
[De aardgeest IV]
Zoals de mensen in mijn boeken zijn, zo waren ze ook werkelijk. Het boek. Het woord. Het leven. Soms een lichte verandering, een kleine overdrijving maar eigenlijk ook dan slechts vanwege de ware weerspiegeling der werkelijkheid. Niet ter verfraaiing, maar om dichter bij de verborgenheid te kunnen komen. Achter alles gaat iets anders schuil. Het wezen. De ziel. Het doordringen tot de kern, daar gaat het mij om.
Niet uit nieuwsgierigheid, maar afkomstig van het hart. De ontroering, het onbeduidende, het verborgene, dát aan het licht te brengen. De weg naar het centrum. De aardgeest.
Er is iets in het leven dat me verontrust: dat mensen anderen vaak kleineren. In een ander de grootheid erkennen, dat lijkt onmogelijk. De boosheid. De benadeling.
Misschien is de prijs die ik anderen – die ik niet mag of veracht of zelfs haat – betalen laat, deze, dat ik ze meestal als karikatuur uitbeeld. Mij is vaak gezegd dat ik daarin uitmuntend slaag, dat is waar, maar mij lijkt het tevens dat ik steeds oog heb voor beide: de realiteit en de karikatuur.
Niet alleen de spot.
Denk aan “Dr. Kronsky”, de psychiater die telkens in mijn boeken voorkomt en zich aan het eind weerloos aan een analyse onderwerpt waarin ik hem het geld dat hij van zijn patiënten genomen heeft, weer laat uitspugen. Maar in al zijn dwaasheid blijft er een tederheid. Het menselijke. Zowel de duivel als de engel.
En toch, ik houd niet van psychiaters, zelfs de grootsten onder hen laten mij onverschillig. Jung bijvoorbeeld vind ik afgrijselijk vervelend. Onverteerbaar. Wat een zwaarmoedigheid. Wat een saaiheid. Een echte Zwitser. En Freud! Alles van hem heb ik gelezen, ook van Jung trouwens, ik was er verrukt van. Vroeger. Nu zegt het me niets meer. Er schuilt meer bedrog in dan waarheid. Meer belasting dan bevrijding. De mythe.
Wat Dr. Kronsky betreft, mijn hemel wat een dwaas was dat, maar ook uitgesproken goedmoedig. Ik heb hem leren kennen op het telegraafkantoor en we zijn meteen bevriend geraakt. Hij behoort tot mijn talloze bekenden uit die tijd. Kronsky studeerde toen nog en had vaak kritiek op mij. Het gebeurde zelfs dat we een discussie op straat uitvochten. Hij hief z’n vuist en daagde me werkelijk uit. Zo vochten we het uit, ofschoon ik in rang zijn meerdere was.
Later, toen ik eens heel beslist zelfmoord wilde plegen, gaf hij mij na lang aandringen een medicijn. Uit goedheid, ter geruststelling. Een jaar lang had ik er om gezeurd, doch telkens antwoordde hij: “Nou nou, zoiets doe je toch niet”, hetgeen ten slotte veranderde in: “Goed, als ’t dan zo nodig moet, hier ...”
Ik nam de tablet in, kleedde me uit en ging naakt op bed liggen. Het was hartje winter. Het raam liet ik open om zeker te zijn dat het me lukken zou. Het was stil en duister. ‘s Nachts begon het te sneeuwen. In de ochtend werd ik warempel toch weer wakker, ik was niet eens verkouden geworden van dat open venster. Wel volledig ondergesneeuwd. Hij had me een slaapmiddel gegeven.
De kleine bezwering.
Het randje van de wereld. In de ene hand de dood, in de andere het leven. Het drama van ontstaan en vergaan. Ik had genoeg van het leven met June, voelde me mislukt als schrijver en er was niets meer heel aan de band met mijn ouders. Eeuwige treurigheid. Eeuwige duisternis.
Van tijd tot tijd keert het terug, deze tragiek. Nog maar kort geleden dacht ik er aan er een eind aan te maken. Ik ben er aan gewend en telkens als het mij overvalt, denk ik ook dan wel weer een weg te vinden deze sluipdood te overleven. Ik ga naar bed en blijf liggen tot het voorbij is. Als dat zo is, sta ik op, voel me weer goed en heb honger. Een teken dat ik gezond ben.
De relatie tot mijn moeder was vol doornen van liefdeloosheid. Geen genegenheid. Geen koestering of tederheid, nooit heeft ze me een zoen gegeven. In plaats van een liefkozing zei ze slechts dat ik een nietsnut was, een mislukkeling. Voor alles kwam ik altijd te laat. Haar aanhoudende verwijten ondermijnden mijn zelfvertrouwen. Een gesneuveld hart. Ik kon doen wat ik wilde, maar zij toonde niet de geringste blijdschap of tevredenheid. Toen ik besloot schrijver te worden, bleek ze hoogst geïrriteerd, beledigd zelfs. Ze vond het krankzinnig, vooral omdat ze er haar zinnen op had gezet dat ik kleermaker zou worden en bij mijn vader zou gaan werken. Volslagen idioot dat zo stellig te verwachten.
