Pagina's

dinsdag, oktober 31, 2006


Is dit ‘dicht bij mezelf blijven’, zoals ik opmerkte in ‘vriendschap I’? Waarom ik het dan (deels) waag over de ideeën van Aristoteles te schrijven, dat is omdat zijn analyse, zijn gedachtegang, mij raakt en inspireert. Het is een inzicht dat in zichzelf een waarde toont, een inzicht dat ik niet evenaren kan maar wel zie als ideaal. Het is (ook) zoals met sommige denkbeelden uit het geloof, dat je denkt, zo zou ik willen leven, maar hoe vaak botst het niet met hoe ik werkelijk leef. Het is misschien de kern van het ideaal: het is niet te verwezenlijken.

Vriendschap III

In de ethiek van Aristoteles wordt grote nadruk gelegd op de hoge waarde van vriendschap. Hij was een universele geest die de mensheid meer dan twee millennia geleden zijn belangrijkste, en onvergankelijke, traktaat schonk: de Ethica Nicomachea, dat eigenlijk een onderzoek is naar hoe de mens bereikt wat voor hem goed is om te bereiken en wat zijn leven tot ontplooiing brengt.
Volgens Aristoteles zijn menselijke betrekkingen gebaseerd op drie soorten vriendschap: op genot, op het nut of op het goede. Hij ziet vriendschap gericht op het goede als de meest hoogstaande vorm, wat niet wil zeggen dat betrekkingen die gebaseerd zijn op die twee andere gestalten, moreel laakbaar zijn of geen vriendschap genoemd kunnen worden.
Mensen wier onderlinge vriendschap is gebaseerd op nut, onderhouden deze band niet omdat men van elkaar houdt, maar omdat men er zeker is dat het in eigen voordeel zal zijn dat te doen. Men is niet zijn eigen vijand, maar doet wat men goed vindt voor zichzelf, en of men de ander nu sympathiek vindt of niet is van bijkomstige aard. Het zou mooi meegenomen zijn, maar het doet er niet werkelijk toe. Men gaat gewoonlijk ook niet vertrouwelijk met elkaar om. Het is vooral kenmerkend voor zakenlieden, maar het is evengoed typerend voor veel betrekkingen op het werk. Men kan zijn meerdere tenslotte beter ‘te vriend’ houden.
Wanneer vriendschap berust op genot, is het eigenlijk precies zo. Het is niet zozeer het karakter van de persoon waarvan men houdt, maar men wenst omgang omdat de ander geestig, mooi en sexy is, lekker kookt of een erudiet spreker is en men daar zelf plezier aan beleeft.
Als de reden van iemand te vriend willen houden niet meer opportuun is of als het niet langer aangenaam is in iemands buurt te toeven, houdt de vriendschap op – veelal zonder dat het als verlies ervaren wordt. Jongeren sluiten vlug vriendschap, maar kunnen die ook weer vlug als voorbij beschouwen omdat emoties en genoegens snel wisselen. Als volwassen geliefden in ruil voor genot geen genot maar nog slechts praktisch voordeel ontvangen, zal hun vriendschap verschralen, minder sterk zijn en ook minder duurzaam. “En mensen die alleen bevriend zijn omwille van nut gaan uiteen van het ogenblik af dat ze er geen voordeel meer van hebben: die hielden namelijk niet van elkaar maar van hun winst,” schrijft Aristoteles. Daarom komen deze twee gestalten evengoed voor tussen twee slechte mensen, of tussen een goed en een slecht mens. “Alleen goede mensen kunnen met elkaar bevriend zijn omwille van de persoon van de ander.”

[Aristoteles Ethica Nicomachea, vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Christine Pannier en Jan Verhaeghe, Historische uitgeverij, Groningen, 1999. De afbeelding: brons van David Schluss.]

Temidden van vrienden. Dat versterkt. De echtheid, de directheid, het niets verhullende, de betrokkenheid, het gezamenlijke plezier, de herkenning, de zacht­moe­digheid, een wederzijds brede belangstelling en aandacht, voor mij zijn het allemaal facetten van waarachtige, persoonlijke en niet onuitputtelijke aanwezigheid. Vriendschap verlegt grenzen, maar kent ook in zichzelf grenzen.

Vriendschap II

Vriendschap is een ‘warm’ begrip omdat het verbondenheid uitdrukt met een of meer anderen. Het is ook een onzeker begrip, omdat men niet altijd, niet automatisch, weet waarop die vriendschap is gebaseerd en of die betrouwbaar zal blijken. Is er vriendschap omwille van ‘wie ik ben’ of zal blijken dat de vriendschap reikt tot in hoeverre ‘ik bruikbaar ben’? Ook is over vriendschap niet te zeggen of ze stand zal houden of gaat vervelen, of ze bestand zal zijn tegen slechte tijden, beproevingen, verleidingen. Wederkerige vriendschap is onderhoudend of inspirerend, maar kan ook teleurstellen, herinneren aan verraad, ontgoocheling. Zelfs een knagende vriendschap is niet uitgesloten: zijn we wel vrienden in de zin waarin we denken dat we dat zijn?
Sommige vriendschappen wisselen als de getijden eb en vloed. Er is ruzie of iets dat moeilijk benoembaar is waardoor er tijdelijk afstand is, en toch, zoals er na eb de zekerheid is van het wassende water, worden de banden weer aangetrokken. Vriendschappen kunnen daardoor ook iets ondoorgrondelijks hebben en waarvan wel wordt gezegd ‘ze kunnen niet met en niet zonder elkaar’.
Kortstondige vriendschappen kunnen even oprecht en van wederzijdse betekenis zijn als duurzame vriendschappen, maar we verkiezen veelal deze laatste. Een langdurige, gevestigde vriendschap geeft ons als het ware een waarborg er nooit alléén voor te staan, altijd bij iemand terecht te kunnen en te kunnen rekenen op gezelschap. Vriendschap betekent met elkaar verkeren, bij elkaar in de smaak vallen, lief en leed delen, samen plezier maken, elkaar helpen. De ene vriendschap is hechter of vluchtiger dan de andere en niet elke vriendschap is gebaseerd op hetzelfde vertrekpunt.

