een religieus mens. Niettemin, er is geen religie die mij voor zich winnen kan. Ze zijn alle volslagen on­zin en bovendien niet ongevaarlijk. De misleiding.
In bepaalde dingen evenwel geloof ik gewoon. Ik geloof in het bestaan van een hogere orde, een almacht, noem hem God. Ik geloof in een leven tussen mij en deze God, in een band met de cosmos. Al weet je ’t nooit, maar het geheimzinnige van het leven zal door ons niet te doorgronden zijn. De aanvaar­ding. De overgave.
In die zin ben ik religieus.
Een bijbel heb ik niet nodig. De kerken, zelfs het Boeddhisme, zijn volgens mij niet meer dan een spotprent van het geloof.
“Es gibt keinen Zufall in Universum.” Alles volgt z’n natuur. Wetten. Regels. De bestemming. Kunnen leven is onbe­schrij­felijk betekenisvol. Wie dit niet beseft, is het ook niets waard. Zelfs er over spreken is dan zinloos.
Belangrijk is de band met het universum te onderkennen. Het verbond. De samenvoeging. Het is een wonder. Niet zomaar een werkelijkheid, maar een vol geheimen. Onpeilbaar. Neen, zo realistisch als de jeugd het leven nu opvat, kan ik niet. Voor mij is het ’t Goddelijke.
Onreikbaar heilig.
In de Steenbokskeerkring komt een passage voor waarin ik in het bos ben. Juist als ik me gewassen heb en de hut inga om mij aan te kleden, steekt er een storm op. Een ongenadig harde wind. Ik ga meteen weer naar buiten, trek mij niets aan van regen en bliksem en maak een soort heilige dans. Onver­ge­telijk. Niet als bespotting, maar als ontkenning van God. De uitdrukking van mijn verbond.
[Pag. uit Duhamel’s Vie et aventures de Salavin, Illustr. par Berthold Mahn.]

zondag, februari 18, 2007

“Vom Winde verweht”
[De aardgeest IV]

