
De alleenspraak van Baart III
De inspiratie
Het probleem zit onder meer in de aard van professionaliteit van moderne zorggevers zoals ze aan de meeste opleidingen wordt aangeleerd. Er bestaat een hausse aan sociaaltechnische methodieken, interventiemodellen, stappenplannen et cetera – alsof studenten wordt geleerd ingenieur te worden die straks overal aan het repareren slaat, die harde kennis benut en vertrouwt op het kompas van vakregels. Maar de sociale werkelijkheid is veel weerbarstiger en wispelturiger dan in methodieken gevangen kan worden. Een methodische benadering is goed, maar tegelijkertijd gaat het om morele afwegingen, om emotionele betrokkenheid en aanspreekbaarheid, en dus ligt er een sterk accent op het vermogen telkens te reflecteren op de ervaringen hier en nu want die spelen de grootste rol (practice based!). Het zijn ook geen hulpverleningscontacten, maar zorgrelaties, daarin gebeurt wat er gebeuren kan. Het gaat dus om een professionaliteit die bijzondere eisen stelt aan een opleiding, vrijwel haaks op wat nu de realiteit is. En wat heel typisch is, dat is dat de doorgaans met hartstochtelijke motivatie binnengekomen student binnen de kortste keren in de schaduw daarvan terechtkomt: ze krijgen instructies en modellen om handige methodiektoepassers te worden in plaats van vorming en te leren voelen en inzien hoe zich, vanuit die hartstocht die er op duidt ‘iets’ voor mensen te willen betekenen, persoonlijk te verhouden tot onrecht, chaos of onoplosbaar leed. Het ‘persoonlijke’ staat niet tegenover professionaliteit maar is, dient, daarin geïntegreerd te zijn, zoniet, dan blijf je zelf altijd buiten schot, dan sta je ongevoelig erboven, op gepaste maar koude afstand. De Hongaar Imre Kertész raakt de kern van waar het in alle hulpverlening op aankomt. Hij identificeert zich uiteraard met diens literaire auteurschap (en niet met hulpverleners), maar de essentie van de boodschap wordt er niet minder helder van. “Als het je levensdoel is”, schrijft hij en zijn werk getuigt ervan, “de condition humaine te beschrijven, moet je ook je hart openen voor de mateloze ellende die in deze condition besloten ligt.” Presentie is dus een manier van zijn en doen, die slechts verwezenlijkt kan worden met gevoel voor subtiliteit, vakmanschap, met praktische wijsheid en liefdevolle trouw, en niet louter competenties. Het vereist dus een zekere maturiteit, rijping, moed om onbegaande wegen te gaan, om het uit te houden waar menigeen de benen neemt, maar ook om je mond open te doen als dat nodig is en soms riskant. Dat bedoelde Foucault met ‘parrèsia’: een vrijmoedigheid van spreken omwille van de waarheid. Dan blijft het mogelijk te kijken met de ogen van wie aangewezen is op zorg. En opnieuw, dat staat voortdurend onder hoogspanning. In de huidige fusiegolven, het samenvoegen tot ontzagwekkende eenheden van zorgverstrekkers, steeds onder een Latijnse naam die efficiënter heten te functioneren met een nieuwerwets jargon en gevolgd worden door zogenaamde ‘balance card systemen’: daar zie je vrouwen sneuvelen die voortreffelijke zorg leverden maar wier plekken worden ingenomen door full blown managers en zijzelf ruimen het veld, opgebrand, niet ‘van deze tijd’. Hetzelfde zie je bij al die bestuursorganisaties. Waar eerst een ambtenaar zat die je werksoort door en door kende, is het nu een komen en gaan van ambtenaren en uiteindelijk weet niemand meer van toeten en blazen. Er wordt onophoudelijk gereshuffeld, volgt er weer een nieuwe generatie van formulieren en taskforces of een productenboek op grond waarvan je wordt afgerekend. Zo houd je de identiteit van het werk niet overeind. Hetzelfde zie je ten aanzien van cliënten; een diagnose is niet meer de reconstructie van het eigen verhaal, maar eerder van het schudden en trillen van een onpersoonlijk sorteerapparaat, van tests en andere rekenuitkomsten. Het is allemaal al geprogrammeerd. Het verhaal van de cliënt wordt volkomen secundair en dus gaat het om kansrijke contacten, tenminste als je nog kunt worden gerekend tot de bij elk loket behorende categorieën of ziektebeelden. Zo kunnen mensen onmogelijk nog worden gekend en wordt er leed toegevoegd. Institutioneel geweld, dat is het, ingebakken in de regels van het spel. En er zijn weinig werkers die zich van de onredelijke aspecten daarvan kunnen distantiëren, hoogstens valt nog de opmerking: ‘sorry mevrouw, zo zijn de regels nu eenmaal.’ In hun hart stemmen ze er misschien niet mee in, maar het lijkt wel of ze voortdurend in gesprek zijn met de targets van hun baas, de voorwaarden, de verplicht gestelde methodiek et cetera, en dus gaat de hardheid meedogenloos door, en dus voelen cliënten zich in de steek gelaten, niet gehoord, vernederd en verlaten.
