Pagina's

dinsdag, december 30, 2008


Wakker, bij het licht van mijn geheugen
De wil geen harnas te zijn, waarin geen mens meer zit

Nu, zo aan het eind van elk oog, ieder zintuig
van dit jaar, zie ik mijn binnenste kern
aan, het is nauwelijks verwoordbaar.

Het was schokkend heftig, pijnlijk, ontroerend,
maar het hoeft niet te vervagen, mijn leven,
niet te verdampen alsof ik het niet was,

niet mijn ziel die geraakt was,
het is steeds zoals ik het nu vertel,
mijn angsten, wensen en illusies of

de stommiteiten die in strijd zijn
met mezelf, zo aan het eind komen ze
weer aan het licht, het naakt van al mijn taal.

Gelukkig is er een ziel die luistert
en een taal spreekt van al dat leeft, zij is gelijk
Gezelle's diep gedoken woord van vrede en verlangen.

[MN, in ‘De man en zijn ziel’. Afbeelding: Litho by A Di Maccio.]

maandag, december 29, 2008


Een schilderij vertelt zichzelf, dat is juist de schoonheid ervan (8)

Het verlangen is symbolisch voor de tijd die voor ons ligt, het gaat ergens naar uit, niet naar het onmogelijke zoals het verleden dat zou moeten terugkeren hoewel in heimwee ook een verlangen kan wonen, maar naar waarop we ons verheugen – want in ‘verlangen’ ligt altijd het goede. Niemand verlangt immers naar zijn ongeluk, verstarring en verdriet, de trieste last van ontgoocheling, de desillusie, de teleurstelling, de ontsteltenis, - dat is de onafscheidelijke schaduw. Mogelijk dat verlangen daarom ook een onbeschreven ‘eis’ impliceert: we moeten niet het onmogelijke willen, ‘groots en naslepend’, maar het haalbare. Tegelijkertijd blijft het verlangen ‘menselijk’, dus breekbaar en appelleert het aan bewust, gezond leven, aan deugdzaamheid, behoedzaamheid, bezonnenheid, ook in donkere dagen, in ijzige tegenwind.
Het verlangen is oneindig en oningevuld, ook dat is een mooie dimensie van het begrip want het hoeft en zal voor niemand hetzelfde zijn. Het is een individueel nog richtingloze stille koestering van iets dat verderop in de tijd ligt en ons goed doet, scherp maakt en inspireert, zeker op de weg erheen. Het verlangen is de metafoor voor blijmoedigheid want als het wordt vervuld, is alles anders.
Het verlangen is de droom van iedere mens. Every road leads to somewhere – we hopen dat het pad dat we gaan ons brengt naar enig klein geluk, hoeveel obstakels we ook tegenkomen en te overwinnen hebben. Het verlangen is de volharding, niet de verwerping van intenties, maar de fluistering dat het goed is onszelf te blijven, misschien een graad van koers te veranderen en ze na te streven. Jules Renard schreef: "Het paradijs bevindt zich niet op aarde, maar daar liggen wel stukjes."

[© MN. Schilderij in de reeks magische landschappen, ‘Het verlangen’ van Cokky Diepstraten (1952), sinds 2007 wonend en werkend in Frankrijk. Please, don't forget Nagolore!]

zaterdag, december 27, 2008


Het bezoek is weer voorbij, het ideaal niet

Het is weer een gewone zaterdag en misschien wel kliekjesdag want er stond veel heerlijks op tafel en naderhand een vol aanrecht. Het diner was opnieuw voortreffelijk en de stemming was plezierig en hartelijk, misschien hier en daar helaas toch uitgelopen op een catastrofe, maar al het kerstbezoek is weer afgelegd, de omzet van horeca en woonboulevards zijn al lang weer geteld, de Rennies zijn op en een laatste cappuccino met een Bénédictine werd ieders slaapmutsje.
Betlehem verheugde zich voor het eerst sinds jaren weer op talrijke bezoekers, hoewel de Israëliërs en de Palestijnen weer in de hoogste paraatheid zijn, evenals India en Pakistan. Nee, ik wil geen opsomming van calamiteiten, maar de soberheid, de vredigheid en de gastvrijheid blijven toch in schril contrast met de wreedaardige onrust die grote delen van de wereld domineert. Het bezoek is dan wel weer voorbij en het is weer een gewone zaterdag, maar eveneens dezelfde ongewone wereld die vervreemd lijkt van het zo menselijke kerstideaal. Is dat het eigene van het ideaal, dat het alleen maar nastrevenswaardig is, maar nooit wordt bereikt? Of dient ons ego kleiner te worden? Het zal wel altijd in nevelen gehuld blijven.

[MN. Schilderij van Marius van Dokkum, "Het bezoek van de herders is weer voorbij". Overigens wijs k met een sterke aanbeveling naar http://www.bloggen.be/nagolore/]

woensdag, december 24, 2008


Een feest met nog geen halve waarheid – of is het anders?

Met kerstmis vieren we de universele waardigheid van het leven, en dus de vrede, de verzoening, de onbaatzuchtige liefde, de geboorte. Het zijn begrippen die verwijzen naar talrijke symbolen en rituelen die met elkaar uitdrukken hoe sterk we gebonden zijn aan het leven, hoe lief het ons is, hoe menselijk we zouden willen zijn. We ontsteken het licht, we steken ons in de mooiste kleding, we dekken een meest feestelijke tafel met kostelijke gerechten en zijn gul met geschenken. Soms vraag je je af of het nu een tentoonstelling is van waarachtigheid of een gelegenheid om eens uit de band te springen. Zijn het dagen van ongeveinsde liefdadigheid, zit er een luchtje aan of is het van alles wat?
De verhalen van de wereld zijn anders. Er is een diep verscheurde wereld, die we desondanks mengen met glinsterende feestelijkheid en dus roepen we betekenissen en meningen op waarmee we half door de bodem zakken, zo broos en moerassig is menselijk leven, een leven met de scherpst denkbare en verdrietige contrasten. Toch is het prachtig en waardevol en ontroerend het te vieren, omdat we ons herinneren hoe we zouden willen dat het werkelijk is.
Zeggen dat het ‘nog geen halve waarheid is’, kan vanuit een bepaalde gezichtshoek wel worden volgehouden, maar het impliceert ook een moreel oordeel over onze authentieke intenties. Dat kan niet, dat is hoogmoed, daarom zeg ik, ‘ja, het is anders’.
Laten we het maar een feest noemen van de verering, de hoop en het verlangen, laten we het cynisme de kop in drukken. Laat het blijmoedigheid, harmonie, tolerantie, solidariteit, warmte en tederheid zijn die ons tekent en die we belangeloos willen doorgeven. Laten we blijven doen wat we kunnen en nalaten wat overbodig is of ons bevoordeelt.
Van harte een warme, liefdevolle kerst gewenst.

[© MN, korte overweging bij Kerst 2008. Collage van eigentijdse en klassieke Maria’s, van links naar rechts: photo by José Manchado; foto van fresco in een kerk te Arezzo door Elly van Doorn; "Vrede op aarde", schilderij van Amberoos; painting "A Spell of Summoning" by Jake Baddeley; "De stal van Maria en Jozef", schilderij van Marius van Dokkum; "Responsibility" van Gerrarde Maria Abelmann; "Love", painting by Marketa Uhlirova; painting "Protection" by Teresa Zafon and a photo, again by José Manchado.]

zondag, december 21, 2008

"Warmte, en nieuw licht”

Het is winter, zondag voor kerst, en vrijwel overal in de omgeving een gemoedelijke en iedereen aansporende kerstmarkt, een drukte die we elk jaar opzettelijk mijden, maar Aïda uitte vanmorgen plots het verlangen naar een kerstboom. “Heimwee naar warme gevoelens”, zei ze, “en nieuw licht in huis.” Het was een onweerstaanbare wens, maar ‘nieuw licht’ trok me wel, die glinstering in haar ogen, haar helm die ze al boven uit de kast had getrokken want ze dorst nooit met me mee en die ze al demonstratief opzette, “die Floret, dat oude kreng, en ik krijg het alleen maar koud”, zei ze altijd. “Het is koud hoor”, waarschuwde ik. “Ja, maar zó ver is het niet, toe nou maar.”

