Pagina's

vrijdag, februari 16, 2007

Een stille stem die de valkuil ontloopt
[De aardgeest II]

In mij iemand te vinden die gefrustreerd is in de liefde zal menig lezer verrassen. Dat komt omdat ik altijd uitsluitend over mijn seksuele liefdesaffaires schreef en zo opzettelijk de schijn heb gewekt alsof dat de werkelijkheid was die mijn wereld in beweging hield. Alsof dat het enig vitale is dat mij ontroert.
De ware liefde verzweeg ik, ofschoon niet waar ik het heb over Mona, de vrouw die ’t meest in mijn boeken voorkomt. Er zijn vrouwen die ik nooit in mijn schrijven zal betrekken. Niet uit verlegenheid. Niet uit discretie.
Het geheimzinnige zwijgen. Niet over de zinnelijkheid, over het puur prikkelende plezier. Minder de koestering, eerder het genot. Daarover voel ik geen weerstand te schrijven. Bovendien toon ik me bij voorkeur van mijn aardse zijde, mijn donkere kant. “Ja, dass ist mir sehr viel lieber. Der teufel statt des Engels.”
Toch blijft Mona in het grootste deel van mijn werk aanwezig. Toen ik in Parijs was, wilde ik almaar schrijven over mijn lijden gedurende de zeven jaar dat ik met haar geleefd heb. Ik heb gele­den, meer dan wie ook ter wereld. Alleen over deze periode wilde ik eigenlijk schrijven. Maar welke geest heeft zich van mij meester gemaakt, ik ben steeds maar verder gegaan, in feite tegen mijn wil. Een overstroming. Tegelijkertijd sluit dit niet uit dat waar ik in mijn boeken over schrijf, zich heel dui­delijk concentreert op die zeven jaar. Ik heb het over mijn jeugd, de jaren daarvóór, niet over de jaren die volgen.
In wezen ben ik schrijver geworden uit een soort vertwijfeling. Tientallen baantjes heb ik gehad, maar nergens vond ik m’n draai. Geen rust, geen tevredenheid, voldoening allerminst. Schrijven, dat was het enige dat ik nog niet gedaan had doch wachtte op ontginning. Zo stroopte ik mijn akkers af en vond de taal. De vorm. De stijl.
Mijn eerste boek, Clipped Wings, is nooit gepubliceerd. (Vol­gens Anaïs Nin was Henry in de winter van 1931 bezig zijn eerste boek te herschrijven en de titel daarvan luidde: Crazy Cock. Hij schreef het in 1927. Clipped Wings schreef hij echter reeds in 1922.) Het manuscript is er niet meer. Ik heb het mijn vrouw June nagelaten, maar het is verdwenen. Het was een verzameling van twaalf novellen, in vijf weken geschreven. In die tijd dacht ik dat een schrijver minstens twaalf uur per dag moest werken. Een slaaf. Veel later pas ontdekte ik dat twee of drie uur per dag doorgaans genoeg was. In elk opzicht ook beter.
Nadien, dat wil zeggen tussen 1922 en 1927, heb ik nog twee andere romans geschreven, evenmin gepubliceerd, maar ik vind er ook geen spoor van mijzelf in terug. Geen herkenning. Geen tekens voor boeken van latere datum, ook al beweert mijn secretaris, Gerald Robitaille, van wel. Ik niet. Ze zijn door een ander mens geschreven.
Eén van deze drie boeken heb ik onder pseudoniem geschre­ven, net als Balzac. Er was namelijk een man tegen wie mijn vrouw altijd zei dat zij schrijfster was. “Mijn essays, mijn no­vellen”, daar sprak zij voortdurend over. Hij beloofde haar dat wanneer zij hem haar manuscript zou tonen, hij het kopen zou. Aldus geschiedde. Zij bracht hem “mijn” manuscript, hij las het en liet zich aan haar ontvallen: “Merkwaardig, ik zou zweren dat het door een man geschreven is.” Niettemin, hij betaalde haar en met dat geld hebben June en ik onze eerste reis naar Parijs gemaakt.
De twintiger jaren. Een duivelse tijd. De tijd der slavernij. Mijn werk bij het grote telegraafkantoor in New York. De onderdanigheid. Het gezag. De gluiperigheid ook. Ik heb daar viereneenhalf jaar gewerkt, eerst als gewone telegrambe­zor­ger, maar, ik schaam me niet het te zeggen, tevens als een soort spion. Mijn taak was het vast te stellen of de andere tel­e­g­rambezorgers, vooral de jongsten, wel goed behandeld wer­den en niet als uitschot. Of de directeuren van de verschillende kantoren niet te lomp met hen omgingen. De grofheid. Tweemaal ben ik er uitgesmeten omdat men vond dat ik te toegeeflijk was. Maar ik genoot het vertrouwen van de direc­teur-generaal die me op een andere afdeling plaatste waar ik zoiets werd als personeelschef.