Zoals de mensen in mijn boeken zijn, zo waren ze ook wer­kelijk. Het boek. Het woord. Het leven. Soms een lichte verandering, een kleine overdrijving maar eigenlijk ook dan slechts vanwege de ware weerspiegeling der werkelijkheid. Niet ter verfraaiing, maar om dichter bij de verborgenheid te kunnen komen. Achter alles gaat iets anders schuil. Het we­zen. De ziel. Het doordringen tot de kern, daar gaat het mij om.
Niet uit nieuwsgierigheid, maar afkomstig van het hart. De ontroering, het onbeduidende, het verborgene, dát aan het licht te brengen. De weg naar het centrum. De aardgeest.
Er is iets in het leven dat me verontrust: dat mensen anderen vaak kleineren. In een ander de grootheid erkennen, dat lijkt onmogelijk. De boosheid. De benadeling.
Misschien is de prijs die ik anderen – die ik niet mag of ver­acht of zelfs haat – betalen laat, deze, dat ik ze meestal als karikatuur uitbeeld. Mij is vaak gezegd dat ik daarin uit­mun­tend slaag, dat is waar, maar mij lijkt het tevens dat ik steeds oog heb voor beide: de realiteit en de karikatuur.
Niet alleen de spot.
Denk aan “Dr. Kronsky”, de psychiater die telkens in mijn boeken voorkomt en zich aan het eind weerloos aan een analyse onderwerpt waarin ik hem het geld dat hij van zijn patiënten genomen heeft, weer laat uitspugen. Maar in al zijn dwaasheid blijft er een tederheid. Het menselijke. Zowel de duivel als de engel.
En toch, ik houd niet van psychiaters, zelfs de grootsten onder hen laten mij onverschillig. Jung bijvoorbeeld vind ik afgrij­se­lijk vervelend. Onverteerbaar. Wat een zwaarmoedigheid. Wat een saaiheid. Een echte Zwitser. En Freud! Alles van hem heb ik gelezen, ook van Jung trouwens, ik was er verrukt van. Vroe­ger. Nu zegt het me niets meer. Er schuilt meer bedrog in dan waarheid. Meer belasting dan bevrijding. De mythe.
Wat Dr. Kronsky betreft, mijn hemel wat een dwaas was dat, maar ook uitgesproken goedmoedig. Ik heb hem leren kennen op het telegraafkantoor en we zijn meteen bevriend geraakt. Hij behoort tot mijn talloze bekenden uit die tijd. Kronsky studeerde toen nog en had vaak kritiek op mij. Het gebeurde zelfs dat we een discussie op straat uitvochten. Hij hief z’n vuist en daagde me werkelijk uit. Zo vochten we het uit, ofschoon ik in rang zijn meerdere was.
Later, toen ik eens heel beslist zelfmoord wilde plegen, gaf hij mij na lang aandringen een medicijn. Uit goedheid, ter gerust­stelling. Een jaar lang had ik er om gezeurd, doch telkens ant­woordde hij: “Nou nou, zoiets doe je toch niet”, hetgeen ten slotte veranderde in: “Goed, als ’t dan zo nodig moet, hier ...”
Ik nam de tablet in, kleedde me uit en ging naakt op bed lig­gen. Het was hartje winter. Het raam liet ik open om zeker te zijn dat het me lukken zou. Het was stil en duister. ‘s Nachts begon het te sneeuwen. In de ochtend werd ik warempel toch weer wakker, ik was niet eens verkouden geworden van dat open venster. Wel volledig ondergesneeuwd. Hij had me een slaapmiddel gegeven.
De kleine bezwering.