[© MN, in ‘Het onverwachte element'. Afbeelding: "Wegomlegging", schilderij van Marius van Dokkum.]

vrijdag, december 19, 2008


Een schilderij vertelt zichzelf, dat is nu juist de schoonheid ervan (7)

In voor mijzelf moeilijke tijden neem ik mijn toevlucht tot het museum, in casu de collectie in mijn archief (want ik ga geregeld op reis en tracht dan mee te nemen wat mij op dat ogenblik aanspreekt, inspireert of ooit bruikbaar lijkt als illustratie. Met de zogenaamde Valyspas reis ik voor 0,16 cent per kilometer, een uiterst handicapvriendelijke regeling, waarin je alleen hebt te overwinnen dat je bestemming zelden rechtstreeks is maar wordt bereikt via zo klein mogelijke omwegen langs allerlei instituties, zodat beperkte medepassagiers met een verscheidenheid aan hulpmiddelen weer thuiskomen of kunnen instappen met een op de route gelegen reisbestemming. Aanvankelijk confronterend, ik zag het aan met schuwe blik, maar het zijn gewoon wat oudere lotgenoten. Solidariteit is meer op zijn plaats dan een afgewende houding, ook de stilte spreekt zichzelf.)
Het schilderij toont een onmiskenbaar oude man, verzonken in een dagdromerij over zijn levensloop. Het avondrood is zijn klok en weerspiegelt de talrijke gebeurtenissen waarop hij met pijn en tevredenheid terugkijkt, dat lees ik als het ware in zijn met groeven getekend gelaat. Vooral zij is sterk aanwezig, de vrouw met wie hij ooit zijn leven deelde of die zijn onbereikbare muze was met wie hij nimmer een nacht heeft geslapen of die nooit geweten heeft hoe zijn hart trilde, wat in zijn schoot tevergeefs tot leven kwam. Plots was zij vertrokken, lang geleden, als in een geheimzinnige noordenwind maar haar verschijning is onvergetelijk gebleven. De vele anderen zijn voorbijgangers, niet altijd onbeduidend, maar toch vaag geworden passanten, - behalve zijn zoon van wie hij vervreemd is geraakt en die hij slechts onvoltooid weet uit te tekenen, nabij in zijn gedachten maar verdwenen uit zijn werkelijkheid.
Het typische is, dat de schilder de gedachten van een oude man ‘neerzet’, dat een dichter er naar kijkt en ze voorleest, terwijl beiden niet weten wat de oude man werkelijk dacht. De schilder, die zowel de man en zijn gedachten creëerde, heeft meer recht van spreken. Bij de titel staat ook: ‘met mogelijk een engel’. Misschien is hij geëmigreerd naar een ander innerlijk land, hij, de oude man in de herfst van zijn leven, probeert hij door te graven, te bespiegelen en gebeurtenissen te duiden.

[© MN, in ‘Een schilderij vertelt zichzelf’. Afbeelding: “Gedachten van een oude man” van Nels Busch (1954), Nijmegenaar, trots op zijn atelier in de vroegere Limoskazerne (en voormalig bassist in de Frank Boeijengroep, van 1979-‘91). Ik klom al weer naar nieuw licht and Redstar gave me a kick under my ass, so I can move on again. Maar waardoor ik werkelijk opveerde uit het donker, was het beleven van enkele DVD-concerten: een nog kort deel van de Beach Boys, gevolgd door een CrossRoad-concert, ik meen in Chicago 2004, van Eric Clapton met onder andere BB King, Jeff Beck en Cajun-muziek van Willie Nelson en ten slotte het meer poëtische concert van Brian Ferry die vooral in heel eigen stijl Bob Dylansongs vertolkte. Voortreffelijk gespeelde muziek uit ‘mijn tijd’, getalenteerde musici en plots een nieuwe dageraad, anders dan Jaap (hieronder) beschreef maar met een vergelijkbare impact.]

woensdag, december 17, 2008


Last morose, depressive whispering
(for today, or some more)

The angels are around me as if I’m
lost, there is no power anymore.
“Lay down my dear”, said one of them.

It’s a painful dream, or reality, there is still
so much to do, my pencils are broken,
this cann’t be the end, my soul is crying.

No, don’t close the curtains, don’t bury me
in the fear of life and death, give me some time,
I want to sleep another few hours.


[© MN, in ‘De man en zijn ziel’. Natuurlijk kom ik terug, en ik weet, de toon is dramatisch, voel me ook ellendig maar het komt weer goed en ik zal terugkeren naar de hoopvolle, strijdvaardige levenshouding, terug naar ‘Amor fati’ waarin méér mogelijk is dan in deze zwarte knorrigheid waar niemand iets mee kan. Zwaarmoedigheid, hoe begrijpelijk soms ook, is de meest zelfzuchtige houding die er is, daar kun je niet op bouwen tenzij je tijdig inziet dat er méér is, een soort van her-ontdekking. Vandaar ook dat prachtige schilderij, “Hemelse muziek”, van Amberoos.]

maandag, december 15, 2008

Een schilderij vertelt zichzelf, dat is juist de schoonheid ervan (6)
De aanbidding. De innerlijke zegening?


Dit lijkt een doek uit de middeleeuwen, maar het is een 20ste eeuws verbeelding van de familie, nauwkeurig, vanaf een palet met magnifieke kleuren en onmiskenbaar met de intentie het gezinsleven te eren, te eerbiedigen, te beschermen, zeggend ook dat het intieme familieleven een onverbrekelijke eenheid vormt en van onschatbare waarde is. Het dateert van 1972. Zij, Susan Boulet, heeft het gezin als het ware gevangen in een enkel weefsel, niet als een los blad zwevend op de wind, maar als een hoofd, stevig op de schouders van de mensheid; ze vormen één geheel, het is helend daarin op te groeien, alsof we zijn vergeten om ons met alles om ons heen, in harmonie, te ontwikkelen, te leven en onszelf en anderen te respecteren. (Het doet denken aan het oeroude sjamanisme, New Age en andere spirituele stromingen.) Op de schouders zien we de contouren van rendieren, dieren – niet alleen elanden of herten, maar ook wolven - die in veel ander werk van haar nogal eens terugkeren, dieren die een onloochenbare betekenis hebben en waaraan zij, denk ik, een zekere symbolische of mythologische betekenis toeschrijft. Eenheid, verwevenheid, toevlucht, bescherming. Waar ik weinig van begrijp of weet te zeggen, is dat bolvormige portretje rechts. Zijn het de maan en de vruchtbaarheid? Is het een weeskind?




[© MN. Afbeelding: “The family” van de Braziliaanse Susan Eleanor Seddon-Boulet (1941-1997; zij stierf, in California, aan kanker). In 2000 verscheen bij Pomegranate Press een biografie, “A Retrospective” van de hand van Michael Babcock, ook auteur van “The Goddess Paintings” van Susan Seddon-Boulet. Meer over haar: Christina Baldwin: “Life’s companion” en Michael Fox “The New Eden”. Zijzelf publiceerde “Shaman paintings” of Susan S.B. Als het me lukt, plaats ik tot besluit een collage van Susan’s shaman-paintings, schilderijen die me eerder fascineren dan bekoren.]

zondag, december 14, 2008

Alles is liefde

Weet nog wel waar dat feestje
was in Rosmalen, zie bruid & bruidegom
nog, hoewel in de nasleep van rouw, wie weet
niét van dat zwaar beladen jaar?

Liefde dringt overal doorheen, is het oorlog
of andere misère, steeds is er liefde, vreemd
misschien, maar onoverwinnelijk,
zo gaat het in het leven,

waar niet alleen de liefde heerst, ook ziekte
en tegenspoed, dat is niet te verbergen, maar
als je de liefde vieren kunt, is
er veel gewonnen. Liefde die redt,

het is waar en ook weer niet, elke dag
komt het onder onze zintuigen, de honger,
de onderdrukking, dus of alles liefde is, het
lijkt waaghalzerij dat te zeggen.

Alleen wanneer twee mensen het in alles
weten vol te houden, het hartelijkst blijven,
gastvrij en beminnenswaardig, ja,
dan is alles liefde.

Als dat alles liefde is, dan willen we
dat ook vieren, dan zetten we de tijd terug
naar 1973, van in de verte langs kronkelende paden
tot hier, aldoor is nog alles liefde.

Er zal wel een traan vloeien, ook de lach zal
luiden, want wanneer alles liefde is dan zijn die twee
onverbiddelijk verbonden, zo gaat dat
in een mensenleven, ook van jullie twee.

Alles is liefde, geen twijfel mogelijk, “the two
of you: a beauty of wisdom, like saying, shower
me with love and carry me till there, where ever it is”,
omdat dat alles liefde is en wij hier zijn.