[De volledige/oorspronkelijke tekst: Marius Nuy & Frans Brinkman, "De oase in een mensenleven. Een vertoog over vriendschap", Tijdschrift voor Sociale Interventie (2004). De afbeelding hierboven is een bronswerk van Joop van Nugteren.]

Vriendschap I

Hier zit ik, nota bene in het stadje van de wonderen, eenvoudig te genieten van een verrukkelijke kop cap­puc­cino. Het is ver in de namiddag, maar nog in een behaaglijke zon, op een woensdag in september.
In Crossing my soul moet ik bij mezelf blijven en niet openhartig schrijven over vrienden met wie we op va­kantie waren, maar ik zit daar (dus) in gezelschap van de vriendschap. Daarover wil ik het hebben, over vriend­schap, en misschien later eens over de pelgrims, de fluisterende devotie, de ontroering van Ora per no­vis, de menselijke hoop, de boetedoening, de overdaad aan kerkelijke pronkstukken want dat zijn allemaal opvallende facetten van het aanbeden leven in Lourdes. En ook zal ik nog eens terugkeren naar het boek dat Franz Werfel over Bernadette schreef. (Het boek als belofte. Hij was in 1940 op de vlucht voor het aan­rol­len­de Teutoonse geweld, hield zich schuil in Lourdes en beloofde over haar te schrijven als hij het zou over­leven.)


Het leven heeft alleen waarde
door de inhoud die het heeft – voor anderen. Mijn
leven, zonder waarde voor anderen,
is erger dan de dood.
(Dag Hammarskjöld)

In een van zijn boeken schrijft Aristoteles dat de wil tot vriendschap snel aanwezig is, maar vriendschap zelf niet. De wil drukt een fundamenteel menselijk verlangen uit naar verbondenheid, zonder nog dat we weten waarop dat verlangen is gericht. Is vriendschap het doel of zoeken we in vriendschap ook nog naar iets anders? Tevens moet iemand die vrienden wil maken een vriend kunnen zijn, het vertrouwen waard, oprecht, trouw, toegewijd, standvastig.
Rijk of arm, jong of oud en van welke etniciteit men ook is, zonder vrienden zijn zou niemand willen. Wat zou de welvaart van de rijke nog betekenen als deze hem niet de mogelijkheid zou bieden een ander gunsten te verlenen, diensten te bewijzen en daarvoor waardering te oogsten? Hoe zou hij zonder vrienden zijn voorspoed kunnen behouden? En verkeert men in armoede of ondervindt men grote tegenslag, dan worden vrienden beschouwd als de voornaamste toevlucht. En of men nu Hollander is, Australiër, Creool of Tanza­niaan, “wie reizen maakt”, zegt Aristoteles, “kan zien dat tussen alle mensen een natuurlijke affiniteit en vriendschap bestaat.”
Vriendschap tussen mensen en tussen volkeren is nodig omdat het de weg effent naar veiligheid en ont­plooiing. In vriendschap immers hebben we niets te vrezen. “In nood”, wordt wel gezegd, “leert men z’n ware vrienden kennen.” Wanneer de verlatenheid zeer ernstig is, bijvoorbeeld bij een thuisloze man of vrouw, lijkt een trouwe gedurige betrokkenheid stichten dan niet belangrijker dan het organiseren van een flatje? Aan steen kan men zich niet optrekken, aan een bondgenoot wel.
[Teneinde lange teksten te voorkomen, schrijf ik in afzonderlijke fragmenten over vriendschap.]

maandag, oktober 30, 2006


‘Hoe moet ik leven’? III
Ons innerlijk evenwicht is afhankelijk van hoe we ons leven beleven, hoe we ge­ïnspireerd worden door idea­len en door met wie we ons leven en werk delen, of we ons kun­nen ontplooien en daarin ge­waar­deerd worden, of onze gezond­heid geen roet in het eten gooit. Ik hoor in mezelf nog tal van andere condities: hoe je met tegenslag weet om te gaan, of je op tijd het roer weet om te gooien, of je zelf de stuurman wilt zijn of vindt dat je ta­me­lijk machteloos bent een en ander wat meer naar je hand te zet­ten. Weet ik te genieten? Ben ik standvastig genoeg? Ben ik flexibel genoeg, is mijn geest wendbaar? Betrokken op an­de­ren? Ben ik niet te lui, te log, te laks? Druk ik m’n snor? Leef ik bewust? Ben ik gewetensvol? Ben ik intelligent genoeg? Ben ik leergierig? Ben er ik bij met m’n ge­dach­ten? Ben ik te ver­­trou­wen? Laat ik de verbeelding spreken of ben ik ge­knecht aan re­gels? Ben ik voldoende kritisch en genuan­ceerd? Sta ik stevig op mijn benen? Kan ik tevreden zijn? Ben ik so­li­dair? Ben ik op­recht of is er veinzerij? Ben ik een toegewijde of een onvoor­zichtige ‘vogel’ of een die bij voorkeur baadt in het zonlicht? Word ik gevreesd of verwelkomd? Ziet men mijn hart of mijn pose? Ben ik een man uit één stuk?
De va­ri­a­ties bij al deze vragen en de invloeden ‘op de balans’ zijn tal­rijk en brengen ons als het ware in een landschap van sterk wisselende emoties en omstan­dig­heden, naar dromen en ver­langens, naar ambities, naar woes­tijnen en oases, naar ontroering en gebor­genheid, naar geschokt en los­ge­scheurd zijn. We zijn gelukkig niet tevoren geprogrammeerd – daarom is ook van het leven te houden, we zijn maar al te men­selijk.