Het randje van de wereld. In de ene hand de dood, in de andere het leven. Het drama van ontstaan en vergaan. Ik had genoeg van het leven met June, voelde me mislukt als schrijver en er was niets meer heel aan de band met mijn ouders. Eeuwige treurigheid. Eeuwige duisternis.
Van tijd tot tijd keert het terug, deze tragiek. Nog maar kort ge­leden dacht ik er aan er een eind aan te maken. Ik ben er aan gewend en telkens als het mij overvalt, denk ik ook dan wel weer een weg te vinden deze sluipdood te overleven. Ik ga naar bed en blijf liggen tot het voorbij is. Als dat zo is, sta ik op, voel me weer goed en heb honger. Een teken dat ik gezond ben.
De relatie tot mijn moeder was vol doornen van liefdeloos­heid. Geen genegenheid. Geen koestering of tederheid, nooit heeft ze me een zoen gegeven. In plaats van een liefkozing zei ze slechts dat ik een nietsnut was, een mislukkeling. Voor alles kwam ik altijd te laat. Haar aanhoudende verwijten onder­mijn­den mijn zelfvertrouwen. Een gesneuveld hart. Ik kon doen wat ik wilde, maar zij toonde niet de geringste blijdschap of tevredenheid. Toen ik besloot schrijver te worden, bleek ze hoogst geïrriteerd, beledigd zelfs. Ze vond het krankzinnig, vooral omdat ze er haar zinnen op had gezet dat ik kleermaker zou worden en bij mijn vader zou gaan werken. Volslagen idioot dat zo stellig te verwachten.
Vanaf mijn zestiende geloof ik staat er een muur tussen ons. Nog slechts door kieren met elkaar te spreken. Het enige ple­zierige hieraan was, dat ze mij m’n gang liet gaan. Onge­moeid, alsof ik niet bestond. Ik ging en kwam wanneer ik wilde, het interesseerde niemand.
Later ben ik van huis weggegaan en heb ik bij een vrouw geleefd die ik beschreven heb als “de weduwe”. (Pauline Chouteau uit Phoebus, Virginia, 1909.) Zij was ongeveer zo oud als mijn moeder en had een zoon van mijn leeftijd. Toch ben ik weer teruggekeerd naar huis. Ik had geld noch werk en kon bovendien slecht opschieten met die vrouw.
Thuis trachtte ik te schrijven, ik had al een schrijfmachine. Maar steeds als een van de buren tegen het raam klopte of aan­belde, kwam mijn moeder: “Snel Henry, verstop die machine en verschuil je in de kast.” Soms zat ik daar wel twee uur op­gesloten, alleen omdat mijn moeder voor niemand wilde weten dat haar zoon schreef. Een schande was het.
In al die jaren heeft ze niet één regel gelezen. Van geen van mijn boeken wilde ze iets weten. Er over spreken was zelfs taboe. Eénmaal, toen ik in 1940 terugkeerde uit Frankrijk, vroeg ze: “Heb je geld verdiend?” Ik antwoordde dat het beter was daarover te zwijgen. Toen zei ze: “Waarom heb je ook niet zoiets als ‘Verwaaid door de wind’ geschreven?”
Onvoorstelbaar. Frappant.
Niets is hopelozer dan het zonder deze liefde te moeten stel­len. Geen vriendschap. Geen respect. Eeuwige eenzaamheid.
[Photo: June Edith Smith, ontmoet in een Broadway-dancing, met wie hij – na de scheiding van pianiste Beatrice Sylvas Wickens uit Brooklyn - in 1924 trouwt. Het huwelijk wordt in 1934 ontbonden. Dan ontmoet hij Eve Adams, die met hem de boeken vent in de café’s van Montparnasse.]

zaterdag, februari 17, 2007

Het onverschrokkene. Het vasthoudende. De dynamiek
[De aardgeest III]