[© MN, in ‘Alles is liefde’; voor Erna & Jan, 14 december 1973-2008, 35 jaar getrouwd. Photo by Haleh Bryan.]

donderdag, december 11, 2008


Een schilderij vertelt zichzelf, dat is juist de schoonheid ervan (5)
Niet het summum van het kwaad, maar van de ontmoediging

Een intrigerend schilderij, zowel naar voorstelling als titel. Een gehavend interieur, mooie lichtinval, maar voorbij het licht schuilt een geheimenis. Vrijpostig? Erotisch? Een verstoorde amoureuze ontmoeting? Een verbeelding uit zijn vaderland dat hij, Basher, lang geleden verliet? “Hij verzet zich tegen het jachtige, oppervlakkige leven”, schreef ik eerder. Ik weet nog weinig van deze Luidinga Gerrit Basher (1950). Hij verblijft sinds 1991 in Nederland. In 1979 vestigde hij zich in Florence, ontwikkelde daar zijn persoonlijke realisme, met als intentie rust, vrede en welbevinden uit te dragen. Een perfectionist, dat is te zien, ook in het vorige schilderij dat ik toonde – (straks, als zijn boek binnen is en op mijn notenhouten leesstandaard staat, zal ik graag over hem lezen). Hier is het schilderij een woning, maar allerminst zoals we ons een woning van binnen voorstellen. Het is een schouwspel, een poëtische vertelling van de bedreiging, maar ook, vanwege dat open venster en het diepe blauw van het als hemel gedrapeerde doek, van de hoop en het verlangen. Het is de vlucht uit een verlangen en tegelijk náár het verlangen. Wij wonen in ons lichaam, maar de schilder toont hier een groter lichaam, een innerlijk lichaam en herinnert zich de grote onrust, de agressie, de onderdrukking, de taboes. Zou het dat kunnen zijn? De twee zijn bijna in het vage donker, het licht en hun realiteit ontvlucht.

[© MN. Afbeelding: “Vlucht in de duisternis” van Basher. Titel van zijn boek: "Persoonlijk universum van Basher". Een uitgave van Galerie Utrecht, 2003.]

woensdag, december 10, 2008

Dichters in verloren eenheid
Al dribbelend op mijn bewoonde eiland

Ik bemin de winteravond, ik, oude,
argeloze man, vastgeschroefd aan het woord,
de gordijnen blijven open, zie

Uvi, zie mij aan dichter en hef
uw arm, ik hijs u aan mijn tafel.
Vertel, deed ge nog nieuwe vondsten

op zolder, uw schuilkelder? “Nee, mijn
waarde, slechts oude woorden, oud als wij,
breekbaar, teder en warrig, teveel

weekheid om te bewaren.” “Oh”, zei Inge,
“vervlogen spinnenwebben stof ik uit.” Niets
met verrukking gevonden dus, geen gouden regel

in wat niet versnipperd was, wat is er
dan te koesteren? Zullen we spreken over
een bestaan van ‘nieuwe gebeden’? “Laten we

in hemelsnaam niet bidden, zo nuizelig”, desnoods
op de tast nieuwe levensbeelden schetsen, Isolde’s
woorden rennen over tafel, always “A heart of dignity”.

[© MN, in ‘Voor wie weemoed kent’. Met de dichters Uvi, Isolde en Inge Deconinck. Afbeelding: "Over de aard van de mens" by Magda Wieclawska.]

maandag, december 08, 2008

Kunst heeft altijd een verhaal (4)
De schepping van de verheerlijking

“Ga heen, jij malle dichter, met je verheerlijking, het is pure provocatie en banaliteit. Schamen moet je je.”
Meteen is te denken dat het niet méér dan een beeld van lust is, koud zelfs, onvolledig en in sommige ogen banaal, maar zou het ook niet een hommage kunnen zijn aan liefde, aan onuitroeibare begeerte, vrouwelijke schoonheid, menselijk verlangen, zonder onmiddellijk te denken aan de typische geilheid van mannen, spiedend naar wat ‘hen immer fascineert’? En verandert het oordeel als u weet dat deze kostelijke en zo precieze verbeelding van wie we zelf zijn, gehouwen is uit steen door een vrouw? Ik ontken niet mijn ‘deel in dit, in ons bestaan’, maar verloochen evenmin het realisme van eros, van de schoonheid, de bewondering, de verleidelijkheid, de geestigheid in dit vakmanschap. Nee, ik plaats seks niet op een voetstuk, schijn bedriegt. (We ‘moeten’ het niet verwarren met seks en erotiek in het privéleven waar de beleving strikt vertrouwelijk is, maar schilderijen en objecten behoren tot het publieke leven – en het gaat ook niet om de vraag of het midden in de stad moet mogen staan. Het gaat denk ik om de vraag of het ‘weerzinwekkend’ is dit te tonen, als een ‘zondige’ gedachte of intentie, als een element dat we moeten onderdrukken, “terwijl we weten hoe desastreus dat is, dat onderdrukken”, schrijft Miller. Nee, het is geen zonde of schaamte, het hoeft niet te worden beschimpt of bestraft. Lust is wel intens geluk en heeft ook iets van egoïsme, maar staat in de schaduw van onbaatzuchtig
lief te hebben, te delen en te geven, dat schenkt energie, zelfvertrouwen, balans.)
Noemen we dit pornografie, de eeuwigdurende bron waar het om draait en waar bijvoorbeeld Henry Miller, Jacques den Haan en Willem Jan Otten zo prachtig, zo bevragend en taboedoorbrekend over hebben geschreven en die eigenlijk de vaag stelden of obsceniteit wel bestaat, maar geheel en al een eigenschap is van de menselijke geest? Altijd worstelen we met de grens van preutsheid en vrezen we de zwakheid van ons hart. Vrees en wens, zo zijn we en zo zijn we niet. Is het niet de liefde die we in alle grootsheid willen ont-dekken en beleven? Losbandigheid of moedigheid, de hemel of de hel, vertedering of gewelddadigheid aan de moraal? Zetten we een deel van ons in de nacht, in het geheim, terwijl het misschien hetzelfde is waarom kinderen van sprookjes houden? Is het mijn verwerpelijke rariteit de intimiteit te willen tonen, te schenden zelfs, of is het de uitbeelding van onze tijdloze behoefte aan verlokking en verlossing? Zonder blikken of blozen, ik ga er rustig om slapen met de bewegingen van mijn gemoed voor ogen. Is dat niet ook de kunst van het geluk?

[© MN, geschreven tijdens muziek van Eric Satie, “The Early Piano Works”. Sculpture by Francine de Carennac.] (Ik stop voor een aantal dagen vanwege mijn fysieke conditie. I live in troubled times, maar ik stop voordat ik terechtkom, zoals Anthony Mertens zo treffend zegt, 'in een zwenbad vol zelfmedelijden'.)

vrijdag, december 05, 2008


Een prent vertelt het leven (3)

“Waarom toch zulke prenten van droefenis?” Ik ken geen antwoord dat geruststellend kan zijn, ik zie de onoplosbare tragiek en wil haar tonen, mogelijk omdat het tegendeel zo machtig lijkt en we niet willen dat het bestaat. Iedereen laat wel eens een traan, van binnen of van buiten, maar dit schrikachtige isolement, deze eenzaamheid die met kreten snijdt, dit realisme van de wanhoop, van de uitputting, noemen we in ons hollend bestaan ‘triest’ en laten we weerloos achter. Heeft zij een oor voor troost, laat zij zich tillen naar een omhelzing van nabijheid, kunnen we haar leven nog lezen, voelen we de betekenissen van al haar naakte geklad? Hebben we nog uitzichten in ons kleine menselijke vermogen? Ik herinner me de zuster vlakbij mijn gezicht, “Ik blijf bij u, wat er ook gebeurt, ik verlaat u niet.” Het is bijna vier jaar geleden maar onvergetelijk, weldadig; het was wellicht haar taak, maar een morele plicht kunnen we het niet noemen. Een moreel appèl.

[© MN. De foto, “Lost dreams”, is van Kees Terberg.]

woensdag, december 03, 2008


Het moederschap overleeft

Mijn hart als jouw hemel, geen wonder
dat je elk jaar op een vast tijdstip verschijnt
als een heldere ster aan de hemel buiten mij.

Al zo lang geleden ben je in slaap gevallen, zonder
afscheid was je bij het einde en nu reis ik naar jou,
kom ik zo weer terug bij het begin?

Deze zomer was ik met je dochter bij het versleten
graf. We plaatsten er een beeld van haar hand
en legden er rozen neer, de rozen van ons kloppend hart

bij jou die ons het leven schonk, als een herinnering
aan de omhelzing van weerzien en verlangen, - al
is de werkelijkheid ook weer anders

want ik herinner me Nietzsche’s geprevel,
“voor stenen is horen en zien er niet bij. Toch
snikken ze zachtjes. Denk aan mij. Denk aan mij.”

We verbinden ons even opnieuw aan al die momenten
van blijheid en verdrietigheid van jouw leven, jij
die in ons woont zoals wij in ons lichaam wonen.