‘Hoe moet ik leven’? II

De dag begint met vaste rituelen. Daarna volgen we intuïtief het programma dat we begonnen zijn. Wat we gaan doen, ligt redelijk vast, vaak ook in een strak tijdschema. Hoe we het doen, ligt in beginsel eveneens vast, in motivatie en ambitie, maar zeker ook in de verwachting van anderen en in concrete rol- of functieom­schrij­vin­gen, dat we het doen zoals we het be­horen te doen.
Het ‘wat’ en ‘hoe’ liggen dicht bijeen en heb­­ben vrijwel altijd betrek­king op ‘mij in een context’. Het is niet louter van mijzelf. Er is sprake van een (veelal contrac­tu­ele) ge­bon­den­heid voor langere tijd en die appelleert aan sta­bi­liteit en uithoudingsvermogen. We zijn gebonden aan de mo­raal. De impliciete regels zijn ‘be­trouw­baarheid’ en ‘inzet’. Het lijkt een hoge eis van aanpassing en concentratie, maar die wordt idealiter verlicht door de kennis die we hebben van wat ons te doen staat, door de mensen om ons heen, de facili­teiten die er zijn en meestal ook door een flinke dosis plezier. Het is een levensin­vul­ling die vaak in overeenstemming is met onze aard, talenten en ide­a­len en waarvoor we in principe geen van die eerder genoem­de duizenden boeken hoeven te raadplegen. Of we dat doen, is af­hankelijk van interesses, gevoeligheden, behoeften of no­den, en als we het doen, moet het ons dagritme zo min mo­ge­lijk verstoren.
‘Hoe moet ik leven’? I
Wereldwijd liggen er honderd­dui­zenden boeken op de plank over hoe gezondheid en geluk binnen ons bereik liggen, over de bouwstenen van een evenwichtige op­voe­ding en vorming, hoe we gewoonten kun­nen veranderen om te ervaren dat het ook anders kan, hoe de beleving van onze relatie met de ander bevrijd kan worden uit de benauwende sleur die er is ontstaan, hoe we ons geld kun­nen beheren opdat we niet van de wal in de sloot raken, hoe stress, angst en tegenslag is te vermij­den of te overwinnen, hoe we de derde levensfase overleven, hoe persoonlijk erva­ren lelijkheid is te cor­ri­geren of hoe we gezond kunnen flir­ten. Voor elk levensdomein ligt er in elke taal een klein of groot recep­tenboek, dat minstens de indruk wekt dat met de juiste instelling elke levensweg be­gaanbaar is, maakbaar zelfs. Alles dat we niet wensen of ons leven bemoeilijkt, hoeft niet zo te zijn.
Alles lijkt verhelpbaar. Als we over de wil beschikken, gemoti­veerd zijn, over kennis beschikken en over geld, lijkt er niets dat niet in het begeerde tegendeel kan worden omgezet. Een fors deel van televisieprogramma’s en tijdschriften is ingericht op het uit­ra­felen van levensdrama’s, het onderzoeken van emo­ties, het rea­li­seren van metamorfoses en het uiteenzetten van onvermoede mo­gelijkheden voor een gezonde en geluk­ki­ge levensstijl. De we­reld lijkt gefixeerd op optimisme, de schep­ping in eigen hand. De krant en het journaal zijn er voor de ‘andere kant’, voor de ont­to­ve­rende werkelijkheid. Veel van het andere dat de televisie toont, is er voor de illusie.

Wie weet wanneer de noodklok wordt geluid?
“Er is tegen u gezegd, dat u een normale levensverwachting heeft, maar dat is niet zo. Het is een systeemziekte hoor, en de kans op terugkeer van tumoren is 50%. Daarom zullen bloed en urine regelmatig worden gecontroleerd. Als zich in de urine plasmacellen bevinden, is het niet goed.”
“Weet ik met die 50% kans niet evenveel als u, als mensen die zich gezond wanen?”

Komt het geheid terug? Wie zal het zeggen. Hoe lang zal het duren, mijn toekomst? Hoe vaak zal ik bloed laten afnemen en de urine wegbrengen en opgelucht kunnen ademhalen?
Aan het begin van deze maand heb ik besloten af te zien van verdere controles. Het leek mij het verkieslijkst op te houden met de medicalisering die om me heen hangt. Bloed laten prikken, urine verzamelen, afspraak maken voor de uitslag: het bezorgde me telkens een onaan­gena­me onrust, soms stond ik plots aan de grond genageld. Ik wil niet als patiënt gezien of bejegend blijven worden, ik wil de balans in het dagelijks leven weer terug. Met de beperkingen van­wege mijn vastgeschroefde hoofd heb ik genoeg te stellen. Voor mij is het geen ‘kop in het zand steken’, maar een alleszins te billijken vorm van zelfzorg. Het maakte me in het begin van deze keuze wat onzeker. Doe ik er goed aan? Ja, wie kan zeker zijn van een nooit optredende kwaal of ziekte?
Seneca, een Romeins filosoof enkele jaren v. Chr.:

“Allen zijn wij even broos, niemand kan méér dan zijn naaste op de dag van morgen rekenen.”

zondag, oktober 29, 2006

Het is nacht, eind oktober, het regent

Bij het beeld van een vrouw die in het midden van haar reis door een verhaal in slaap is gevallen, bij het beeld van rust, van satijnen stilte, van slaap, van soberheid, is de schoonheid van het geheel alleen muisstil in je op te nemen. Het lijkt alsof het licht nog aan is, maar het licht is hier, behalve dat het een onmisbaar instrument was voor de schilder, een metafoor voor zachtheid en tevredenheid.

Het licht ook op het dagelijks terugkerende ritme van menselijke vermoeidheid, op de geheimzinnige toestand dat de mens, hoewel volop levend en in puike gezondheid, een aantal uren van de wereld lijkt, elke dag weer.
“Ik heb heerlijk geslapen.”
“Maar wat deed je eigenlijk dat je dat weet?”
“Ik was niet wakker. Ik voel me weer fit.”

[Schilderij van Carl Holsöe Danmark 1863-1935.]
De aarde in een rode gloed van toorn?
Weer een vrouw als God, niet de zoon maar de dochter van G? Of is zij een engelbewaarder? De lust, de gelatenheid, de onverschilligheid. Een zittende vrouw die haar kind koestert, links van haar de vage afbeelding van een huisdier. Recht boven haar twee bij elkaar slapende honden en links daarvan een man die doet wat hij wil. Helemaal rechts, naast de zwevende engel, zien we het lijden van de hartstocht, en helemaal links
een tweede engel. Boven de engelen wordt het licht.
Daar is een andere wereld.

