
Rainer Werner Fassbinder zei eens: liefde bestaat niet, alleen hoop op liefde
Muziek: Eleni Karaindrou, “The weeping meadow”
Wederom bij een van mijn akkervelden, het is er stil en aan de rand hoor ik dwarrelvluchten van vallend blad. (Adelheid zei, “ … zelfs het gefluister van beekgefezel ontgaat me niet.”) Een begin van herfst. Mijn hersens zijn vol warm bloed en rijk aan zuurstof. Hier zit ik weer, alleen voor een nieuwe akker en weet dat ik ergens gelezen heb wat die Duitse filmmaker eens stelde. ‘Liefde bestaat niet, alleen hoop op liefde’. Is dat de ontgoocheling van het leven, is dat het waarom wij terughoudend zijn als een angstig dier wanneer de liefde ons nadert, altijd en in feite alleen, is dat het waarom wij het niet weten en telkens zeggen het te hopen, al is het voor de duizendste keer. Als de liefde niet bestaat, tuimel ik in eeuwig verdriet. Als de liefde niet bestaat, hoef ik ook geen geld. Heb ik geld, dan geef ik het aan de liefde. Maar ‘liefde bestaat niet’?
“Ga je nu al weg? Verlaat me toch niet.” Is het dan een illusie, de liefde? Dromen we slechts van liefde? Is de verrukking van liefde voor ieder van ons apart of van ons samen? Is het dan egoïsme als we denken dat er wel liefde is? Als de hoop op liefde bestaat, moet ze ergens zijn. Alleen de hoop is toch niet voldoende? We weten toch ook wat het is: de spanning van de liefde in te gaan, hoe uniek en verkwikkend dat is, een verloren liefde, een onbeantwoorde liefde en opnieuw hunkeren naar liefde? Bouwen met liefde? Het verdriet, de verlokking. We weten toch ook wat het is: een liefde verscheuren, een liefde dringt zich op, een liefde blijkt niet waarachtig te zijn, van een liefde die ontwricht, van een liefde bevrijd zijn, om met rust en los gelaten te worden en toch radeloos te zijn? Gaan we soms dood aan de liefde? We weten, al is het een raadsel, dat de grens tussen liefde en haat zo dun is als een plaat staal, dat opeens het wederzijdse respect kan zijn verdwenen, dat het plezier is gedood. De troosteloosheid. Het is toch dat ik de liefde heb gekend, ik herinner ’t me alsof het me vertrouwd is dit te beleven, zoals ik veel zonneschijn en donkere wolken al zo vaak heb gezien, zoals ze zich samenpakken in mijn kleine geschiedenis.
We weten wat het is: zuchten of roddelen over de liefde, de liefde die kennelijk bestaat. De liefde die ons beïnvloedt. Compassie, mededogen, tederheid, ontroering. Liefde kent vele gedaanten. “Weet een vis dat hij nat is?” Wanneer kan ik eens rustig ademen, in het vertrouwen dat er liefde is, dat er aandacht is, dat er naar me wordt geluisterd, dat er tijd voor me is, dat ik word aangeraakt. Blijft het levenslang zoeken, tasten en hopen, houdt deze innerlijke worsteling ooit op of begrijp ik het gewoon niet en blijf ik daarom eenzaam ploegend op deze akker, dag na dag mijn woord strooiend in de hoop dat er een verhaal over liefde ontstaat? Ik kijk hier om me heen naar honderden boeken, in niet één ontbreekt de liefde. Waarom zou Japin zeggen dat de liefde hem liever is dan vrijheid? Als de liefde niet bestaat, is er dan ook geen schaamte, geen waarheid en leugen of bedrog? Mijn akker zwijgt, er staat alleen: voor wie weet wat liefde is. Ik voeg er nog een regel aan toe: en voor een dichter die weet dat hij geen vergeefse tocht gaat. En voor twee andere dichters, die, net als ik, de slotregel: wie hun liefde lezen als een boek.
Liefde. Ja, we kennen haar in tal van gestalten, maar wie weet waarop we hopen?
[© MN, “Ik adem liefde en hoop.” Het korte citaat, ‘weet een vis dat hij nat is’, is van Nilgün Yerli, ‘Weg van Nederland’, literaire juweeltjes, B for Books 2008. Er volgt te zijner tijd nog een tweede deel, een Ode aan de Liefde. Afbeelding: Painting by Albert Kyle Pace “What will I know when the apple falls?”]