[© MN. In Memoriam Mimi Nuy-Sterenberg, 13 mei 1923 – 3 december 1972. Beeld van verharde textiel, van Erna, mijn tweelingzus.
Het citaat van Nietzsche is afkomstig uit “Nietzsche’s tranen” van Irvin D. Yalom]

zondag, november 30, 2008

Hoe het in veel verpleeghuizen was, weet ik nog uit een eigen wetenschappelijk onderzoek, maar dat dateert van 1983. Het is nu een kwart eeuw later en erg veel beter is het er niet op geworden. Dat weten we, sommigen als mantelzorger, anderen als lezer van kranten (onder meer de zogenaamde pyamadagen vorig jaar), van Feex en uit boeken, zoals bijvoorbeeld van Stella Braam over wier werk ik al enkele malen schreef. Ook over mantelzorgers bestaat veel literatuur en in mei van dit jaar hield oud-collega professor Myra Vernooy aan de Nijmeegse universiteit haar oratie ‘Het is zaliger te geven dan te ontvangen' .
Ik ga daar inhoudelijk nu niet op in, maar geef een poëtische impressie van hoe een vriendin het ervaart haar dementerende partner nabij te zijn en telkens weer te moeten loslaten. Zo geef ik woord aan haar onophoudelijke zorg en verdriet.

Schrijnende liefde
Verwant maar zielsverlaten


Als ik niet bij je ben, zwerf je
willoos en zonder herinnering
in een onbekend huis, groot als een paleis.

Er is niets dat je herkent als van jezelf,
je kent wel een verlangen, “Ik wil terug naar
waar ik geboren ben, mijn familiehuis.”

Ik heb lege handen, weet je, wil je altijd
vasthouden, maar kan je niet meer terugbrengen
naar je vertrouwde verleden. “Lieverd,

kom in mijn veiligheid.” Wat kan ik weinig
uitleggen en steeds weer moet ik loslaten en
‘jouw huis is ook mijn huis’, het is waar, maar

niet de werkelijkheid, elke keer is er het verlies,
ik loop naar de lift, je onzekere, draadloze
wereldje verlatend, ik sta in een regen van tranen,

eigenlijk beiden gevangen, maar ik zou mijn leven
geven als ik wist dat je vrij zou zijn, dat is mijn vuur,
jij terug naar je ooit bezongen vrijheid.

[© MN/TdR - bij het schilderij “Verpleeghuis” van Rudolf Hagenaar.]

vrijdag, november 28, 2008


Een schilderij vertelt zichzelf, dat is juist de schoonheid ervan (2)

Toen ik dit schilderij vond, dacht ik, ‘a tribute to the origin of Tagelus’, ook al weet ik dat hij, oud-Harlinger Gerhard, geen botter heeft, maar wel een man met van jongs af aan een passie voor schepen, zeilen, het Friese waterleven en al vele jaren een geoefend schipper op zijn Dolman vlet, met in het kielzog zijn dochter Hella.
Ik, een bange dichter, vrees mijn leven in deze stormachtige omstandigheden, zeker op zo’n naar mijn gevoel kantelend breekbare en benauwend kleine botter, hoewel van sierlijk gebogen hout. Ik herinner me nog de meer dan twee uur durende boottocht, meen de Stortemelk, naar Vlieland vroeger. Het stalen schip bonkte op de woeste dans van golven, er stonden koeien aan dek die alle zes aan de diarree waren, het wild schuimend zoute water plensde over de boeg en tientallen toeristen werden prompt zo onpasselijk dat ik rillend bleek werd van angst. Niets leek nog op een verlangenstocht naar Eureka op Vlieland, we zouden vergaan en vergeten worden, - maar niets anders, dan “woest mee te gaan met dat breed gelaten zwaaien van den boeg, in het wijde waaien over zee”, schreef Slauerhoff.
En opeens, alsof zijn bundel hier walmend van eenvoud voor me ligt, herinner ik me de heldere regels van de schilder en dichter Willem van Hussem (1900-1974): “Zet het blauw van de zee tegen het blauw van de hemel, voeg er het wit van een zeil in en de wind steekt op.”
Jan Slauerhoff sierde tot voor een tijd geleden Gerhard’s weblog, te mooi om tot slot niet nog eens te herhalen want ook daarheen spoedden zich mijn gedachten bij het zien van dit prachtige puur Hollandse schilderij.
“Want de roep van de rollende branding, brekende op de kust,
Dreunt diep in het land in mijn oren en laat mij nergens rust.
't Is stil hier, 'k verlang een stormdag, met witte jagende wolken
En hoogopspattend schuim en meeuwen om kronklende kolken.”

[© MN, ‘Tribute to Tagelus’. Afbeelding: “Botter in stormachtige zee” van Martinus Schouwman.]

dinsdag, november 25, 2008


Gevleugelde roem aan tafel
Een licht moment voor Erna, een glimlach

Het eenzame koude hart dat zichzelf
voeden moet als was ik het koolmeesje
op een van die rillende takken daarbuiten.

De dichter ziet het beestje en
nodigt het uit aan tafel, er zitten al
een winterkoninkje & een roodborstje,

gedrieën hebben ze genoeg aan de kruimels
des dichters ontbijt, ze ontdekken de
zeeschors, zelfs het schaaltje lauw water.

Ik lepel rustig uit het gehalveerde eitje
en luister, dat zachte getik op tafel is alsof ze
zwijgzaam de trom van vreugd & hoop slaan.

De ekster kijkt verongelijkt naar binnen, beseft
niet dat men gelijken gelijk behandelen moet en
vliegt er pardoes met 't hele zakje pinda’s vandoor.

Als het drietal is vertokken, ruim ik hun
voedselbankje op en lees de putjes in het hout
als poëzie van zeldzaam gezelschap.


[© MN. Voor Erna, “Flow of Hope”. De tweede dubbele chemo.
Afbeelding: ‘Flow of the river’ van Ulco Glimmerveen.]

zondag, november 23, 2008


De hoop is niet slechts een idee
Mijn gemoed is niet zwarter dan het lijkt

Als mijn fysiek dwars ligt en
mijn geest de pijn niet ontwijken kan,
als mijn wangen blozen en

mijn schedel niettemin bevroren lijkt,
waarheen verdrijf ik dan de angst
wanneer ik wankel als wrak hout,

wat rest mij dan te vertrouwen op
wat ik niet bij machte ben, - laat mij
maar slapen op een vilten kussen.

Mijn vingers trillen vol ongeduld met
misslagen, de dichter is zijn draad kwijt,
hij is uit balans, ook zijn wollen mutsje, hij

wil wollen bedsokken en verstrooiing,
droomt zijn geschiedenis, scheuren
in verhalen, weemoed treedt buiten haar

oevers, maar er is altijd nog een overkant
waar het groen is en de liefde, ja,
de liefde is genegen te blijven.


[MN, in 'De man en zijn ziel'. Zij zegt dat dat zij het is, én de sneeuw die alles reinigt.
Mijn gedachten zijn minder helder en op sneeuw heb ik het niet zo meer.
Afbeelding: "Stille morgen" van Hans Dolieslager.]

vrijdag, november 21, 2008


Een schilderij vertelt zichzelf, dat is nu juist de schoonheid ervan (I)

Ik leef in niet zo gemakkelijke omstandigheden en daarom zal ik nu en dan met deze regel volstaan. Een schilderij maakt en vertelt zichzelf en kan het goed stellen zonder mijn interpretatie of relaas, zoals ik dat in november 2006 ook al eens deed – zo’n eigen beschouwing is altijd overbodig, maar des schrijvers ijdelheid wil telkens weer spreken. Ik vlucht niet naar alleen maar schilderijen, hoewel taal en schilderijen, ja, ze doen mij de tijd verstrijken, zij zullen blijven en ik zal gaan, te zijner tijd. (Misschien doe ik het tóch wel, dat woord erbij.)
Het is een doek van de Iraakse kunstenaar Basher, ja, dezelfde als van het doek op 20 mei, surrealistisch; of het je al dan niet aanspreekt, het zegt iets over de ongelooflijke, imponerende kracht en denkbeeldige krachtmeting, zowel in uitbeelding als in kleur, wat een energie, wat een mógelijke, denkbare beweging – mij maakt het gelukkig naar een mooi schilderij te kijken, het is alsof de bewondering alles opzij schuift, bij "Chant", de cd van The Cistercian Monks of stift Heiligenkreuz. Ludwig Wittgenstein zei, "het is (soms) de ervaring de wereld te zien als een wonder."
(De wind blies mijn lange haar geheel in de war. Het geeft niet, het zit daar toch niet op een rijtje.)