Het is aan alle mensen waarachtig menselijk te zijn en de we­reld te behouden of te vernieti­gen. Maar natuurrampen en ziekten, daar is geen ‘menselijke hand’ in. Bidden tot God om genade, “Wij bidden u, verhoor ons”, geen enkele ramp of wreedheid is ermee voorkomen.
“Daar is God niet voor”, zei eens een priester. Dat blijkt, geen harder bewijs dan de werkelijkheid.
Because we are the cause of our environmental problems, we are the ones in control of them, and we can choose or not choose to stop causing them and start solving them. The fu­ture is up for grabs, lying in our own hands,” schrijft Jared Dia­mond, Collapse, How societies choose to fail or survive, p. 521.

‘Hoe te leven?’
Confucius, die leefde van 560 tot 480 voor onze jaartelling, raadpleegde Lao Tse, de schepper van het taoïsme. Alles wat deze grijsaard te zeggen had, was het volgende. “Werp alle ar­ro­­gantie en begerigheid van je af, werp de gewoonte te vleien en de overmatige ambitie van je af.”

Het laatste, tragische, ogenblik. Een prachtige foto, maar is het een verhaal van afscheid, van weemoed, van tristesse, van wanhoop, van een poging te redden?
Je kunt niet zeggen dat hier niets gebeurt. Een reddingspoging, lijkt me. Twee vrouwen die wanhopig reiken naar de armen van het ‘gestolen meisje’ maar het ziet er naar uit dat haar lot al is beslist. De vraag is waar het meiske zich bevindt; even denk je aan een haaienbek of een dakvenster in vreemd licht. Waarom kijkt de ene vrouw naar beneden, waarom is de ander bijna naakt? Ook hebben de vrouwen geen vaste grond onder de voeten, waardoor het hele tafereel eerder een me­tafoor is dan realiteit. Of is het een vaarwel zeggen als het meisje uit het bovenste raam van de nachttrein haar vriendin nog net iets kan toeroepen?
Van alles is de gedaante tijdelijk

Het is de gedachte aan de veranderlijkheid, aan de veranderbaarheid, aan de kortstondigheid, aan het voorbijgaan, aan een ander daglicht, aan de hoop, aan een ander leven, aan de dood en daarmee aan de wieg van een ander leven.
“De dood”, zei Michel de Montaigne, “is de wieg voor een ander leven. Ook bij de aanvang van dit leven hier huilden wij en viel het ons al even zwaar ons oude omhulsel af te leggen en dit nieuwe in te gaan.”

Nacht van de nacht: de wintertijd is ingegaan. Toch ben ik op de gebruikelijke tijd beneden. De zon schijnt, de kersenboom staat volop in het licht. Hij heeft vrijwel al haar blad nog, al is ongeveer de helft nu geel met hier en daar bruine randen. Ook bij de Catalpa’s is dat zo. Nog een paar weken en hun “grootste tooi rust op de grond, als een kledingstuk dat iemand laat vallen voor hij sterft. Wat een pracht, wat een laatste zang voor de wintersluimer”, zegt André Gide, de man die, naar hij zelf vaststelde, zich nooit wist te vestigen in het leven, altijd op één bil, alsof op de armleu­ning van een stoel, klaar om te vertrekken.

zaterdag, oktober 28, 2006


“De aarde is eigenlijk een prachtige glanzende stuiter die dof is geworden met wat schimmels en aangroeisels aan het op­per­vlak: Als God die stuiter weer eens in de hand nam, en die met zijn mouw eens flink oppoetste . . . en weer glanzend maakte . . .”
Een mooie gedachte over schoonheid, van Fran­çois Cheng
(Cinq méditations sur la beauté, Albin Michel, Parijs, 2006).
Een handvol dromen? Gewoon behaaglijke rust.
De vrede die gevierd wordt.

Wat het nadenken van mensen aan vermogens wekt, weten we niet. Het is afhankelijk van wie zij zijn, van de wil en van intenties en soms is er een verborgen agenda. Het kan er op gericht zijn onachterhaalbaar kwaad te stichten of een manier te be­denken hoe goedheid is te veinzen terwijl hoofdzakelijk de eigen zakken gevuld worden. Van nature zijn we niet deugdzaam, maar het wonderlijke is dat we het wel willen worden.

We zijn nooit alleen maar deugdzaam, dan zouden we leven op alleen de top van het goede, onszelf overschatten, verwaand zijn en de eigen middelmatigheid niet kennen. Zo legt Comte-Sponville het ook uit waar hij refereert aan de eeuwenoude inzichten van Aristoteles. “Iedere deugd is een top tussen twee ondeugden: bijvoorbeeld moed tussen lafheid en overmoed of zachtmoe­dig­heid tussen woede en apathie.” En nu we eenmaal niet uitsluitend op de top leven, is nadenken over de deugden de afstand meten die ons ervan scheidt. Nadenken over het vak is een nadenken over de werkzame krachten ervan en over mijn tekortkomingen. Die bespiegelingen op zichzelf wekken nog geen deugdzaamheid; we kunnen rijk zijn aan kennis maar arm aan toewijding. Nadenken over het vak van hulpverlenen is zinvol en onmisbaar, maar het goede is niet louter voor de bespiegeling, het is iets wat we moeten doen. In het concrete doen en laten blijkt pas de moraliteit.

[A. Comte-Sponville, Kleine verhandeling over de grote deugden, Atlas]
Wekt denken deugdzaamheid?

"Niets is zo mooi en terecht
als op de goede en behoorlijke manier
mens te zijn."
Dat is de deugd zelf.
Michel de Montaigne

Even was er de gedachte dat de titel een retorische vraag is, alsof het voor de hand zou liggen dat mensen nadenken om deugdzaamheid te verwerven of dat bij mensen vanuit een verba­zingwekkende diepte de behoefte leeft het goede te doen, alleen het goede. Het wereldwijde Live-8 concert in juli vorig jaar was als een schreeuw naar deze diepte, als een verlangen naar menselijkheid, een verlangen naar het einde van het schrapen uit een lege pot door men­sen die er alleen lijken te zijn voor de gewoonheid, voor het vuile werk, voor de onver­vulde verlangens, alsof het leven, zo het al geluk brengt, voor hen niet is bedoeld.
Live-8 was het wakker maken van het schrijnende onfatsoen in de mensheid, vanuit het besef dat veel van wat werkelijk nodig is, voor velen van deze wereld zo langdurig als mogelijk onbereikbaar wordt gehouden, tenzij het voor het kleine rijke deel, die haar broosheid niet kent, profijtelijk wordt het pad naar klein geluk wat te verbreden.
Ligt het in het vermogen van mensen af te zien van belangen? Ze – de ‘groten’ van de acht leidende naties - worden wereldleiders genoemd, maar voor leiders die in de illusie leven zelf en met hun achten de schepper te zijn van het bestaan, zal de zee van ellende die de wereld ons toont wel onbeheersbaar blijken. Of was dit het onvermijdelijke moment voor een gul gebaar? Zou dat moment en dat gebaar genoeg zijn?
[Ik kom zeker nog terug op de herinnering aan dit ontroerende evenement, als monument van solidariteit.]

