Pagina's

donderdag, februari 22, 2007

Het onwrikbare geloof
[De aardgeest VIII]

In wezen is het zo dat ik temidden van de conflicten en met mezelf in vrede leef. Meer verlang ik niet. Zelfs de kunstenaar in mij is niet zo belangrijk als de mens die het met zichzelf goed vinden kan. Ik zou er van af kun­nen zien scheppend bezig te zijn, het bijna verloo­che­nen, als ik er zeker van zou zijn werkelijk de volledige vrede met mezelf gevonden te hebben.
De kunstenaars .... de zucht naar genialiteit. Is het niet eerder zo, dat er slechts weinig grote kunstenaars zijn maar dat wij godheden van hen maken? Idolen, het zou heel wat beter zijn niet alleen dit soort verering maar ook de scheppingen van deze meesters te verwoesten. Het zou toch eindeloos zijn wanneer ieder op eigen ni­veau kunstenaar is. Naar onze eigen aard en mogelijk­heden scheppend bezig zijn, in plaats van hen die wij groot en begaafd noemen te verafgoden. Het is te sim­pel slechts met de aanbidding genoegen te nemen.
Ik geloof dat wanneer men iets heeft volbracht, dan is niet alleen dat werk voltooid maar tevens ben je niet meer die je was. Nadien ben je niet meer dezelfde mens. De ontwikkeling. De groei. De ervaring. Ik hoop althans dat dit bij mij zo is .... ik heb niet de geringste zin een soort repeteerapparaat te zijn. Net zo min als ik zin heb altijd maar te strijden. Al houd je nooit op te strijden, het voltrekt zich telkens op een ander niveau. Dan ligt het me wél, dit strijden, als het maar niet eeu­wig om hetzelfde gaat. In het midden het hart en daar omheen wikkelt zich de mens. Zijn geheugen. Zijn geest. Zijn identiteit.
Ik zou graag geduldiger van aard zijn. Niet dat ik in­halig ben, maar het valt me moeilijk iets de tijd te gun­nen. Zodra ik iets wil, moet ik het ook direct hebben. En nooit is het me genoeg. Alles komt altijd te laat. Steeds vraag ik: “Wanneer komt het nu eindelijk? Wan­neer? Morgen?”, terwijl ik steevast lange tijd moet wachten aleer ik krijg wat ik hebben wil. Natuurlijk is het niet altijd mijn schuld. Ik vind dat ondanks de vooruitgang waarover men zo gretig spreekt, de mens en de wereld nog veel te bereiken hebben. De ach­ter­stand. De beschaving.
Ik zou onophoudelijk wonderen willen zien. Zelfs als God mij alles geven zou wat mijn hart begeert, dan nog zou mijn honger niet zijn gestild. Meer en meer zou ik verlangen – en snel, zeer snel. Dát is een van mijn te­gen­strijdigheden.
Nu ik het hierover heb, schiet me de geschiedenis van Jezus te binnen. Wat ik nu zo fantastisch vind, is dat als hij al een wonder doet, dit altijd zeer snel gebeurt: de zieke wordt onmiddellijk gezond. De absolute waar­heid: zo zou het eigenlijk met alles moeten gaan. Ik ge­loof niet in evolutie, maar in wonderen die niet stapsgewijs maar plotseling, onverwacht, gebeuren. De ver­rassing. De openbaring. Dat zou niet de absolute waar­heid zijn, maar het natuurlijkste van de wereld. De we­reld. Vooral op gelukkige momenten komt men soms tot de slotsom dat hij helemaal niet anders kan zijn dan hij is, met al z’n verdorvenheden, z’n boos­aardigheden en z’n onvolkomenheden. Maar wat doet het er toe zo­lang je bent die je bent. Sommigen zeggen: “Zelfs zo, zo de wereld nu is, is hij goed, is het leven prachtig...” Dat gaat mij wat te ver. Ofschoon men zich op som­mige dagen toch heel goed voelt: men staat op, men ziet de problemen die niet anders zijn dan gis­teren en eergisteren. Men neemt de krant en slaat deze open: zoals gewoonlijk niets dan rampen, oorlogen, re­vo­luties. En ondanks alles voelt men zich goed, de alle­daagse somberheid lost als vanzelf op en men zegt: “Wat gaat mij dit aan? Ik ben gelukkig, tevreden, hoe mooi is het leven niet!” Dat lijkt me een gezonde in­stelling. Nu ja, je kunt zeggen dat het een logische wijze is de dingen zo te zien, maar het vervelende is dat we niet weten waarheen die logica ons brengt.