Als ik teruglees in mijn eigen brieven uit de periode New York, dan bloos ik van verbazing en schaamte. Wat een taal. Wat een woordkeus. Wat een heimelijkheid ook. Destijds geloofde ik waarachtig dat een schrijver alleen zó zou schrij­ven. Naïef. Dwaas. Ik zocht de innemendheid van de taal, pas later kwam de werkelijkheid. De directheid. Als ik achter mijn schrijfmachine zat, je wilt het niet weten, maar vóór mij hing aan de muur een lijst van woorden die ik hoe dan ook gebrui­ken wilde. Zeker de woorden die ik omcirkeld had. Wat een onzin!
In Parijs is dat veranderd. Ik las veel Franse boeken en daarin ontdekte ik de soberheid waaraan het bij mij ontbrak. Ge­lei­delijk veranderde de toon in mijn brieven. Niet langer meer de gedwongen stijl van “schrijvers”-brieven. Ook het schilder­achtige van Parijs heeft een grote indruk op mij gemaakt. Niet de eerste keer dat ik er was, in 1928, toen raakte het me nau­welijks, integendeel. De tweede maal, volkomen aan de grond en vertwijfeld was ik, toen begon ik het ware Parijs te zien (1933). Ik leefde als een clochard, maar zocht geen toevlucht. Ik ontdekte Parijs zoals ik mezelf ontdekte. Pijnlijk, maar ook bevrijdend.
Ik herinner me oude vervallen muren met op veel plaatsen prachtige wandschilderingen. Als door een steekvlam getrof­fen. De uitdaging. De impuls. Ik begon te schrijven zoals men schildert.
In mij heeft altijd al iets van een schilder gezeten. Vroeger, in New York, maakte ik aquarellen. De muziek was er het eerst. Ik hield van piano en orgel en ook nu nog vind ik het de schoonste van alle kunsten. Daarna kwam het schilderen en ten slotte het schrijven. Wat dat betreft heb ik veel aan Parijs te danken.
Daar leerde ik de afgrond kennen. De verloedering. De erbar­melijkheid. De leeuwenkuil. Zelfs toen mijn eerste boeken gepubliceerd waren, was ik daaraan nog niet ontsnapt. Nog niet de overwinning. Nog niet de rozentuin. De “Kreefts­keer­kring” was haast een fiasco geworden. Bijna in de strikken van een nederlaag. Strijd. Verzet. Ik deed er alles voor de wereld te doen geloven dat ik een goed boek had geschreven. Ik schaam me wat het nu nog te zeggen, maar ik was als een moeder die haar pasgeboren kind niet verliezen wilde, zo beladen was mijn verdediging. Ik ben een Steenbok, een pragmaticus. Op mijn manier een beetje zakenman.
Aan heel wat mensen heb ik toen een brief geschreven. De eerste naar een vorst van een verafgelegen eiland, de naam is me ontschoten. Een van mijn vrienden kende dit heerschap en op een nacht ben ik opgestaan en heb hem geschreven. Ko­misch, niet!? Later heb ik dat nog eens gedaan, met “Weerzien in Brooklyn”, dat ik in eigen beheer heb uitgegeven. Een be­­perkte oplage, maar toen er zestig van verkocht waren en er een groot restant dreigde, werd ik woedend. Op een avond had ik het er over met een vriend en, zo aangeschoten als we wa­ren, we vroegen ons af of we de onverkochte exemplaren niet gewoon aan onbekenden zouden opsturen. Een schitterend idee. Met adressen uit het telefoonboek hebben we een paar honderd boeken verzonden. Zo, in het wilde weg. Ik had zelf niet één exemplaar meer en ’t heeft dertig jaar geduurd eer ik er een terugvond.
Het wonderlijke is dat wanneer ik terugdenk aan alle moei­lijk­heden, of het nu in mijn jeugd in New York was of jaren later in Parijs, ik nooit volstrekt ontmoedigd raakte. Ogen en oren hield ik altijd open. Ik verslond alles wat ik zag. Ik hoorde op­merkelijk precies. Ook nu nog. In mijn jeugd ben ik lange tijd verschrikkelijk arrogant geweest. “Supercillious.” De hoog­moed. De trots. De minachting. De wereld veranderen, dat was mijn droom. Mijn streven. Mijn blindheid. Maar door het schrij­ven zijn mijn denkbeelden veranderd. En hoe!
Er is geen spoor van behoefte meer de wereld een lesje te leren. Liever de rust. De tevredenheid. Laat de wereld zijn zo­als ze is, met al haar kwalen, haar onguurheid en ongemakken. Het leidt tot waanzin toch, te denken daartegen als enkeling ook maar iets te kunnen doen. Tot die orde behoor ik niet meer.
Ergens heb ik de ‘condition humaine’ aanvaard. Neen, niet het compromis, maar wijsheid hoop ik. Inzicht. Natuurlijk zijn er die nu beweren: “Aha, nu hij bejaard is, weet hij zich te schik­ken, hij accepteert, hij is machteloos. Gebroken is de weer­stand.” Bij het grijzen der slapen. Ik geloof dat het onjuist is. Niet het passieve accepteren, maar het bewogene der geest, de grootmoedigheid naar alles in ’t leven, in het bijzonder naar mensen.
Zelfs naar mijn vijanden. Dat is het belangrijkste, want de vijand, hij schuilt in jezelf. Dat is mijn besef. De wakkerheid. Ik ben zelf de vijand. Het is onvermijdelijk de ander te accep­teren, hij is alleen en niet mét iemand.
Er is altijd angst, vrees het leven niet ten volle te leven. We vrezen zelfs dat wat goed is, wat blij maakt. Sommigen leven alleen om dood te gaan. Altijd uitstel. Altijd uitvluchten en verontschuldigingen. Wat een sterfte. Wat een tragedie.
Het wonderbaarlijke! Het is nooit geheel afwezig ..., maar onze pogingen het teweeg te brengen, hoe grotesk. Hoe on­handig en lomp.