‘Kom’, het paard wenkt me
en ik vertrouw erop dat hij een pad gaat
waarop ik hem volgen wil.

vrijdag, oktober 27, 2006


Strijd en aanbidding
De heilige Benedictus van Nursia (480-547), ook wel beschouwd als ‘de vader van het westers monnikendom’ – die op veertien­ja­rige leef­tijd de wereld had ver­zaakt en de rijkdommen en titels van zijn fa­mi­­lie had achterge­laten en jarenlang een streng kluize­naars­leven leidde in Subiaco - schreef omstreeks 540 op de Mon­te Cas­si­no - een steile berg bij Lazio, halverwege Rome en Na­pels waar hij een klooster had ge­sticht - de leefregel voor monni­ken. Daarin com­bi­neerde hij zijn eigen ervaringen en inzichten met die van zijn voorgangers, Augustinus, Cassianus, Basilius en Pachomius.
Hier in huis heb ik een fraai beeldje (22 cm) van deze heilige Benedictus in een zwarte pij met kapuchon, de rechter wijs­vinger voor de mond als symbool voor de grootst mogelijke stilte en in de lin­ker­hand een rood boek – het heilig woord, het Woord Gods. Langs­zij aan de rechtervoet een zwarte vogel die zo te zien iets vast­houdt tussen de snavel. Zou het een zwarte kraai zijn? Manguel verhaalt in zijn Geschie­denis van het lezen (p. 140) over de abso­luut ordelijke gang van zaken in het cisterciënzer mon­nikenleven en dat over­tre­­dingen van regels werden bestraft met geseling en iso­latie van mede-broeders. Iets van een kraai is dus niet ondenkbeeldig. Bertrand Russell (p. 266 in Joep Dohmen’s ‘Le­vens­kunst’) zei daarom ook dat een monnik niet gelukkig zal zijn voor­dat de routine van het klooster hem zijn eigen ziel heeft doen vergeten. Misschien ben ik teveel een zon­daar of een te gewone sterveling om te kunnen begrijpen of zoiets mogelijk is, hoewel ik begrijp dat voor een zaak die je belangrijk vindt het nodig kan zijn jezelf eens even te vergeten. Maar je ziel? Wie je bent in je hart? (Heeft het zoveel om het lijf dan, ‘ik’?)
Van de kerkvader Augustinus (354-430; diens Regel was de eerste kloosterregel in het Latijn en daarmee het fundament van westers kloosterleven – De regel van Augustinus verscheen in 2005 in een vertaling door Vincent Hunink en ingeleid door Kees Fens bij Atheneum-Polak & Van Gennep), maar goed, van Augustinus is bekend dat hier ook zijn grootste strijd lag, dat een hogere liefde de betovering door­breekt van de valse eigen­lief­de. Manguel verhaalt over hem (p. 60), dat “hij gekweld werd door besluiteloosheid, boos was om zijn zonden in het ver­leden en angstig eindelijk ter verantwoor­ding te zullen wor­den geroe­pen.” En op p. 74: “…God smekend hem te bevrijden van de kwel­lende verleidingen van fysiek ge­not.” (Want: wanneer twee mensen elkaar zelfs zonder woorden in de ogen kijken en signa­len van een onrein hart geven, wanneer zij seksueel genoegen scheppen in elkaars passie, zelfs zonder enig onkuis lichamelijk contact, dan is de reinheid al verdwenen – zo luidt regel 4 (Ge­drag) van Augustinus in de hiervoor vermelde uitgave, p. 37.) En nu net denk ik aan een passage van Jeroen Brouwers in zijn pas verschenen In het midden van de reis door mijn leven: "Beproeft alle dingen en behoudt het goede, om met Paulus te spreken, de apostel, een driftkikker zoals ik, die ook eerst als de bonte hond door het leven was gedenderd voordat hij opeens heilig werd."

Nietzsche zegt: "Het zijn de zinnelijkste mannen die voor vrouwen vluchten en hun lichaam moeten martelen.” Sprak hij over zichzelf?
Zonder lijden is geen enkel leven, ook niet voor hem of haar die na een levenslange worsteling mogelijk heilig wordt verklaard. Love hurts. “Uit de diepten, dus, naar het hoge. Het is als de hei­lige in spe, die weinig argumenten kan hebben om domweg ge­lukkig te zijn met zijn of haar ‘zoete Jezus’ of ‘lieve God’, maar die aan zijn lijden en beproevingen, aan de zware tocht zelf, ge­luk of geloof ontleent”, schrijft Marcel Möring in diens prachtige essay Lijdenslust (2006).
Opnieuw erover denkend hoe je je ziel kunt vergeten, schiet me het begrip ‘ontvankelijk’ te binnen, en om ontvankelijk te kunnen zijn moet je iets van jezelf even opzij zetten of loslaten. Je ziel vergeten is niet menselijk, of: een te gro­te eis aan mensen. Tegelijkertijd is het wel zo dat je soms zo volledig in iets kunt opgaan dat het lijkt alsof je zelf even bent verdwenen. Maar de kwintessens is denk ik, dat je je aanleert op te houden met ‘Ik wil, ik wil, ik’, dat pure egoïsme, die afgrijselijke zwakte. Er tegenover staat 'geven', en geven is ontvangen.

