
[De aardgeest X]
Mannen, zoals deze Swami, blijven in mij aanwezig. Ik heb er meerderen ontmoet met zo’n sterke, indringende persoonlijkheid. De herinnering aan hen blijft onveranderd sterk omdat hun invloed vaak groter is dan van hen met wie je praktisch je hele leven doorbrengt en die vrienden zijn. Ieder is slechts voor even in mijn leven geweest, maar het is ongehoord veel wat ze in die enkele ogenblikken voor mij hebben gedaan. Ongelofelijk. Zonder uitzondering hebben ze in die korte spanne van tijd bewezen mij beter te kennen dan sommige van mijn oudste vrienden. Merkwaardig. En niet bepaald geruststellend.
Deze Swami was een bijzonder man. Later heb ik nog eens een Swami ontmoet, in New York. Ook bij hem voelde ik me op m’n gemak, maar op een heel andere manier. Niet dat ik ook maar enigszins onder de indruk was, neen, zo’n eerbied werd hem niet gegund. Ik respecteerde hem, dat is mijn aard, maar niet zoals een leerling zijn meester. Daarvoor was hij te werelds. Burgerlijk en volgzaam.
Er is veel te zeggen over de relaties van leerlingen tot hun meester, maar ’t meest verhelderend is voor mij deze parabel. De wijze, die ergens diep in het bos leeft, krijgt van de leerling het verzoek of deze hem mag bezoeken. De wijze antwoordt: “Maar natuurlijk, kom maar.” Ofschoon een eind te gaan, schrikt de leerling er niet voor terug en vertrekt. Onderweg ondervindt hij vele hindernissen, veroorzaakt natuurlijk door de meester. Als de leerling tot de ziel geraakt en alle moeilijkheden weet te overwinnen en de meester uiteindelijk bereikt, dan ontmoeten zij elkaar op gelijk niveau. Ze zijn gelijkwaardig geworden. Waar het tenslotte om gaat, is niet de meester, maar de weg naar hem toe. In mijn leven ken ik niemand als mijn meester. Eigenlijk is dat jammer. Ik betreur het zelfs geen mens ontmoet te hebben tegen wie ik ‘meester’ kan zeggen. Zo min als ik er zelf een ben, zul je zo iemand in het hele Westen ook nauwelijks vinden. En als ik er al een ontmoeten zal, dan gebeurt dat waarschijnlijk ergens waar je het niet verwacht: op straat, in een kroeg, in een bordeel … Moeilijk zal het niet zijn, want hij zal zijn zoals ik. De gelijkwaardigheid. Van een meester-leerling verhouding zal nooit sprake zijn.
Telkens als ik een mij onbekende voor het eerst ontmoet, let ik op twee dingen: allereerst de ogen en vervolgens de mond. Alleen bij vrouwen is het merkwaardig genoeg precies andersom: eerst de mond en dan de ogen.
Bij mannen eerst de ogen omdat ik ze vergelijken kan met die van Oosterse wijzen en heiligen. Zij allen hebben volmaakte ogen, rond als een ei. Helder, zonder een spoor van nijd, wrok of jaloezie. Ze zijn geheel zuiver, zo transparant zelfs dat het lijkt alsof men er doorheen kijkt zonder dat er iets te zien is. Een manier van kijken die het hele universum in volkomen gelijkheid omvat. Een blik van mensen die niet op zoek zijn …., dat is het bijzondere aan hun ogen. Ze zoeken niet. Ze zijn ‘gearriveerd’.
Wat de mond betreft, ik houd alleen van een volle, zinnelijke mond, in het bijzonder bij vrouwen. Daarom kijk ik bij hen eerst naar de mond. Het ontsnapt me niet. Ik vergis me zelden.
Lichaam en geest. Het gaat om de eenheid van deze beide. Wij Christenen hebben ons echter altijd ingespannen een splitsing te ontdekken. De geest als heiligheid. Het lichaam als lust en verderf. Het dualisme. Het conflict. In het Oosten daarentegen streefde men er naar beide als eenheid te beschouwen. Voor hen bestaat slechts het onlosmakelijk verbonden zijn van lichaam en geest. Niet het onderscheid, het onnatuurlijke. Het ontgaat mij dan ook wat asceten ons met de ‘onthouding’ willen leren. Op een of andere manier zijn ze verminkt en gaat er een slechte invloed van hen uit.
In het Oosten is seksualiteit het natuurlijkste van de wereld. Denk aan grote Indische tempels met haar façades vol erotische afbeeldingen, waaraan werkelijk niets aan de verbeelding ontbreekt. Mag men beweren dat deze tempels het werk zijn van goddelozen of sensualisten? Neen, ze zijn ontstaan uit intense en oprechte godsdienstigheid.