[Zie bijvoorbeeld Quiet days in Clichy, eerste druk: The Olympia Press, Parijs, waarin Miller over zijn ervaringen vertelt uit de jaren dertig, die hij voor een groot deel met zijn vriend Alfred Perlès in Parijs doorbrengt, en al zitten ze regelmatig aan de grond, ze weten altijd uit het dal omhoog te klimmen. Afb: schilderij “Memories” van Bogdan Zwir.]

vrijdag, februari 16, 2007

Een stille stem die de valkuil ontloopt
[De aardgeest II]

In mij iemand te vinden die gefrustreerd is in de liefde zal menig lezer verrassen. Dat komt omdat ik altijd uitsluitend over mijn seksuele liefdesaffaires schreef en zo opzettelijk de schijn heb gewekt alsof dat de werkelijkheid was die mijn wereld in beweging hield. Alsof dat het enig vitale is dat mij ontroert.
De ware liefde verzweeg ik, ofschoon niet waar ik het heb over Mona, de vrouw die ’t meest in mijn boeken voorkomt. Er zijn vrouwen die ik nooit in mijn schrijven zal betrekken. Niet uit verlegenheid. Niet uit discretie.
Het geheimzinnige zwijgen. Niet over de zinnelijkheid, over het puur prikkelende plezier. Minder de koestering, eerder het genot. Daarover voel ik geen weerstand te schrijven. Bovendien toon ik me bij voorkeur van mijn aardse zijde, mijn donkere kant. “Ja, dass ist mir sehr viel lieber. Der teufel statt des Engels.”
Toch blijft Mona in het grootste deel van mijn werk aanwezig. Toen ik in Parijs was, wilde ik almaar schrijven over mijn lijden gedurende de zeven jaar dat ik met haar geleefd heb. Ik heb gele­den, meer dan wie ook ter wereld. Alleen over deze periode wilde ik eigenlijk schrijven. Maar welke geest heeft zich van mij meester gemaakt, ik ben steeds maar verder gegaan, in feite tegen mijn wil. Een overstroming. Tegelijkertijd sluit dit niet uit dat waar ik in mijn boeken over schrijf, zich heel dui­delijk concentreert op die zeven jaar. Ik heb het over mijn jeugd, de jaren daarvóór, niet over de jaren die volgen.
In wezen ben ik schrijver geworden uit een soort vertwijfeling. Tientallen baantjes heb ik gehad, maar nergens vond ik m’n draai. Geen rust, geen tevredenheid, voldoening allerminst. Schrijven, dat was het enige dat ik nog niet gedaan had doch wachtte op ontginning. Zo stroopte ik mijn akkers af en vond de taal. De vorm. De stijl.
Mijn eerste boek, Clipped Wings, is nooit gepubliceerd. (Vol­gens Anaïs Nin was Henry in de winter van 1931 bezig zijn eerste boek te herschrijven en de titel daarvan luidde: Crazy Cock. Hij schreef het in 1927. Clipped Wings schreef hij echter reeds in 1922.) Het manuscript is er niet meer. Ik heb het mijn vrouw June nagelaten, maar het is verdwenen. Het was een verzameling van twaalf novellen, in vijf weken geschreven. In die tijd dacht ik dat een schrijver minstens twaalf uur per dag moest werken. Een slaaf. Veel later pas ontdekte ik dat twee of drie uur per dag doorgaans genoeg was. In elk opzicht ook beter.
Nadien, dat wil zeggen tussen 1922 en 1927, heb ik nog twee andere romans geschreven, evenmin gepubliceerd, maar ik vind er ook geen spoor van mijzelf in terug. Geen herkenning. Geen tekens voor boeken van latere datum, ook al beweert mijn secretaris, Gerald Robitaille, van wel. Ik niet. Ze zijn door een ander mens geschreven.
Eén van deze drie boeken heb ik onder pseudoniem geschre­ven, net als Balzac. Er was namelijk een man tegen wie mijn vrouw altijd zei dat zij schrijfster was. “Mijn essays, mijn no­vellen”, daar sprak zij voortdurend over. Hij beloofde haar dat wanneer zij hem haar manuscript zou tonen, hij het kopen zou. Aldus geschiedde. Zij bracht hem “mijn” manuscript, hij las het en liet zich aan haar ontvallen: “Merkwaardig, ik zou zweren dat het door een man geschreven is.” Niettemin, hij betaalde haar en met dat geld hebben June en ik onze eerste reis naar Parijs gemaakt.