(Nee, het gaat niet over dit boek. Via een omweg wijs ik erop.)
Goud is goud, nooit iets anders dan dat. Maar liefde. Het is een on­stoffelijke, menselijke, betovering, er kan, naar Andries Baart, ‘een mens uit opstaan’. Zonder liefde kwijn je weg, al is van alleen liefde niet te leven. Je moet haar willen onderhou­den, jezelf wil­len inzetten, en toch, toch is ze niet altijd te be­houden in haar oor­spronkelijke gedaante. “Het is een zwaar beroep”, zegt Rogi Wieg. Het begint als een vuur, soms blijft het dat. Als het uit gaat, wil je het opnieuw aansteken en soms weet je niet hoe dat te doen. Het lijkt te gaan branden, maar na enkele dagen is het weer gedoofd. Uit welke beweegre­de­nen werd getracht het weer aan te steken?
Liefde is eigenlijk het allesomvattende thema van de wereld, van de mensheid, al lijkt uit de geschiedenis én de actualiteit af te lei­den dat de mensheid er niet veel mee op heeft of van wakker ligt. Terreur, wreedheid, moord, vernedering, mis­bruik, onderdruk­king, ontgoocheling, zomaar zeven be­grip­pen die me onmiddel­lijk te binnenschieten, al van mijn lippen vliegen voordat ze hier gedrukt staan, als tot me doordringt hoe we dagelijks getuige zijn van wat zich in de wereld afspeelt. Paus Bene­dic­tus XVI waarschuwde in zijn kerstrede van 2005 voor een “geestelijke dorheid”. De duizenden toehoorders, die een kou­de regen trotseerden, hoorden hem roe­pen dat de mens­heid in zichzelf zal sneuvelen, dat “mannen en vrouwen in onze technische eeuw slachtoffer dreigen te worden van hun eigen technologische successen en daardoor te eindigen in geestelijke dorheid en leegte in het hart”. “Word wakker, man­­nen en vrouwen van het derde millennium”, zei hij.

Laten we niet eeuwig slapen, zoals een zwerfsteen. Zou de kerkvorst Armesto hebben gelezen, of Susan Greenfield? De eerste zegt eigenlijk ook, ‘Lees je toch wakker’: “We weten niet eens wat ons tot mens maakt, wat het mensdom inhoudt, dus spreekt het voor zich dat we het niet merken als we het kwijt­raken.” De macht van de technologie loopt ons onder de voeten.

[Felipe Fernández-Armesto, Dus jij denkt dat je een mens bent?, Bert Bakker. Het is een fascinerend boek. F-Armesto beschrijft de langlopende discussies over ras, etniciteit en de origine van het menselijk ras en de overtuiging dat er een duidelijk verschil is tussen mensen en niet-mensen. (Herinnert u zich wat Poetin in het voorjaar opmerkte over de Tsjetjenen? Mensen “in de ge­daante van beesten”. Alsof we nog in de Middeleeuwen le­ven, waarin de mensheid een klasse was waarin je kon wor­den toegelaten of uit kon worden verwijderd. Dat is het lot van de tegenwoordige Tsje­tjenen: te bezwijken onder het mo­reel on­verschillige, bar­baarse, handelen van de Russen. En is in de Ame­rikaanse en Europese ideo­lo­gie het woord ‘beest’ niet ver­vangen door ‘terrorist’, een Unte­r­mensch? Terroristen ver­dienen het uit­geroeid te worden. Het is een haast algemeen aanvaard stand­punt.) Wat betekent het precies om mens te zijn? Kunnen we nog geloven menselijk te zijn?]

Een duif als kwetsbare profeet

In het hart en tegelijk het dieptepunt
van de menselijke overmoed vliegt een jonge duif in noordwestelijke richting,

zonder enige precisie, ergens zal het zijn veren laten als afdruk op een overmachtig raam van de dood, het schoonste dat zijn vlucht hem lokte;

het raadsel van de tragiek:
ook al ligt voor de verrijzenis de dood,
niemand weet of hier de vrede wordt beloofd.

Een dagboek als het landschap van een leven
Soms woedt er een innerlijke ‘oorlog’


Bij niet één schrijver rolt het boek, van welk genre ook, zomaar uit de pen of is er sprake van een niet te stuiten of door iets anders te onderbreken stroom van gedachten waardoor het werk in een kort bestek van tijd naar voldoening tot stand komt. Er is zelfs tot op het laatst een strijd met gedachten of invallen die al dan niet in lijn zijn met wat er reeds staat, of dat wat er staat niet rigoureus in de war kan schoppen, of een wending geeft aan het vaag tot scherper in beeld komende vervolg en waardoor eerdere passages hun aanvankelijke samenhang dreigen te verliezen en herschreven dienen te worden. Schrappen, schaven, polijsten – en dat al het liefst met de pen zodat het nog het meest bewerkbaar blijft. De tekstverwerker geeft met zijn ogenschijnlijk perfecte opmaak vaak vooral de suggestie dat wat er staat reeds goed is, al in onfeilbare staat verkeert.