[© MN, in ‘A little bit of heaven becomes present’. "The force of nature" by Basher (1948); Basher, the Arabic word for face. Naast zijn streven naar perfectionisme, verzet Basher zich tegen het jachtige oppervlakkige leven. Via zijn werk probeert hij rust, vrede en welbevinden uit te dragen.]

woensdag, november 19, 2008

Een avond valt neder

Je tedere woord, de immense adem
verwart, mijn hart is hel noch vagevuur,
it is like a secret room.

Ik ontwaak in je luide klokken,
ieder heeft meerdere zelven,
"geluk is een lang verhaal".

Verwarring in de woorden van het hart,
zei ze, jouw tederheid in benadering
is als een zachtheid ongekend,

liet mij de jouwe zijn, van waaruit,
in geheime kamers, onze zelven strijden soms
in taal voor een leefbaar leven.

[Het citaat is van Christophe André, waar hij vertelt over het schilderij van Rembrandt ‘De verloren zoon’. MN, in ‘De rumoerige ziel’, a poet in the night. De psychiater C. André schrijft ook: “Je hebt liefdes waarin he tom de vriendschap draait, en je hebt vriendschappen die worden gekenmerkt door liefde” (in ‘De kunst van het geluk’.) Afbeelding: painting “The hidden house” by Paul Christiaan Bos.]

zaterdag, november 15, 2008

Een bordje “Pauze in mijn ziel”

Moet nodig een dichter schrijven
want haar slaapkamer draaide rond
en nog zoveel andere tekenen van onbehagen,
deze lieve dichter, een vechtersbaasje

dat het telkens te verduren heeft,
troosten moet ik haar, maar met welk woord
is er iets van optillend geluk te tekenen
in haar woud van tegenspoed?

Een schilderij kan ik geven, zo met zorg gevonden,
al haal ik mijn kast overhoop, boeken met
leeslinten liggen er ook, maar een beeld van zachtheid,
van tederheid, het spreekt zichzelf, vergt weinig kracht en

dichter in mijn geweven web van vrienden, zij kan
er naar kijken of in dwalen, zij heeft de ogen
van een rebelse geest en weet nooit een einde, lijkt het
wel, in de raadsels van haar zieke lichaam.

Moed wil ik haar schenken, ja, een woord
van aanmoediging kan haar bekoren, vanwaar dit leed
te dragen? Lieve dichter, je bent zo ongelooflijk
wijs, ten volle leven wil je. Hoor me, wanhoop niet.

[© MN, in “De pijn van droefenis wil ik helen.” Voor Ingelien, 'Leeslinten'. Geheel weerloos zijn we niet. Niet berusten kan een antwoord zijn al lijkt het onzichtbaar of zinloos, houd je pen vast want het geeft houvast voor vertrouwen in je voortbestaan, ten slotte is er geen leven zonder ravijnen, houd je pen vast en vergeet nimmer je momenten van trillend geluk. Afbeelding: “De weg naar de ziel” van Amberoos.]

donderdag, november 13, 2008


Gebonden aan méér dan weemoed
La vie et la mort


Wanneer het verdrietigste uur voorgoed is gebroken
en de rituelen voorbij zijn, is ook de stilste aanraking
gesneuveld in de droefenis van het verkillende, schrijnende

sterven. Tranen en mededogen borduren de troost, maar
de prompte innerlijke rouw kent geen patronen en de
gehechtheid is als niet te delven goud. Zo geworteld

ons leven is in haar intiemste, bezonken momenten van liefde,
zo vervuld is ons hart van herinneringen en verlangens
naar een onverbrekelijk weerzien. Het is die eenheid

welke ons de weg wijst vanwaar al wat geweest is.
Zij is voor altijd aan het oog onttrokken, maar verlaat
nooit meer ons lichaam dat wij met pijn van tederheid bewonen.

[MN, in ‘Weerloos tegen het sterven. C’est la vie.’ IM Antje, 16 oktober 2008.
Painting “Undividing heart” by Gilan Ross.]

maandag, november 10, 2008


Liever de rozen dan het zwaard

Tegenover de vreemde of vervreemdende sunrise
kennen we gelukkig ook die van de betovering, wanneer
we beneden komen in een alles strelende lichtval die

ons een leven wenst waarop we in stilte al hoopten,
waar zelfs een bekoring van uit gaat die zwanger is
van warmte, van vrolijkheid, die alle somberheid weet

uit te wissen, zo gemutst wil elke mens graag zijn, licht
gekleed, lichtvoetige gedachten, helder, even onbekommerd.
Voor die een gelukkige morgenstond proeft, weet

dat het leven haar beloften niet slechts geschreven laat,
dat de akkers wel doorploegd zijn en onze zintuigen
op scherp staan voor al dat van deze vrede een illusie maakt.


[MN, in ‘De eenvoud van geluk’ bij een schilderij van Jan van Loon.]

vrijdag, november 07, 2008


Een nieuwe morgenstond elders

Deze is weer anders dan alle voorgaande, natuurlijk, op vertrouwde rituelen na, nee niet zwart en ook niet zwart omrand, maar zo diep vol contrast. Elke morgen vertoef ik bij één van mijn akkers, vaak omheind door een gedicht waarvan de woorden als bindstokken in de aarde staan als de intieme aanraking van gedachten, van huid en diepe emoties en door de lijnen ertussen haar en mij aaneenbinden als een verlangen naar blijvend vertrouwelijke saamhorigheid en eenheid, een omheining die nodig is omdat ik soms, als een windvlaag zei Danny, mijn verstand verlies. Zo verschijn ik voor mijn akker en staat mijn muze ‘avec le coeur bien placé’ er als belofte, als richtsnoer van de dag, de dag die zich toont als een onherbergzame, verontrustende chaos in de wereld en de klaarblijkelijk massale behoefte ‘to transform the world’, maar tevens als een dag waarin de pijn als onkruid groeit en die ontroert door het gedeeltelijk opschorten van het gewone dagelijks leven om plaats te maken voor warmte, mededogen en zorg.

Waar jij bent, wil ik zijn
Terwijl op het dak twee eksters beurtelings hetzelfde bad delen

De zon glinstert door het dunste gele kersenblad,
geeft glans aan de rode amaryllis die ervoor
op tafel staat, met nog witte lelies, de kersenboom is
een en al wind, zodra de kersen plukrijp waren, verdwenen

ze in hongerige of begerige snavels, dat is me liever
dan dat de zon verdwijnt, dan dat alles dof wordt,
dor, duister en dood.
Het is vrijdag en ik zie door de vensters

heen mijn godin van de gezondheid,
niets van haar schoonheid wordt verhuld,
wel de belofte, maar dat is het leven, een leven
vol symbolen, kille wind, soms amaryllissen en de zon,

dié te zien, zegent al mijn morgenstond,
ik weet ‘t , soms in horten en stoten
dringt tot mij door wat leven is,

is dat omdat onder mijn huid de dood zit?
Ik wil leven de jaren die ik krijg, zonder harnas,
ten volle, hoor je, dat is toekomst.

[MN, Een meditatieve compositie. Worden we soms in een van onze zelven, die volgens Fernando Pessoa ieder van ons is, niet moedeloos geraakt door bijvoorbeeld de langdurige, schrijnende verschrikkingen in Congo, elders de tragiek áchter de economische malaise? Het leven als hel en vagevuur met minieme vlokjes genade en hemel, maar heel ons woord is afgezaagd en versleten, “uitgewoond“, vond Amadeu de Prado. ‘Pijn’ staat (ook) voor ziekte en ‘opschorten’ duidt op zorgverlof, tijd nemen, er zijn. Afbeelding: photo, “Strange sunrise”, by Shaahin.]

maandag, november 03, 2008


Soms is de wereld de wereld even niet meer

Eerder schreef ik over ‘de monnik en de heiligheid van het leven’ en of je daar nu wel of niet iets mee hebt, is helemaal niet van belang, want toen ik me afvroeg wat ‘de faam van de heiligheid’ toch zou kunnen betekenen, kwam ik uit bij de individuele nederigheid en schreef regels over de kunst ons persoonlijke leven zo licht mogelijk te maken zodat het draaglijker en eenvoudiger kan worden. Keer en draai dit zoveel je wilt, maar daar gaat ons verlangen veelal toch naar uit.
Het lukt me vaak voor geen meter zo te leven. Toch grijp ik de pen, ploeg mijn akker maar weer om en terwijl mijn ploegschaar voortgaat, voor na voor, denk ik eraan mijn woord aan het zwijgen te geven want ik zie de wereld even anders, ik wil hem niet eens graag binnenlaten. “Zoek een mooi schilderij”, zegt G. lief en bemoedigend, “ze kan even schuilen in ons licht en onze hoop. Hebben we iets anders dan?”
Het is waar liefste zusje, als wederhelft ben ik gekomen, ik sta met lege handen maar ik durf bij je te blijven ook al splijt de grond onder mijn voeten.