De twintiger jaren. Een duivelse tijd. De tijd der slavernij. Mijn werk bij het grote telegraafkantoor in New York. De onderdanigheid. Het gezag. De gluiperigheid ook. Ik heb daar viereneenhalf jaar gewerkt, eerst als gewone telegrambe­zor­ger, maar, ik schaam me niet het te zeggen, tevens als een soort spion. Mijn taak was het vast te stellen of de andere tel­e­g­rambezorgers, vooral de jongsten, wel goed behandeld wer­den en niet als uitschot. Of de directeuren van de verschillende kantoren niet te lomp met hen omgingen. De grofheid. Tweemaal ben ik er uitgesmeten omdat men vond dat ik te toegeeflijk was. Maar ik genoot het vertrouwen van de direc­teur-generaal die me op een andere afdeling plaatste waar ik zoiets werd als personeelschef.
Volkomen surrealistisch. Stel je voor: omdat we voortdurend invallers nodig hadden, verschenen er iedere dag zo’n honderd gegadigden, terwijl ik maar aan twintig of dertig een job kon geven. Maar elke dag honderd verschillende personen beoor­delen. Alleen het lezen van de referenties al, die vaak nog ver­valst waren ook. Er zat van alles tussen. Een wonderbaarlijke, maar ook afmattende ervaring.
Op het eind van de dag wachtte ik op de dienst-detective en gezamenlijk gingen we dan zo’n dertig bureau’s langs. Hij opende de kassa en controleerde de afrekeningen. Het is on­waarschijnlijk wat daarbij soms aan het licht kwam. Het was het grootste gajes dat we daar aan het werk hadden. Vooral die van tussen de twintig en de dertig. Vergeet niet, het was kort na de eerste wereldoorlog. Onder hen waren veel oorlogs­slachtoffers. Zij verdienden niets en ik was voortdurend plat­zak omdat ik hen wat van het mijne gaf; ja, ik leende zelfs van het personeel om het hen te kunnen geven. De kreupelen. De stakkers. De filantroop. Achter al deze mannen verborg zich een afschuwelijke geschiedenis. Zij bleven voor mijn bureau staan, maar ik zei: “Neem een stoel, ga zitten en vertel.” Vaak begon de man dan te huilen en te stotteren. Het was erger dan psychiater te zijn. Het ware gekerm. De personeelschef, wiens functie ik had overgenomen, werkte nog bij mij in een onder­geschikte positie. Hij kon het niet laten onophoudelijk te zeg­gen: “Miller, verspil toch niet je tijd aan deze lui”, maar ik antwoordde hem: “Ik verspil niet mijn tijd, integendeel”, en dat was juist.
June drong er bij mij op aan deze baan op te zeggen en ik had in mezelf ook al besloten schrijver te worden. Op een dag kwam ik op kantoor, zoals gewoonlijk stonden er al honderd sollicitanten en ik zei, zonder dat ik er daarvóór over had na­gedacht, tegen mijn secretaresse: “Bel de directie en zeg hen dat ik er genoeg van heb, ik ga. De twee weken salaris die ik nog tegoed heb kunnen ze houden.” Ik heb mijn papieren bij elkaar gegrist, m’n hoed en tas en ging weg. Als een vrij man liep ik over straat, alsof ik uit Siberië kwam.
De ene hel is de andere niet, maar er volgde een nieuwe perio­de van bittere ellende. June en ik trachtten in de café’s van Greenwich Village en de 2nd Avenue mijn slecht gedrukte ge­schriften te verkopen. Dat liep op niets uit. Toen hebben we het met bonbons geprobeerd. Twee volle tassen sleepten we met ons mee. Het was zwaar. Meedogenloos. Terwijl June het café inging, wachtte ik buiten op haar. Soms kwam ze met een vijftig-dollarbiljet terug als iemand eens de hele partij gewild had. Maar meestal verkochten we niets. Het sneeuwde. Het regende, het was bar. Met koude en natte voeten stond ik buiten en eerlijk, ik dacht “Waar blijft dat loeder?” Een raar leven. Bit­terheid en droefenis. Doornen alom. Ik voelde me de bekla­genswaardigste van iedereen. De verbeelding. Natuurlijk was dat niet zo. Maar het was ook nog niet afgelopen met de ar­moede, in Parijs werd het nog veel erger. Toch was het anders, beter te verdragen. Ik leed er wel onder, maar alles was anders. De atmosfeer. De mensen. Zelfs het lijden werd bijna aange­naam. “Der Engel statt des Teufels.” Bijna.
[Crazy Cock verscheen in 1992 bij Grove PR, met een voorwoord van Erica Jong en, alsof het niet genoeg was, een introductie door Mary V. Dearborn.]