Op de rode planeet Mars van de website van mijn broer staan vier beschrijvingen over de roman Hokwerda’s kind (2002). Lin is haar vaders oogappel, maar hij, een Fries, is een onbehouwen en onbetrouwbare autohandelaar. Een wrede sjacheraar. Toen ze tien was, scheidden haar ouders en vertrok zij naar Amsterdam. Een klein decennium later kruist de ondoorgrondelijke liefde haar weg, Marcus, Henri, Jelmer – maar over niets blijkt meer gelogen dan over de liefde.
Het boek wordt alom geprezen, een sprankelend meesterwerk, un livre sensationnel. Maar hoe is het ontstaan en wat doet zich voor in die innerlijke oorlog, hoe zijn al die stormen te bedwingen – hoe krijgt de meester het in de hand? Dát nu wordt in dit intieme boek, kortweg maar even ‘de heilbot’ genoemd, in een strijd van twijfel en zekerheid, uit de doeken gedaan, as a poet who shoud built us his work – want uiteindelijk ontstaat er iets zoals je dat tevoren niet had voorzien. Hokwerda’s kind, op zeker moment ook wel even getypeerd als ‘de geschiedenis van een moord’, is geboren uit "Rubberen roos", een kort verhaal voor het Z-magazine, de (nog steeds bestaande) Amsterdamse daklozenkrant.
Het dagboek 1997-2002 van Oek de Jong is een selectie uit de vele aantekeningen omtrent de geschiedenis van een geboorte, Hokwerda’s kind. De invallen, de vorderingen, de frustraties, de melancholie, de visioenen, de vuistregels van het schrijven, het lezen van Russische meesters aan wier werk wellicht de eigen schepping te scherpen zou zijn, zoals met name dat van Tolstoj en Tjechov, maar ook Dante, Flaubert, Baudelaire, Nietzsche, Greene, Stendhal en Kawabata. Het is tegelijkertijd een waar dagboek, een dagboek als een landschap van zijn leven waarin het ook gaat over zijn fascinaties voor de schilderkunst en de muziek, over zijn redacteurschap van de Revisor, over de obsceniteit van de media, over Tilly en de Meulenhoff-affaire over het leven en de sobere vrijmoedigheid tussen hem en Jeanne, zijn geliefde – zodat het hele proces van het schrijven van een roman, hetgeen hij na Opwaaiende zomerjurken en het ruim twintig jaar geleden verschenen Cirkels in het gras bijna verleerd leek, ergens op rust en vandaan komt, het alledaagse leven - een leven van luiheid, van stilstand, van obsessie, de kwelling van de stagnatie en dan weer werken als een locomotief, de euforie, van reizen en liefhebben. Zo ontstond van deze in zichzelf gekeerde man, deze veellezer, kunstminnaar, hardloper, zeiler en reiziger een nieuw boek, de wonderen van de heilbot.
De nog altijd moeilijk te doorgronden menselijke geest voert sinds mensenheugenis oorlogen, beraamt snode plan­nen, con­cen­treert zich op ijdelheden en trekt vreemde, dat wil zeggen uiteen­lopende en onbe­grij­pelijk vernietigende sporen in het leven. Hij worstelt met belangen, onderwerpt zich uit vrees en egoïsme, strijdt tegen de tirannie, maar wijdt zich ook aan de vereniging, aan de barmhartigheid, aan de liefde, aan kunst en nijverheid.
Eeuwen en eeuwen later, als de grootste wijsgeren uit het Ou­de Griekenland hun erfenis, waar wij nog dage­lijks uit putten, al lang in bewaring hebben weten te stellen, laat deze God een middelaar geboren worden. Het is Jezus. Een zoon van God, maar een mens onder de mensen.
Victor Hugo riep uit: Hij bestaat. Hij bestaat. Hij bestaat uit alle macht. “Wat schiet ik ermee op”, zegt André Gide, “als ik niet weet welke Hij bestaat?”

Is, of was, God een man? Daar kan men emotioneel blijkbaar geen afstand van doen. “De Heer is een gesneden beeld ge­wor­den”, zegt Manuela Kalsky, “terwijl elk beeld tekortschiet God te omschrijven – misschien zoals Paul Tillich deed, ‘God is de grond van ons bestaan’.” In HP/De Tijd deze zomer las ik een korte dialoog tussen Sandra Warmer­dam en Lida van de Water.
Sandra: “De Godin. Ze is de aarde en het universum. Ik zie de Godin in jou en in mezelf.”
Lida: “Vroeger, ver voor de Grieken en Romeinen, be­schouw­den mensen het vrouwelijke als dat wat leven geeft, als de schepping, de oorsprong. Later werd God de toornige god uit het Oude Testament, met een paus als afgezant die zegt hoe het moet. Die God is dood.”
Sandra: “Een stervende man aan een kruis spreekt toch niet meer aan? Dan is een levenverwekkende vrouw als Godin veel inspirerender.”

Zachtmoedigheid overwint de eenzaamheid

Wat is de kern van de boodschap ‘ik heb er mijn oordeel over’? Is dan elk praten, elke uitleg niet meteen overbodig? Bestaat het ‘eigen oordeel’ alleen uit wat ik zelf denk, afgaande op ervaring, waarneming, intuïtie? Als dat de kern ervan is, of het eigene, dan kunnen we stil, als het ware sprakeloos, door het leven gaan. Er is in elk geval geen discussie, geen strijd, geen kans op wederzijds begrip, op verandering. Het in die zin starre oordeel, streng, hard en gesloten, maakt de mens over wiens lippen het komt onbereikbaar en zet de ander op afstand. De koude eenzaamheid is niet uit de lucht, maar heerst en kan leiden tot een vlucht.
Het wonderlijke is, dat een aanvankelijk bedacht en beleefd oordeel veranderen kan wanneer we de zienswijze van de ander er in willen betrekken, tenzij die ander geen sterke argumenten heeft, geen uitleg die overtuigend is, geen respect toont en er op uit is zijn gelijk te halen. Dan is er de situatie van twee kemphanen. Het ‘oordeel’ kan onwankelbaar blijken, zeker als het gebonden is aan levensbeschouwelijke principes, maar het kan ook kantelen: open blijken voor nuanceringen en toegankelijk voor een compromis. Het keert zich naar de ander, uit de wil en de moed, het verlangen en de betrokkenheid, door wat het ‘eigen oordeel’ leek te verbinden aan de visie van de ander: voor mij is dat de weg bereiden naar mildheid, naar saamhorigheid, naar liefde.

[Wie zachtmoedigheid associeert met ‘soft gedoe’, kan zich afvragen wat het tegenover­gestelde van zachtmoedigheid dan betekent en bewerkstelligt. Is dat niet ‘de oorlog’, wreedheid, ruwheid, verhard zijn. En zijn agressiviteit en woede niet vaak vooral een zwakheid? Zachtmoedigheid is een kracht, en ligt dicht in de buurt van liefde. Cesare Pavese schrijft in Leven als ambacht: “Je zult bemind worden op de dag dat je je zwakheid zult kunnen tonen zonder dat de ander daarvan gebruik maakt om zijn macht te benadrukken.”]
Ebbenhout 2