[© MN, in ‘Schuil dan in ons licht’. Painting “The soul and the world” by Mihail Aleksandrov.]

woensdag, oktober 29, 2008


Twee gedichten voor Allerzielen, 2 november, elk in een eigen cel van het hart, van de ontmoeting, de ontroering en de herinnering. Allerzielen stamt uit de Benedictijnse traditie, waar het waarschijnlijk in de 10de eeuw voor het eerst werd gevierd.


Onder waakzame ogen haar reis gegaan

Toen eenmaal haar lichaam bewoond werd
door almaar teisterende pijn, brak haar geest
naar de grens van daarginder, anderhalf etmaal lang,

naar het land dat wij niet kennen,
het land van herkomst dat ook ons ooit
verwacht. Zij stak liever niet stil

en ongezien naar de overkant,
maar ze werd niet meer wakker, zij zag
niet ons treurig oog, maar voelde wel onze kus

van troost op haar zijdezachte huid. Zo wilde zij gaan,
in een onbekend besef, dat zij in ons woont,
zij, in ieder van ons zolang wij leven.


[© MN, “IM, Antje die wel voorgoed slapen wilde”,
23 juli 1920 - 16 oktober 2008, in “De wind waait de tijd als zandkorrels weg”, een gedicht over de ontroerende schoonheid van ouderdom, hoezeer wij het ook herkennen als menselijk lijden, als een slijtage die niets dan tranen wekt. Afbeelding: peinture “Le coeur” par Sophie Costa.]

Zoveel tederheid nu gedrenkt in droefenis

Elis, mijn lief, waer bestu bleven
mi lanct na di, gheselle mijn du coors
die doot, du liets mi ‘t leven.

Een milde herfstzon wenkte naar ons gesprek
ook al bleef een dikke traan onverborgen, “was
samen met haar gaan niet mooier geweest?”

Zie mijn oude, eenzame hart, Elis, het blijft vervuld
zoals in alle seizoenen en meer dan vijf decennia
verknocht aan jou, mijn zielsverwante, mijn zegen.

Je bent gehemeld, maar waer bestu bleven? Ik leef
de winter van mijn leven, het is het zwaarst wat ik ooit
torsen moest, in het geluk van de troost, dat wel. Ik wis

mijn ogen, wazig nog van al je tederheden, zet de kraag
omhoog en fiets naar huis, onze oude niche vol symbolen,
elke meter meisjelief herinnert mij aan gestorven rituelen.


[© MN, voor Dave. De eerste strofe is vrij naar Jan Moritoen, ca. 1400.
IM Elis 19 april 1926 – 24 augustus 2008. Afbeelding: schilderij van Wil Lof.]

zondag, oktober 26, 2008


Elk mens haar innerlijke oevers

Na elf maanden pijn en zichzelf willen zijn
kwam het gevreesde woord met zelfs
een explosieve groei. Welk mens kan zo’n schok

verdragen en tegelijk de hoop omhelzen waar
die niet te vinden lijkt, anders dan in de eigen ziel
en doorheen de tranenwaas in de getroffen blik

van man en dochters, van broers en zus - toch
is het die warmhartige nabijheid die het denkbeeldig
noodlot wil doen verbleken, haar helpen wil

het onvermijdbare pad draaglijk en begaanbaar
te maken, met zonlicht door de schaduw van haar leven,
zij, als een vroedvrouw delft zij alle verdwaalde kracht, als

een kwetsbaar wezen neemt zij uit onze handen,
tegen alle deernis komt troost en liefde, leest zij onze ogen,
traan tegen traan, jouw gevecht is ook het onze.


[© MN, ‘In een aaneengevlochten leven(sleed)’, fragment in Reken op wonderen. Afbeelding: painting by Deborah Walker “Fresh and timeless”.]

woensdag, oktober 22, 2008


Een sterven gekleed in liefde

Op de zesde dag na Dinsdag is zij begraven,
een oude, wijze vrouw met pijn en tegenzin aan het bed
gekluisterd, geweven in een krans van zorg en aandacht.

In de dood herkreeg zij weer haar pastelkleurige, zachte
huid van liefde, van zorg en gastvrijheid, hoe bevreemdend,
maar de dood is niet enkel wit of bleek, maar verlossing of vrede.

Voor dag en dauw elke morgenstond omhelsd door haar dochter
want zoals anders, het zou haar aan niets ontbreken. En zo werd zij
in het mooiste licht van het seizoen in de aarde gelegd,

door de zon op de klok van twaalf waren alle kleuren te geef, de
wind was stil, de saamhorigheid veegde de tranen van ieders wangen
Het einde van een vaarwel met bloemen voor daarginder.

[MN, in "Een laatste ademtocht". Painting Past-Present-Future by Julie Ann Smith.]

zaterdag, oktober 18, 2008


Das Heimweh

Für die Speise nahmen wir in die Schweiz am liebsten Karbonade mit grüne Bohne und Apfelpaste, en nadat een eenvoudige receptuur was gevolgd, "néé, niet zoals hier in Nederland dus hè, karbonades die zó dun zijn dat je er de krant doorheen kunt lezen."
In de lange verdrietige uren van een sterven was dit een van die onmisbare ogenblikken van de lach. De verteller is een meester-kok, een man van oneindige verhalen over De Lage Vuursche en zijn jarenlange geschiedenis als meester-kok in een chique hotel-restaurant aan de Bodensee.
Uren van waken in de stille spanning van de slaapkamer zijn in de woonkamer tevens uren van verzuchten, van ijsberen, van emoties en van herinneringen. Een stervensweg lijkt op een uiterst moeizame voettocht over een voor het eerst betreden en schamel verlicht kronkelend en oneffen pad dat je machteloos en in een volle maar duistere nabijheid volgt. Het leven in huis lijkt dan letterlijk een boek geworden, een boek, hier en daar wat beduimeld en met kleine soms wat vergeelde foto’s, een boek met vele episodes uit de jaren vijftig en zestig waarin je met elkaar bladert en door de nacht heen nog eens opnieuw leest in oude handschriften over het jeugdplezier, over winters die we niet meer kennen, over de nu ondenkbare eenvoud van het huishouden, over de veel strengere rituelen in en buitenshuis en terugdenkt aan sobere maar mooie vakanties aan Katwijk aan Zee. Vertellingen als naalden op het water, kijkend en luisterend met een kloppend hart van aandacht.
Een waken en herinneren in een sterk vertraagde tijd, waarin de actualiteit van het leven lijkt uitgeschakeld, behalve dan de schrik van soms vermeende veranderingen aan het sterfbed. Je staat gezamenlijk buiten elk vertrouwd ritme en zit met elkaar rillend en warm aan dezelfde tafel waarover ’s morgens het gele herfstlicht strijkt en de blauwe walm van de nacht wordt verdreven, daar word je geleefd naar het toch nog overrompelende en alles ontladende eindpunt, langzaam gevolgd door opeenvolgende gebeurtenissen die markant zijn voor de te ruste legging in het familiegraf, - ooit het laatste rustbed van alle heimwee.
[MN, "Een fragment uit stervensdagen" - IM Antje, 23 juli 1920 - 16 oktober 2008.]

dinsdag, oktober 14, 2008


Mijn moeder, mijn broze bron van tederheid
Hoelang kunnen we elkaar nog vasthouden?*

Eenmaal oud en mijmerend op de zetel
van al uw verhalen, ik zie u aan en luister, nee,
uw zuchten hinderen niet, het is de adempauze

in uw geschiedenissen, zilvergrijs maar levend
en van belang ze te horen, of zullen we stil zijn en
samen … “Ja, thee graag”, zegt ze gretig, “ze denken

soms dat ik gek ben.” “U bent mooi en oud en kleurrijk”,
ik zie de dunne huid van haar hand, haar ogen zien
een verte die ik niet ken. “Zou ik al dicht bij de dood zijn?

Die hortensia’s daar wel, verlept en bleek zoals ik. Ik ga
nog niet, maar ben er dichterbij dan u.” Ze drinkt haar thee
en morst, ze veegt het weg met de tissue in haar vuistje,

ze zwijgt, ze wacht niet op mijn woord. “Gaat u al weg?”
“Ik blijf zolang u wilt of tot u slapen gaat.” Het is de stille
aanwezigheid die haar deugd doet, mijn ontroering

is een belofte, vol rimpels, zij maakt nu de tijd, haar tijd
zo broos als zij spreekt of de stilte die mij luidkeels
roept, ‘wij raken aan geduldige innigheid’, er is geen haast.