donderdag, februari 15, 2007

De ontroerbaarheid
[De aardgeest I]

Ik geloof dat ik pas na mijn vijfenveertigste me werkelijk jong ben gaan voelen. Ik heb het gevoel toen een stadium bereikt te hebben dat zich nadien niet meer veranderd heeft. Mijn ge­zicht is niet dat van een vijfenveertigjarige man, dat besef ik natuurlijk, maar het bewogene, de geest, die is niet gaan zwerven. Terwijl toen ik jong was, ik me soms een oud man voelde.
Dat overkomt veel jonge mensen. De jeugd. Het zoeken, de onzekerheid, het zich overal aan ergeren en in opstand raken. Denk je eens in hoe jonge mensen zich de ouderdom voor­stellen, daarin komt hun onevenwichtigheid tot uitdrukking. Zij zien het als een tijd van ellende en ziekte, een volledige aftakeling, slechts wachtend op de laatste ademtocht. Veel oude mensen, die niet in staat waren noch begrepen hebben jong te worden, denken er precies zo over, en mij dunkt, zij hebben geen ongelijk ... wat hunzelf betreft. Maar als men ontvankelijk blijft, als men geen vastgeklonken ideeën, geen plannen, geen eerzucht heeft, wanneer men het durft kwets­baar te blijven .... Hoe kwetsbaarder, hoe openhartiger, daar komt ‘t op aan.
Is het niet de illusie van de jeugd te geloven dat je je eenvou­dig alles kunt veroorloven? Niets is zo onwaar als dit. En tot wat voor frustraties leidt dit wel niet. Terwijl de wijsheid der jeugd in het ouder-zijn juist het besef kent dat er grenzen zijn, dat je het ene kunt doen maar het andere moet laten, dat je weet dat niet al je wensen in vervulling gaan.
De dwaling van de jeugd is dat zij haar wensen voor realiteit aanziet en daaraan een grenzeloos geloof hecht. Juist dat is het onnatuurlijke. Vechten tegen de natuur, die zijn eigen wetten kent, dat is waanzin. (Miller is ongeveer tezelfdertijd ‘jong’ geworden als hij als schrijver wist op te vallen. Dat was in 1934, met de Kreeftskeerkring.)
Ik hoopte zoniet een tweede Dostojewski te worden – een Amerikaanse Dostojewski – dan wel hem op z’n minst zo dicht mogelijk te naderen. In de grond van mijn hart wist ik zeker dat ik het tegen hem niet kon opnemen, daarvoor stond hij te ver weg, maar een voorbeeld, dat was hij zeker. Daarnaast was er Knut Hamsun. Wat betreft de onderwerpen en de personen was het Dostojewski, maar waar het om vorm en stijl gaat was Knut Hamsun mijn ideaal. Een stijl die mij altijd voor de geest zweefde en die ik ooit zou wensen te be­heersen. Zelfs nu denk ik nog vaak: kon ik maar schrijven zoals Hamsun. Hij behoort tot de weinige schrijvers wiens werk ik steeds weer lees zonder er genoeg van te krijgen. Een openbaring. Zijn roman Mysteriën heb ik misschien wel vijfmaal gelezen en iedere keer opnieuw stel ik vast dat het een meesterwerk is.
Het is eigenaardig dat de critici nooit aan Knut Hamsun ge­dacht hebben als ze het over mijn stijl hadden. Men heeft mij vaak met Petronius Arbiter, de Petronius van Satyricon, ver­geleken. Niet geheel ten onrechte trouwens. Ik had zo mijn voorbeelden die ik nastreven wilde, allereerst deze Petronius. En natuurlijk ook Rabelais, maar bijvoorbeeld nooit Balzac, die verveelt me. Balzac is vermoedelijk te veel romancier, te gemakkelijk. Te lichtzinnig geloof ik.
Als het werk van een schrijver omvangrijk is, ben ik altijd wantrouwend. Een man die honderd boeken schrijft, ik heb ’t er niet op. Vroeger is mij verteld, dat Balzac dertig romans onder pseudoniem heeft geschreven en tot zijn eenendertigste niet één onder eigen naam. Ik wil graag aannemen dat het klopt, maar is het niet tamelijk onwaarschijnlijk? Balzac is overigens niet de enige die ik niet lezen kan. Moby Dick bij­voorbeeld, zal ik nooit lezen. Een meesterwerk, maar het ligt me eenvoudig niet. En Stendhal zou ik verschrikkelijk graag willen leren kennen, maar met de beste wil van de wereld, neen ik breng het niet op. Ondoordringbaar. Evenzo met Shakespeare. Vroeger heb ik werk van hem gelezen, maar er van begrepen heb ik niets. Nu is het te laat.
Eerlijk gezegd, het enige dat ik nog zou willen ontdekken, dat zijn misschien de occulte auteurs. Ik heb er al veel gelezen, word er ongewoon sterk door aangetrokken. Ik heb een uitge­sproken zwakte voor wat men de occulte wetenschap noemt. Een wereld die me mateloos veel genoegen schenkt, bijna evenzeer als seks.
Er wordt dikwijls gezegd dat twee categorieën boeken geen publiciteit verdienen: het occultisme en de pornografie, of laten we zeggen, de erotiek. Dat is ongetwijfeld waar. Beide beroeren in ons waarnaar wij hongeren.
Eigenlijk is het onjuist dat ik het daareven alleen over de stijl van Hamsun had. Het is moeilijk te zeggen, maar wat mij vooral in hem boeide, is dat al zijn vrouwelijke hoofdfiguren telkens in de liefde zijn gefrustreerd. In mijn leven heb ik niet anders ervaren. Ik wil maar zeggen, op dit gebied ben ik be­hoor­lijk gefrustreerd geweest. Niemand zou dit vermoeden, omdat ik het altijd maar had over mijn seksuele affaires, op het buitensporige af. Maar over de ware liefde sprak ik niet, uit­gezonderd misschien in geringe mate met betrekking tot Mona, de vrouw die herhaaldelijk in mijn boeken voorkomt. Er zijn vrouwen over wie ik nooit zal schrijven. Dat is zoiets als een taboe voor mij. De ware liefde verzwijgen. De puur seksuele relaties, dat is iets anders. En bovendien, ik toon me bij voorkeur van mijn slechte zijde. The evil side.
[Afb.: Knut Hamsun, schilderij van Alfredo Andersen (1881). Hamsun ontving in 1920 de Nobelprijs voor literatuur voor zijn monumentale werk Growth of Soil.]