De presentiebeoefenaar spant zich in dat leven te leren te kennen, erbij aan te sluiten en met wat eruit opborrelt (veelal pijn, verlating, verwaarlozing, zoals uit ons onderzoek blijkt) aan de slag te gaan zoals dat daar op dat moment, met dat kind of met die meneer of mevrouw, in die situatie kan. Improviseren, kunnen reageren op wat zich aandient, kunnen werken met wat voorhanden is, precies daar waar je met hart, hand en hoofd moet zijn. Maar wat zien we, wat blijkt uit onderzoek? De dokter wenst zich niet in te spannen om begrijpelijk te zijn en ratelt maar door, de advocaat praat consequent tegen een ander dan tegen de Marokkaanse mevrouw die bij hem kwam om hulp en raad, de opbouwwerker is niet van plan zijn bijbehorend taaltje eens los te laten en ook de GGz tolt maar rond in een labyrint van termen: signalering, aanmelding, screening, specialistische diagnostiek, trajectontwikkeling et cetera. Je wilde hulp, maar de toegang is vrijwel onmogelijk: de helper ligt achter een berg van jargon en restricties en gewichtigheden. Iedereen schuldig, niemand verantwoordelijk. Het is het absentïsme van het werk. Wie zwak staan, lijden er het meeste onder.
De presentie in de oppositie: het is een gelovige praxis, lijnrecht tegenover de treurige praxis die ik net schetste. Onder de presentie liggen uitgesproken opvattingen over menselijke waardigheid, over gemeenschappelijkheid, over lijden en het kwaad, over het menselijke verlangen, over het geschonken karakter van de werkelijkheid, over de kostbaarheid van het leven en de beschermwaardigheid van het zwakke. De presentie steunt ook op tal van analyses: van onze samenleving, van instituties, van de orde van het bestaan of van de deugden die humaniteit bevorderen. Daarin ligt bijvoorbeeld ook de oproep om oog te hebben voor de zwaksten en de vreemdeling, om rechtvaardig en barmhartig te zijn, om jezelf los te laten en gastvrij te zijn en het heiligste te leren (her)kennen in het meest alledaagse en geringste. Dat alles is, voor wie het zien wil en voor wie het niet afstotelijk is, een fundament van de presentie. En zeer geregeld hoor ik van zorgverleners dat zij deze`taal' herkennen en waarderen en als een remedie beschouwen tegen wat ze kennelijk ervaren als (toenemende) schraalheid, verdwijning, vervreemding.
De presentiebeoefening vindt weliswaar zijn grond in het buurtpastoraat, maar sinds het boek Een theorie van de presentie en de zeer talrijke lezingen daarover blijkt de presentie inspirerend voor vele duizenden binnen en buiten de kerk, omdat het klaarblijkelijk een naam geeft aan al hun eenzame gezwoeg, een ruggesteun – het blijkt, dat hun gelijk is verwoord, terwijl die enorme onderlaag van voortreffelijke werkers in gezondheidszorg en welzijn dacht alleen te staan, geen aanzien noch stem te hebben. Velen doen hun menslievende werk in het verborgene, vullen de werkstaten en formulieren in zoals het behoort, maar overtreden de regels: om het gezin in de puree, de vereenzaamde weduwe, de thuiswonende psychiatrische patiënt te kunnen geven wat zij werkelijk nodig hebben, met hart en ziel voor wie ze zich verantwoordelijk weten. Maar er is ook veel botheid, hardheid, domheid en onbeholpen schofterigheid, soms gecombineerd met futloze desinteresse. ‘Ik dien mijn tijd wel uit.’ Tegelijkertijd ontglipt me de overtuiging niet, dat we verder komen door contact te blijven met het beste dat erin zit, door virtuoze practici te beschrijven en ze als stimulerende voorbeelden naar voren te schuiven. Dat is in elk geval motiverender en aantrekkelijker dan het vermaan (hoewel de filosoof Margalit vindt dat we het goede niet hoeven te bevorderen maar het slechte dienen te bestrijden. Maar de inspiratie is krachtiger dan welke vorm of stijl van geweld ook).
[Afbeelding van schilderij Monica van Kleef, Vriendschap.]