Volkomen surrealistisch. Stel je voor: omdat we voortdurend invallers nodig hadden, verschenen er iedere dag zo’n honderd gegadigden, terwijl ik maar aan twintig of dertig een job kon geven. Maar elke dag honderd verschillende personen beoor­delen. Alleen het lezen van de referenties al, die vaak nog ver­valst waren ook. Er zat van alles tussen. Een wonderbaarlijke, maar ook afmattende ervaring.
Op het eind van de dag wachtte ik op de dienst-detective en gezamenlijk gingen we dan zo’n dertig bureau’s langs. Hij opende de kassa en controleerde de afrekeningen. Het is on­waarschijnlijk wat daarbij soms aan het licht kwam. Het was het grootste gajes dat we daar aan het werk hadden. Vooral die van tussen de twintig en de dertig. Vergeet niet, het was kort na de eerste wereldoorlog. Onder hen waren veel oorlogs­slachtoffers. Zij verdienden niets en ik was voortdurend plat­zak omdat ik hen wat van het mijne gaf; ja, ik leende zelfs van het personeel om het hen te kunnen geven. De kreupelen. De stakkers. De filantroop. Achter al deze mannen verborg zich een afschuwelijke geschiedenis. Zij bleven voor mijn bureau staan, maar ik zei: “Neem een stoel, ga zitten en vertel.” Vaak begon de man dan te huilen en te stotteren. Het was erger dan psychiater te zijn. Het ware gekerm. De personeelschef, wiens functie ik had overgenomen, werkte nog bij mij in een onder­geschikte positie. Hij kon het niet laten onophoudelijk te zeg­gen: “Miller, verspil toch niet je tijd aan deze lui”, maar ik antwoordde hem: “Ik verspil niet mijn tijd, integendeel”, en dat was juist.
June drong er bij mij op aan deze baan op te zeggen en ik had in mezelf ook al besloten schrijver te worden. Op een dag kwam ik op kantoor, zoals gewoonlijk stonden er al honderd sollicitanten en ik zei, zonder dat ik er daarvóór over had na­gedacht, tegen mijn secretaresse: “Bel de directie en zeg hen dat ik er genoeg van heb, ik ga. De twee weken salaris die ik nog tegoed heb kunnen ze houden.” Ik heb mijn papieren bij elkaar gegrist, m’n hoed en tas en ging weg. Als een vrij man liep ik over straat, alsof ik uit Siberië kwam.
De ene hel is de andere niet, maar er volgde een nieuwe perio­de van bittere ellende. June en ik trachtten in de café’s van Greenwich Village en de 2nd Avenue mijn slecht gedrukte ge­schriften te verkopen. Dat liep op niets uit. Toen hebben we het met bonbons geprobeerd. Twee volle tassen sleepten we met ons mee. Het was zwaar. Meedogenloos. Terwijl June het café inging, wachtte ik buiten op haar. Soms kwam ze met een vijftig-dollarbiljet terug als iemand eens de hele partij gewild had. Maar meestal verkochten we niets. Het sneeuwde. Het regende, het was bar. Met koude en natte voeten stond ik buiten en eerlijk, ik dacht “Waar blijft dat loeder?” Een raar leven. Bit­terheid en droefenis. Doornen alom. Ik voelde me de bekla­genswaardigste van iedereen. De verbeelding. Natuurlijk was dat niet zo. Maar het was ook nog niet afgelopen met de ar­moede, in Parijs werd het nog veel erger. Toch was het anders, beter te verdragen. Ik leed er wel onder, maar alles was anders. De atmosfeer. De mensen. Zelfs het lijden werd bijna aange­naam. “Der Engel statt des Teufels.” Bijna.
[Crazy Cock verscheen in 1992 bij Grove PR, met een voorwoord van Erica Jong en, alsof het niet genoeg was, een introductie door Mary V. Dearborn.]

5 opmerkingen:

Anoniem zei

Vraag me af of de ellende idd beter te dragen was, omdat het een eigen keuze was zo verder te gaan..

Ik wil...is beter te dragen dan ik moet..

Anoniem zei

Men kan zich soms afvragen waar iemand zijn inspiratie vandaan haalt, maar bij Miller blijft dat in alle geval geen open vraag.

Anoniem zei

Het dragen van ellende is niet per defenitie een last. Een uitdaging is het die soms moeilijk te verteren is..

Anoniem zei

Dit is leuk om te lezen. Ik zie dat je echt wat met hem hebt. Je weet geloof ik ook met wie ik wat heb...
Maar ik denk echter wel dat ze even vreselijk als verrukkelijk moet zijn geweest. Arme Henry, ik heb met die man te doen.

Anoniem zei

Ik raad iedereen aan die Miller wel las, maar de man achter de pen niet kende, jouw blog te lezen, Marius...
Mooi geschreven en diep doorvoeld, je hebt er een zekere affiniteit mee hé?
PS: hopelijk heb je inderdaad een zacht weekend, daar op je eiland!