woensdag, februari 14, 2007

De aardgeest

Het verhaal De aardgeest schreef ik in 1985 en nu, tweeëntwintig jaar later, schrijf ik een licht herziene versie daarvan. Wanneer ik terugdenk aan de beginjaren tachtig weet ik hoezeer getroffen te zijn door auteurs als Henry Miller. Ik had in die tijd ook een aardige collectie Milleriana, maar delen daaruit zijn – tot mijn latere spijt – verkocht (maar alles wat je hebt, heb je toch maar voor een poosje, zo is het leven). Eén boek, De wijsheid van het hart, heb ik iemand ca­deau gedaan en daarover bestaat geen spijt – wel jammer dat ik ’t niet meer kan inzien.
Maar voor ik morgen aanvang met een reeks van twaalf, eerst een verantwoording.
In september 1969 vonden er voor de Franse radio en televisie een aantal gesprekken plaats tussen Henry Miller en George Belmont. Miller was toen 78 jaar. De dialogen zijn in boek­vorm bijeengebracht en verschenen achtereenvolgens in Frank­rijk (1970) en in Duitsland (1973). Een Nederlandse editie werd in die tijd kennelijk niet van waarde geacht, ook later niet, of het moet zijn dat men vreesde met een doublure van doen te krijgen gezien de in 1963 verschenen correspondentie tussen Henry Miller en Jacques den Haan.
De aardgeest is een bewerking van de onverkorte Duitse uitgave Mein Jugend hat spät begonnen. De interviewstructuur heb ik geheel weggehaald, dus ook vraag en weerwoord van Belmont. Ik geloof niet dat zo’n bewerking, zo’n nadrukkelijke na-vertelling, een daad van schennis is, maar een korte toelichting is op zijn plaats. Het lezen van de boeken van Henry Miller, de brieven van hem aan Anaïs Nin, Milleriana van Den Haan en de biografie van Walter Schmiele hebben mij altijd betoverd: elk begrip van tijd en oriëntatie ontviel mij wanneer ik me terugtrok in de stille wereld van deze boeken, net zo lang tot ik de fysieke grens naderde van het ongemerkt dichtvallen van mijn ogen. Dat overkwam me ook tijdens het lezen van het Duitse interview, en ofschoon ik nimmer zijn stem heb gehoord was het alsof ik luisterde naar Miller. Naar een zacht pratende, vriendelijke en ernstige man. Naar een innemend mens.
Als ik ooit, zo meende ik toentertijd, naar een eiland verban­nen zou worden, met het schijnbare lot van hopeloze een­zaam­heid, “dan geraakte ik, hoe dwaas het ook lijkt, meer nog tot leven dan thans”, zo staat het in mijn dagboek. “Waar nu ver­snippering is, heerst dan een oneindige onderdompeling in de wereld van mijn schrijvers: Henry Miller, Anaïs Nin, Gustave Flaubert, Paul Léautaud, Violette Leduc, Leo Tolstoi, Oscar de Wit, Roger van de Velde, Jeroen Brouwers en Cees Buddingh. (Ik laat dit lijstje intact, maar nu, ruim twintig jaar later, voeg ik daar beslist nog enkelen aan toe en ben dan nóg onvolledig: Marcel Jouhandeau, Hans Warren, Alberto Manguel, Pessoa, Houellebecq, Márai, Camus, Nietzsche, Kapuscincki, Pascal, Vroman. En dat ‘zogenaamd meer tot leven geraken dan thans’ wat ik toen schreef, vind ik barre onzin en naïef – ik ben niet de man die de eenzaamheid viert, wel kan ik me de euforie over een enkele week van afzondering, denk aan Wolkers op Rottumerplaat in 1971, heel goed voorstellen.) Hoe irreëel deze gedachte aan ballingschap ook is, ze symbo­liseert het korte leven. Van alle plannen die in mij ronddwalen, krijg ik nog niet een kwart gedaan. Vooral dit besef en de lief­de voor de letteren doen mij soms dromen van een eenvoudige, voor anderen macabere, maar toch weelderige verlatenheid.
In deze geest is De aardgeest ontstaan: een monoloog die, of­schoon niet wasecht, nauw verwant is aan het gesprek tussen Henry Miller en George Belmont, bijna veertig jaar geleden. Er is weinig waarvoor ik mijn hand in het vuur steek. Aldus is dit verhaal weer van Miller zelf geworden, zo toegeeflijk en openhartig is hij in zijn observatie van de menselijke natuur en daarom door mij een aardgeest genoemd. Het is niet aan strikte tijdsgrenzen gebonden, maar keert zich naar binnen: het verhaal van Miller is als de voettocht van de leerling naar de meester. Het zijn minder de feiten als wel de compositie van innerlijke nederlagen en triomfen. De werkelijkheid van deze mens, die fascineert me. De taal geeft daar slechts een idee van, zoals die ook een idee geeft van mijn wijze van interpreteren en mijn stijl van schrijven, wonderlijk te zien ruim twintig jaar later.
Vanaf morgen twaalf korte teksten die De aardgeest vormen, een verhaal dat ik Henry Miller zelf laat vertellen. De ‘ik’-figuur is dus steeds en uitsluitend Henry Valentin Miller, geboren in 1891 in Yorkville (NY), als zoon van Amerikaanse ouders van Duitse afkomst: Heinrich Miller en Luise Miller-Nieting.
[Afb.: mijn (enige) boekje De aardgeest, met een foto van Henry Miller, genomen kort voor zijn dood (1980) en gekregen in een briefwisseling tussen mij en Noel Young van Capra Press in Santa Barbara, in 1985.]

dinsdag, februari 13, 2007

Heart, heaven, human

Franz Kafka zei: “One who keeps the capacity to see beauty never grows old.” (Deze opmerking heeft een betekenis die veel wijder is dan de levenslange fascinatie voor vrouwelijk schoon, of beter, het naakte lichaam.) Maar toen Smiling Cobra onlangs de toevalligheid van blote billen onder de bogen van een brug toonde, zodat het zeker zou zijn dat geen man oog zou hebben voor de architectuur in het landschap, merkte Judy op, schatplichtig aan Nathalie Wood: “The only time a woman really succeeds in changing a man is when he is a baby.” Maar nee, laten we de veranderbaarheid van beide seksen – welke deep inside vermoedelijk heel betrekkelijk is maar zeker niet ondenkbaar omdat we nu eenmaal lerende mensen zijn – maar los zien van schoonheid en laten we de schoonheid niet vastbinden aan maten. Het is doodeenvoudig een foto of schilderij te posten dat ‘schoonheid’ heet, het web is er bijna voller van dan van al het andere – en daarom kies ik voor het beeld van de wederkerigheid, de koestering, de tederheid, als het onverbreekbare verlangen in elke mens dat tegelijkertijd het moeilijkst vervulbare is.
Misschien is de opzettelijke beknoptheid – niet (v)luchtigheid - van vandaag een gelukkige ingeving want morgen begin ik aan een reeks van dertien bij elkaar behorende teksten waarvan ik hoop dat niemand ervan gaat zuchten. Niet dat het zware kost wordt, maar wel een reis die ik niet zal onderbreken. Een voettocht door het woord.
[Foto: “You don’t need to say” by Angelicatas.]