Eigenlijk heb ik er een hekel aan als mij alles over seks wordt gevraagd. Alsof ik bij uitstek deskundig ben. Eerlijk gezegd ben ik al zo ver, dat als ik enkel het woord seks al hoor, ik het liefst naar een revolver grijp om me te verdedigen, en schreeuwen: “Weg met de seks!” Niet dat ik dit werkelijk wens, maar die eeuwige discussie, naar de hel ermee!
Het brandmerk.
Voor het overige heb ik het idee toch heel normaal geleefd te hebben. Het enige onderscheid is, dat ik heb uitgedrukt wat bij anderen veelal verborgen blijft. Ieder doet hetzelfde als ik. Ik doe niet anders dan anderen. De spiegel. Iets natuurlijkers dan seksualiteit bestaat er toch niet. Een Don Juan? Dat ben ik nooit geweest. Ik ben eerder verlegen tegenover vrouwen. Terughoudend als een jongen zijn kan.
Een boek dat men leest, wordt altijd geïnterpreteerd overeenkomstig iemands aard, zijn kennis en zijn mogelijkheden het te begrijpen. Het laat me koud wat de reacties van lezers zijn, of ze nu walgen of verrukt zijn van het seksuele element in mijn werk. Wat zijn we toch onvrij. Wat een verlies. Wat een buitengewone aandacht voor seks is er toch. In de middeleeuwen accepteerde men het naast elkaar bestaan van lichaam en ziel tenminste. Kijk naar de kathedralen: het uiterlijk doet denken aan de Indische tempels; de lichamelijkheid wordt niet gemeden, in de kleinste sculpturen zelfs tref je de sporen van een sterke seksualiteit. Als men naar binnengaat, verandert het beeld … Je zou kunnen zeggen, dat de mens op zijn manier een kathedraal is.
De opwinding die er tegenwoordig heerst over seks, komt voort uit huichelarij. Wie zich verontrust, weet dat hij hetzelfde leven leidt dat ik hier en daar in mijn boeken beschrijf. Hij wil het niet toegeven. Hij is op zijn hoede. De eeuwige zorg. Daarom kan hij het ook niet verdragen dat er over gesproken of geschreven wordt. De onvrijheid. De beklemming. Het geniep.
Het klopt dat er in Sexus zo uitvoerig sprake is van seks. Het weerspiegelt een bepaalde periode in mijn leven. En toch houdt men mij voor een geniale pornograaf. Dat is niet zo. Ik houd me voor heel normaal. Het werken aan Sexus was voor mij een bevrijding, ofschoon ik me dat in die zin niet direct bewust ben geweest. Geboren in Amerika en opgevoed door puriteinse ouders, was het voor mij een mogelijkheid te ontkomen aan de knellende banden rond dit heimelijk nest van kleinburgerlijkheid. Maar, een verklaring is nooit toereikend. Het is de indompeling. Het zelf ondergaan. De ervaring, daar ligt de realiteit, de waarheid. Niet in de verklaring, die is ad infinitum.
Als men geen prettig leven leidt, doch schraal en onvervuld, dan wordt seks zeer voornaam. De toevlucht. In Indië bijvoorbeeld, of in Egypte bij de Arabieren: daar is seksualiteit de grote trooster. De passieve opstand. Daarom moet ik wel overdrijven, zo sterk vergroten. Maar dat is geen reden nu te beweren dat ik de ‘keizer der seks’ ben. Ik was er bezeten van, dat wel. De obsessie. De overmaat.
Daarin lag de weg naar verlossing.
[Afb.: “Eroticum” von Gino Hasler.]
5 opmerkingen:
Ik heb zijn boeken nooit gelezen maar het spreekt me erg aan hoe hij tegen alles aankijkt. Zo nuchter en zo'n levenswijsheid, zo door alle liflafjes en mooipraterijen heenkijken en precies weten waar het om draait.
"Waar het tenslotte om gaat, is niet de meester, maar de weg naar hem toe."
"Lichaam en geest. Het gaat om de eenheid van deze beide."
Zomaar twee zinnetjes uit dit knap geschreven logje geplukt, maar zinnetjes die voor mij héél erg belangrijk zijn, want de essentie van het leven. Misschien heb ik het mis, misschien ook niet, maar dergelijke gedachten en instelling zouden het veel mensen makkelijker maken om van het leven te genieten.
De verlossing ligt in het transcenderen van de obsessie.
In je vorige bijdragen las ik soms passages waardoor ik de indruk kreeg dat Miller maar wat uit zijn nek lulde. Met hetgeen hij in dit deel zegt, ben ik het echter volkomen eens.
Om daadwerkelijk te leven, moet men durven om te leven. Deze passage is er ook weer een van een sterk kaliber.
Een reactie posten