[© MN, in “De wind waait de tijd als zandkorrels weg”, een gedicht over de ontroerende schoonheid van ouderdom, hoezeer wij het ook herkennen als menselijk lijden, als een slijtage die niets dan tranen wekt.
De ondertitel is van Uvi, mijn dichter nabij.
Afbeelding: painting “Old age” by Magda Wieclawska.]

maandag, oktober 13, 2008


Rainer Werner Fassbinder zei eens: liefde bestaat niet, alleen hoop op liefde
Muziek: Eleni Karaindrou, “The weeping meadow”

Wederom bij een van mijn akkervelden, het is er stil en aan de rand hoor ik dwarrelvluchten van vallend blad. (Adelheid zei, “ … zelfs het gefluister van beekgefezel ontgaat me niet.”) Een begin van herfst. Mijn hersens zijn vol warm bloed en rijk aan zuurstof. Hier zit ik weer, alleen voor een nieuwe akker en weet dat ik ergens gelezen heb wat die Duitse filmmaker eens stelde. ‘Liefde be­staat niet, alleen hoop op liefde’. Is dat de ontgoocheling van het leven, is dat het waarom wij terug­hou­dend zijn als een angstig dier wanneer de liefde ons nadert, altijd en in feite alleen, is dat het waarom wij het niet weten en telkens zeg­gen het te hopen, al is het voor de duizendste keer. Als de liefde niet bestaat, tuimel ik in eeuwig verdriet. Als de liefde niet bestaat, hoef ik ook geen geld. Heb ik geld, dan geef ik het aan de liefde. Maar ‘liefde bestaat niet’?
“Ga je nu al weg? Verlaat me toch niet.” Is het dan een illusie, de liefde? Dromen we slechts van liefde? Is de verrukking van liefde voor ieder van ons apart of van ons samen? Is het dan egoïsme als we denken dat er wel liefde is? Als de hoop op liefde bestaat, moet ze ergens zijn. Alleen de hoop is toch niet voldoende? We weten toch ook wat het is: de spanning van de liefde in te gaan, hoe uniek en verkwikkend dat is, een verloren liefde, een onbeantwoorde liefde en opnieuw hunkeren naar liefde? Bouwen met liefde? Het verdriet, de verlokking. We weten toch ook wat het is: een liefde verscheuren, een liefde dringt zich op, een liefde blijkt niet waar­achtig te zijn, van een liefde die ontwricht, van een liefde bevrijd zijn, om met rust en los gelaten te worden en toch radeloos te zijn? Gaan we soms dood aan de liefde? We weten, al is het een raadsel, dat de grens tussen liefde en haat zo dun is als een plaat staal, dat opeens het wederzijdse respect kan zijn verdwenen, dat het plezier is gedood. De troosteloosheid. Het is toch dat ik de liefde heb gekend, ik herinner ’t me alsof het me vertrouwd is dit te beleven, zoals ik veel zonneschijn en donkere wolken al zo vaak heb gezien, zoals ze zich samenpakken in mijn kleine geschiedenis.
We weten wat het is: zuchten of roddelen over de liefde, de liefde die kennelijk bestaat. De liefde die ons beïnvloedt. Compassie, mededogen, tederheid, ontroering. Liefde kent vele gedaanten. “Weet een vis dat hij nat is?” Wanneer kan ik eens rustig ademen, in het vertrouwen dat er liefde is, dat er aandacht is, dat er naar me wordt ge­luisterd, dat er tijd voor me is, dat ik word aangeraakt. Blijft het levenslang zoeken, tasten en ho­pen, houdt deze innerlijke worsteling ooit op of begrijp ik het gewoon niet en blijf ik daarom eenzaam ploegend op deze akker, dag na dag mijn woord strooiend in de hoop dat er een verhaal over liefde ont­staat? Ik kijk hier om me heen naar honderden boeken, in niet één ontbreekt de liefde. Waarom zou Japin zeggen dat de liefde hem liever is dan vrijheid? Als de liefde niet bestaat, is er dan ook geen schaamte, geen waarheid en leugen of bedrog? Mijn ak­ker zwijgt, er staat alleen: voor wie weet wat liefde is. Ik voeg er nog een regel aan toe: en voor een dichter die weet dat hij geen ver­geefse tocht gaat. En voor twee andere dichters, die, net als ik, de slotregel: wie hun liefde lezen als een boek.
Liefde. Ja, we kennen haar in tal van gestalten, maar wie weet waarop we hopen?

[© MN, “Ik adem liefde en hoop.” Het korte citaat, ‘weet een vis dat hij nat is’, is van Nilgün Yerli, ‘Weg van Nederland’, literaire juweeltjes, B for Books 2008. Er volgt te zijner tijd nog een tweede deel, een Ode aan de Liefde. Afbeelding: Painting by Albert Kyle Pace “What will I know when the apple falls?”]

zaterdag, oktober 11, 2008


Dichter, blijf waakzaam over je ziel

Gelukkig, het is zo zonnig,
mijn ogen glanzen alsof ze geboend zijn,
er is zo’n zon die precies past

in dit seizoen, zie je, alles is hier op maat,
de schepping toont ongekende en nerveuze chaos
maar ook veel wonderen.

Ik ben een dichter die zijn ravijnen
kent, maar ook de zachte wind die me streelt, zó,
dat geen pijn mijn ziel nog schuurt,

het is de geest van verwondering
die gewekt wordt, een stijl van innerlijk leven
waarin elke vrijheid en vrede landen kan.


[© MN, in ‘De man en zijn ziel’. En Loesje zei: “Het is herfst, maar het stoerste blaadje valt pas
in maart van de boom.” Afbeelding: “Logging Trail”, october, by Connie Tom. Vandaag is het familiedag, maar morgen ben ik er weer.]

woensdag, oktober 08, 2008


Nooit zomaar weer ‘het heertje’

Wel galant hoop ik, maar wie men ‘heer’ noemt, zo
was ik nimmer, maar gisteren op reis werd het mij
te kwaad, laat in de avond. Voelde ik me nog

een dichter, eerder een mens aan de verloren kant,
het was minstens 1500 meter lopen, inclusief hoge trappen
in een onneembare, tochtige vesting, ik zag iedereen

in draf de trein halen, maar zelf bleef ik achter,
als enige op een guur perron, terwijl dieselmotoren ronkten,
roerde alles van deze maanden alsof ik aan de kook moest komen,

zo van slag raakte ik, dat ik thuis prompt in slaap
tuimelde, terwijl met de recessie mijn kleine geld in de
rookoven was gedaan. Heb ik geen geld, dan heb ik de liefde.

[© MN, “De troost”, vandaar deze afbeelding, “Ontmoeting in levende ziele” van Amberoos.]

maandag, oktober 06, 2008


“Haar lichaam weet het” revisited

De oorspronkelijk geschreven recensie is verloren gegaan, spijtig, maar dat kan gebeuren als je even onoplettend of ongeduldig aan het werk bent. Het (tevergeefse) zwoegen want zó zit ik toch wel steeds achter mijn akkers, als ze nog leeg en nieuw zijn. Tijdens mijn reis deze week ben ik de trap afgegaan naar mijn geheugen, en deep down schreef ik regel na regel, in slow motion, alsof het in scherven lag en ik alles weer lijmde. Wonderlijk.
Dit onvergetelijke boek van David Grossman bestaat uit twee novellen, de eerste heet ‘Waanzin’ en de tweede ‘Haar lichaam weet het’. De recensie ging/gaat over de eerste, waanzinnig knap en spannend geschreven, met duizenden zorgvuldige penseelstreken over het innerlijk leven van vooral Shaoel en Elisjeva en Esti, ook dat van Mischa en Paul, maar dan meer in de marge.
Wie dit boek leest, moet in de stemming zijn zich te willen afsluiten en heel geconcentreerd te lezen, je moet je ‘kop’ erbij houden en niet verdwalen in de kronkelwegen van de eigen gedachten of associaties die als bloed door je heen stromen, maar waarachtig oplettend, aandachtig aanwezig zijn. Mij overkwam het, dat ik, eenmaal op pagina 24, van voren af aan kon beginnen want ik begreep er niets meer van, gedeeltelijk doordat zinnen soms meer dan een halve bladzijde lang zijn, maar natuurlijk vooral doordat ik afdaalde naar dozen vol herinneringen in mijn eigen leven. Je kunt het boek dan ook terzijde leggen en denken dat het niets voor jou is, dit boek, maar dat deed ik niet. Ik dacht bijvoorbeeld over het fatsoen, over ‘niet gezien willen worden’ als anderen erbij zijn, maar zonder die anderen alle mores naast je neerleggen, ik dacht aan mijn eigen moeizame leertocht met toch ook een heel gelukkige ‘barenszee’, maar laat ik in hemelsnaam bij het boek blijven dat ik uiteindelijk toch ademloos heb gelezen.
Shaoel is meer dan vijfentwintig jaar getrouwd, een mijlpaal die ik nooit meer zal halen als oudere, krakende man op wielen, en zijn Elisjeva – wat een prachtige naam, een naam als een lied – heeft een minnaar. Maar Shaoel is verschrikkelijk jaloers en fantaseert er op los, tot in de kleinste en meest gezochte maar nog heel geloofwaardige details – met uitvoerige herinneringen vol warm bloed van triomfen, vol heimwee en weinig genade voor zijn nederlagen - bouwt hij een stiekem, hartstochtelijk leven dat hem zowel opwindt als deprimeert. Dit laatste nog het meest.
‘De werkelijkheid is het verhaal dat we er van maken’, schreef Flaubert.
Dat klopt. Shaoel’s verbeelding is buitensporig, is schrijnend en schroeit, en de realiteit van Elisjeva zo eenvoudig. Zijn visoenen boden hem kennelijk méér dan het werkelijke leven, dan in zijn verbleekte alledaagsheid mogelijk zou zijn, maar dat ga je op het laatst pas begrijpen, evenals Esti die ooit met Shaoel samenleefde – maar dat ligt onder een dikke laag stof – en die bloost van verlangen en nieuwsgierigheid want deze Shaoel kende ze niet.
Het is fascinerend hoe Grossman de innerlijke levens zo diepgravend weet binnen te dringen en ervoor te zorgen dat zijn lezers hem niet ontsnappen. Dat is haast ondenkbaar want de geheimzinnige en langdurige autotocht van Esti met de in zichzelf weggekropen Shaoel op de achterbank, gek, geniaal, heftig, mallotig en zuchtend, bestaat uit een heleboel stukjes mens.