Vanaf mijn zestiende geloof ik staat er een muur tussen ons. Nog slechts door kieren met elkaar te spreken. Het enige plezierige hieraan was, dat ze mij m’n gang liet gaan. Ongemoeid, alsof ik niet bestond. Ik ging en kwam wanneer ik wilde, het interesseerde niemand.
Later ben ik van huis weggegaan en heb ik bij een vrouw geleefd die ik beschreven heb als “de weduwe”. (Pauline Chouteau uit Phoebus, Virginia, 1909.) Zij was ongeveer zo oud als mijn moeder en had een zoon van mijn leeftijd. Toch ben ik weer teruggekeerd naar huis. Ik had geld noch werk en kon bovendien slecht opschieten met die vrouw.
Thuis trachtte ik te schrijven, ik had al een schrijfmachine. Maar steeds als een van de buren tegen het raam klopte of aanbelde, kwam mijn moeder: “Snel Henry, verstop die machine en verschuil je in de kast.” Soms zat ik daar wel twee uur opgesloten, alleen omdat mijn moeder voor niemand wilde weten dat haar zoon schreef. Een schande was het.
In al die jaren heeft ze niet één regel gelezen. Van geen van mijn boeken wilde ze iets weten. Er over spreken was zelfs taboe. Eénmaal, toen ik in 1940 terugkeerde uit Frankrijk, vroeg ze: “Heb je geld verdiend?” Ik antwoordde dat het beter was daarover te zwijgen. Toen zei ze: “Waarom heb je ook niet zoiets als ‘Verwaaid door de wind’ geschreven?”
Onvoorstelbaar. Frappant.
Niets is hopelozer dan het zonder deze liefde te moeten stellen. Geen vriendschap. Geen respect. Eeuwige eenzaamheid.
[Photo: June Edith Smith, ontmoet in een Broadway-dancing, met wie hij – na de scheiding van pianiste Beatrice Sylvas Wickens uit Brooklyn - in 1924 trouwt. Het huwelijk wordt in 1934 ontbonden. Dan ontmoet hij Eve Adams, die met hem de boeken vent in de café’s van Montparnasse.]
8 opmerkingen:
De liefde van een moeder is zo belangrijk. Van de vader ook. Ik probeer, en ik zeg duidelijk, ik probeer er te zijn voor mijn kinderen. Te stimuleren, te belonen, te erkennen voor wat ze zijn. En ze mogen zijn wie ze zijn. In liefde. Ik had zelf een geweldige vader, die echter geen liefde kon tonen. Geen warmte, geen kus kon geven. Geen aai over m’n bol. Geen arm om me heen. Toch, later, besefte ik dat hij van mij hield. Dat was mij toch genoeg. Liefde, we kunnen niet zonder.
Verwaaid door de wind... deze opmerking zegt meer over de moeder dan duizend woorden dat kunnen...
Misschien is Miller wel groot geworden door het gebrek aan stimulans, misschien heb je dit wel nodig om een groot mens te worden? Maar een mooi leven is dat niet...
Niets is hopelozer dan het zonder deze liefde te moeten stellen. Geen vriendschap. Geen respect. Eeuwige eenzaamheid.
vreselijk marius.....
ik kom uit een heel erg warm nest ,
en mis mijn moeder nog elke dag..
je hebt zo prachtig geschreven dat wanneer je zou vertellen ik vast aan je lippen gehangen had,
nu kan ik zeggen ik hang aan je log.....
dat stukje waar je de pil neemt en op bed gaat liggen en weer wakker wakker....
phewwwwwww god zij dank :-)
heerlijk... wel een lange lap maar heerlijk..
dank je wel ..
liefs
klaproos
Een liefdeloze moeder ... Het klinkt bijna contradictorisch en ik kan het me haast niet voorstellen, maar misschien is hij net daardoor geworden wat hij was.
Ik kom op zich ook uit een warm nest alhoewel beide ouders met een eigen zaak en weinig tijd.
Wat dacht je toen je wakker werd?
Balen of toch een stukje geluk?
Wat een mooie vrouw, die June. Krachtig profiel, mooie kaaklijn.
Moeder zoon.moeder kind.
Ik denk idd dat de eerste levensjaren vooral erg bepalend (kunnen)zijn. Liefde uiten op een of ander manier is wel belangrijk,bevestigd zelfvertrouwen. te hoge verachtingen van beide kanten lijkt mij ... Ook hij blijft haar goedkeuring /bevestiging of liefde zoeken.
Idd mooi plaatje.
O.. verWachtingen..Uiteraard
Een reactie posten