Ja, in mijn leven hebben zich heel wat wonderen voor­gedaan. Wonderbaarlijke omstandigheden. Zo ben ik al vaak op sterven na dood geweest doch werd telkens op het laatste moment gered. Door wie of waardoor, dat is me een raadsel. De ontsnapping een feit. Als alles dan weer is goed gegaan, kijk ik naar de hemel en zeg: “Be­dankt, ik weet dat je er bent, ik dank je ...” Ik wil niet zeggen dat het een persoon is, maar dat er iemand is lijkt geen twijfel. Ik word beschermd, dat ervaar ik maar al te vaak. Ondanks al mijn zwakheden en fouten, de redding is steeds nabij. Ik heb niet het geringste ver­moeden waarom. Het is mijn lot.
Het heeft zo moeten zijn.
Ik geloof in de lotsbestemming. Daaraan valt niet te tornen. Rotsvast. Ik heb mensen gezien die in een poel van ellende leefden – in de gevangenis, in de oorlog, in het verzet – en deze mensen wisten niet van wijken. Ze gingen ongestoord door. Ondanks alle verschrikkingen en gruwelijkheden. Een wonder van vasthoudendheid. Als ik zie hoe ze zich er doorgevochten hebben, kan het niet anders dan dat de tegenspoed een bron is van in­ner­lijke rijkdom. Ik ken mijn tekortkomingen, ik zie mijn fouten en hoe ik ze bega, maar hoe mijn redding zich voltrekt, daarvan weet ik niets. In zo’n situatie ben ik aan het einde van mijn krachten, tot niets in staat. Juist in die ogenblikken beleef ik een soort open­baring. Plotseling wordt alles van mijn schouder ge­nomen. Wanneer ik denk: “Ik ben niets meer, ik kan niets meer”, dan is daar opeens mijn beschermer die me onverwacht bevrijdt. Ik zeg dikwijls – de Fransen horen het niet graag en de Duitsers trouwens nog minder - : “Als men ’t opgeeft, het eenvoudig z’n gang durft laten gaan, dan gebeurt het wonder.” Daarin ligt het geheim: het opgeven, de overgave.
Het leven is één groot geheim en ik houd van ondoor­gron­delijke geheimen. Hoe diep men ook spit, het mysterie blijft. Dat is ook de reden waarom ik de inspan­ningen van wetenschappers en politici overbodig vind.
In welke tijd ik ook zou leven, ik ben ervan overtuigd mijn leven niet anders ingericht te hebben. Mijn geluk, mijn welzijn is niet afhankelijk van uitvindingen, ver­nieuwingen, vooruitgang. In het geheel niet. Ja, nou ik ouder word, weet ik het moeilijk te stellen zonder com­fort, maar ’t voornaamste is het niet. Het is slechts ge­rieflijkheid.
[Henry Miller, 1940, by Carl Van Vechten.]

5 opmerkingen:

Anoniem zei

Een mysterie is het zeker...

Anoniem zei

Vraag me af of het iddd klopt wat hij zegt over dat hij in elke tijd zijn leven hetzelfde zou hebben imgericht..
Maar wederom om beschreven..

Anoniem zei

"Ik zou onophoudelijk wonderen willen zien".
Dàt is het wat het leven zo boeiend maakt, en Miller heeft dat wel heel goed doorgrond!
Zijn leven en ingesteldheid die jij zo mooi weet samen te vatten, blijven me verbazen...

Julia zei

Dit stuk spreekt me heel erg aan . Wat hij zegt over die bescherming ! Zo voel ik dat ook en ik heb het dikwijls ervaren in mijn leven . Laat het begaan en het komt goed, zo gaat dat ongeveer! Maar ook degene die naast me zit in de auto en wel net op het juiste moment de auto ziet die ik niet zag! Enz enz
Mooi Marius !

Anoniem zei

Wonderlijk toch, die zucht naar het verheven zijn boven de wereld, alsof wij mensen tot een bijzondere categorie zijnden zouden behoren