[© MN, Over de novelle Waanzin in “Haar lichaam weet het” van David Grossman, uitgeverij Cossee 2004, 2de druk 2008. Painting by Jacqueline Devreux (1963).]

woensdag, oktober 01, 2008


(Helaas is vanmorgen mijn prachtige recensie over het boek van David Grossman, "Haar lichaam weet het", om onverklaarbare redenen verloren gegaan en zelfs na systeemherstel niet teruggekeerd. Het was een lange, intensieve tekst en niet meer zomaar weer tevoorschijn te halen. Treurig. Daarom nu een gedicht, terwijl ik dat juist nog even wilde bewaren.)


Noeste, stugge arbeid en op ’t oog nietsdoen

Het lot van de schrijver is het volle
behagen van de stilte, niet die van het hart
van verlatenheid of andere chaos, maar de stilte

van een gerust hart. Soms is een brief
of wat tekst heet als brandhout, elk vlammend woord
erin zet je in vuur, je leest enkele regels en het is er, het

kan een vuur zijn van woede, van fascinatie, maar
ook van lust, geen mens die zo’n hitte niet kent, of de stilte
als het is geblust, het verlangen is vervuld, als

er weer een akker is ontstaan, waar niet in het wilde
weg is geploegd, maar is nagedacht over elk te poten
woord, woorden waaraan is geschaafd zo te zien, de uren

verstrijken. Doorstrepen en polijsten, dat zijn woorden,
alsof een vroedvrouw ze heeft gehaald, en pas dan
een verhaal tonen dat je toevoegt aan alle vorige.


[© MN, in "De man en zijn ziel". Afbeelding: painting “Lifeline” by Japi Honoo. Zoals ik bij een van de laatste reacties van zondag al schreef, ga ik er nu weer voor enkele dagen vandoor. Graag tot maandag.]

zondag, september 28, 2008


Elke dag een gewonnen dag*

Twee eksters schetteren om dezelfde pier,
opeens pikt de ene hem op en blijft de andere
wat boos namopperen. In een fractie van een seconde,
een mum van tijd, foetsie zijn gladde ontbijt.

Even dacht ik dat de Vlaamse gaai tussenbeide
zou komen want ook zijn bestaan moet elke dag
gewonnen worden, zoals dat van mijzelf, in wezen
even broos en ongewis, met een krans van geluk.

De zon schijnt een frisse kleur,
de wind trekt hem aan. Zo sta ik oog in oog
met een nieuwe trendy morgenstond, een zoals ik
al vaker zag, de schone schijn van warmte.

[© MN, in “Het ongewisse bestaan”. De titel is een regel van Uvi. Afbeelding: “I am tired”, painting by Jennifer Anderson.]

vrijdag, september 26, 2008

Het licht van de dichter

Een dichter is geen wilde, roekeloze krabbelaar,
maar wikt en weegt, schaaft en polijst zijn woord
want hoe duister de realiteit soms ook is,
zijn woord wil een licht zijn.

“It’s a journey to the colours of your life”, zei Yvette.
Zij bedoelt het levenspad dat ongewis is en duister soms,
zo tast een dichter in zijn ziel en krabt de woorden
van zijn lippen om zichtbaar te maken wat niet direct

gezien is, niet eerder zo scherp blootgelegd
want een dichter snoeit het struikgewas van de realiteit,
de leegte wordt bemanteld met zijn woord en zo toont
de akker van zijn geest waar hij staat.



[© MN, voor Gobboe, Erik van Hoof, Vredesslammer 2008, zie zijn weblog. De regel van Yvette: zie Yvette, “Felting your Soul”. Afbeelding: “Roses for the poets” by Jeanne, een schilderij door mij symbolisch benoemd als An Award for Peace.]

woensdag, september 24, 2008

Toeschouwer voor een zwijgende weide
De hemel is open, de wind geruisloos

Er heerste een behaaglijke stilte, als aan
mij gegeven, mijn ogen drongen door tot in
lichtgroene acacia’s, rechts gearmd met populieren en

links met esdoorns. Voor mijn neus een geurende boomgaard.
Er kwam een garnizoen spreeuwen thuis, maar ze streken
neer in de kerktoren, na wat rust zouden ze zich tegoed

doen aan het fruit. Eenden vlogen in lichtvoetig gekwaak
hun vredesmars, maar er was er één die zich de vorst wilde tonen,
de haan, maar het mooie was dat geen enkel gevleugelte

zich er een biet van aantrok en nog vóór de schemering
in eigen tonen, luidkeels, hun avondverhaal schreef, zó zaten
we daar in Aerdt, een gehucht van niets, een paradijs van alles.


[© MN. Er stond eerst ‘Mediteren’, maar de lezer zou zich kunnen afvragen ‘waarover dacht ik’. Toeschouwer is een stiller begrip. Ik keek rond met al mijn zintuigen, welbeschouwd ook een mediteren, een mediteren over het landschap waarin we leven en dat we soms vanwege de alledaagsheid niet eens meer opmerken. Afbeelding: Painting “The church for ravens” by Maria-Mihaela Sârbu.]

maandag, september 22, 2008


De eenvoud van de lach
Blijmoedigheid wappert als een vlag

Hutsefluts gaat over de grootste onzin
en dat is tamelijk eenvoudig
want er is zoveel van.

Zij zegt, dat ik het zelf ben,
maar als dat menens is,
wat ben ik haar dan waard?

Typisch een vraag van deze dichter,
die de gewoonte heeft alles zo
ernstig te nemen dat hij de onzin niet ziet.

Natuurlijk zie ik hoe haar liefde is, daar
komt geen gedachte aan te pas, en opeens is er
de lach om wie ik óók ben, een hutsefluts.

Een hutsefluts is dus ook een mens die niet altijd
ziet wat er pal voor zijn neus gebeurt, ach
wat een arme drommel is een dichter soms.


[© MN, in “Leven is leren” (want misschien weten we wel meer dan we kunnen verwoorden, leren tot het eind van de kluwen, ook en juist voor een dichter die de eenheid zoekt, weet dat het geen vergeefse tocht is geweest en toch verder gaat). Afbeelding: “Probing the gray day” by Ed Watson.]

donderdag, september 18, 2008


Touching
“This isn’t real”, he whispered

“My dream”, he said, “is to be free and
fly away, if I want.” The brave, strong boy will be
like the birds around and above the mountains.

He doesn’t know of course any fear or despair
or desolation, he just want to follow
his secret dream as a flying boy and prepared

himself for the impossibility to change the limited
and vulnerable nature. He is not a young unloved
fortune-hunter, but in his dream like we all are.

Look at his face, he touches our life, he wants
to fly now, but he shall be a traveller who follows
his own wishes and borders.

[© MN, in “Dreams are forever”. Afbeelding: “Kamicarus” by Egil Paulsen. Overigens ben ik vanaf nu tot maandag ‘out of town’. Ook een dichter heeft vrije dagen, hoewel ik daar zo mijn gedachten over heb.]