Ryszard Kapuscinski is een fenomenaal geheugen-schrijver, zo duid ik hem allereerst omdat zijn boek, dat behalve boeiende observaties bevat, een schatkist is vol gedetailleerde bijzonderheden, zonder ook maar een enkele bronvermelding en zonder ook maar ooit de gedachte op te wekken dat hij er zelf van alles heeft bij verzonnen. Hij is de authentieke bron, de bron van verbijsterende realiteiten en die is hij geworden omdat hij zich, als een van de weinigen, con­se­quent distantieerde van de exclusieve enclaves voor jour­na­listen uit het westen, intuïtief wetend dat je dan hooguit de illusie kon koesteren of kon voorwenden ook maar iets van de Afrikanen te snappen.
Geen bronvermeldingen dus. Maar behalve reizen en naden­ken en haarfijn schrijven, moet hij ontzaglijk veel gelezen heb­ben. Hij noemt zo terloops ook wel een paar namen, bij­voorbeeld E. Evans-Pritchard’s monografie over de Nuer, M. Gluckman over de Zoeloes en G.T. Basden over de Ibo. “Dat waren tenminste mensen, grote antropologen, die begrepen dat er geen ‘Afrikaanse cultuur’ bestaat, maar dat de essentie van Afrika de verscheidenheid is.” Maar, zo betoogt hij ver­der­op, in het huidige Europa, met zijn neiging tot rationele re­ductie en tot etiketteren, propt men alles wat Afrikaans is het liefst in één hokje en volstaat men met gemakkelijke ste­reotypen. “Daarom bleef ik weg van die veilige en luxueuze wijken voor reporters. Ik wilde steevast leven in een Afri­kaanse stad, aan een Afrikaanse straat, in een Afrikaans huis, ook al beschouwde men iemand met zulke ideeën als volko­men getikt, als vragen om rampspoed, moeilijkheden van al­ler­lei aard tot moord aan toe.” En het heeft hem ook ellende gebracht, malaria en hallucinaties, en voor beproevingen ge­steld waar collega’s zich voor afsloten, voor behoedden en geen flauw benul van hebben, - maar evengoed denken Afrika ‘te hebben leren kennen’. Maar goed, ik hield dit vol, ondanks de plunderingen van de kamers waar ik ‘woonde’, ondanks al­le andere kwellende onzekerheden en angsten, ik doorstond ze en leerde ook inzien dat diefstal zien als vernedering en be­drog een soort psychische luxe is. Ik meed dus opzettelijk de paleizen, de prominenten en dus alle opschepperij. Ik wilde met vrachtwagens meerijden, met nomaden door de woestijn trekken en bij boeren logeren in de tropische savanne.”
Afrika is zo’n gevarieerde kosmos, dat Ebbenhout eigenlijk onmogelijk is samen te vatten. Kapuscinski zegt ook dat het geen boek is over Afrika, “maar over een aantal mensen daar”, en de tijd die hij, dan hier dan daar, met hen door­bracht. Zijn observaties zijn ware ambachtelijke composities, hij schrijft vasthoudend, gegrepen, trefzeker.

[Journalist en wereldreiziger uit Polen; hij deed zijn werk onder moeilijke en vaak behoeftige omstandigheden want zijn Poolse opdrachtgever, het persagentschap PAP, betaalde hem een uiterst schraal honorarium. Het stemde hem wel eens jaloers naar colle­ga’s maar hij bezweek niet voor de verleiding, zeker wetend dan zijn ziel verkocht te hebben aan de waan van de dag, geplooid in onbenul, in dikdoenerij, in minachting en nihilisme. Nee, hij hield zich onaf­han­kelijk, aan een persoonlijke en professionele ge­drags­code om onbelemmerd en ongemani­pu­leerd te reflecteren over alle mogelijke informatie en invallen – met een grote passie voor het Afrikaanse continent. Kapuscinski studeerde ge­schie­de­nis in Warschau, is van 1932, en kreeg talloze oeuvreprijzen en eredoctoraten. Andere boeken zijn: Reizen met Herodotos, Lapidarium en Imperium.]

Ebbenhout 1

Voor mij is “Ebbenhout” een indrukwekkend en inspirerend boek van Ryszard Kapu­scinski, die ook wel de chro­ni­queur van het alledaagse Afrika wordt genoemd. Hij beschrijft daarin onder meer hoe de koloniale pe­ne­tratie, welke zich sinds de 15de eeuw gedurig uitbreidde en duurde tot in de tweede helft van de 20ste eeuw, de meest pijnlijke sporen ach­terliet in het ge­heu­gen en bewustzijn van de Afri­kaan, en “een diep in het hart geënt besef van onrecht.” De auteur herinnert ons vooral aan het schandaligste, wreedste, tijdperk: de meer dan drie­hon­derd jaar du­rende handel in Afri­kaanse slaven. “Driehonderd jaar met razzia’s, ontvoeringen, achtervol­gin­gen en hinder­la­­gen, georganiseerd door de blanken. Mil­joe­nen jonge Afri­kanen werden – onder ellendige om­stan­dig­heden, sa­mengepropt op schepen – gedeporteerd, ze staken de oce­aan over, om daar in het zweet des aanschijn de rijk­dom en macht van de Nieuwe Wereld op te bou­wen.”

De morele vraag die hier voor mij uit oprees, is of me­de in het licht van dit ogenschijnlijk ver­geten historisch per­spectief het niet volkomen legitiem is, aanvaardbaar, min­stens hoogst be­grijpelijk, dat zoveel Afrikanen uit al­ler­lei lan­den daar hier in het Westen op zogenaamd eco­­nomi­sche gron­den asiel aanvragen. Maar dat motief, zodra het helder is, wordt ongeldig ge­noemd. Velen zijn, zoals wijzelf, op door­reis, zij, terecht hopend op betere voor­­uitzichten, wor­den zonder genade teruggestuurd. “Dat zijn ge­lukzoekers.” Ze komen in de hoop hier te over­leven, in de hoop dat het hier beter is – en daarin heb­ben ze gelijk, het is hier beter, on­ein­dig veel beter dan waar ze vandaan komen, wat ze hoopvol achter zich lie­ten – maar al die verwachtingen blijken te hoog ge­span­nen. No second life. Er lijkt nergens plaats eindelijk eens een nieuw hoofd­stuk aan hun leven te kunnen toevoegen. Hen wei­ge­ren en terugsturen, na eerst een hele poos in een ‘ver­wij­dercentrum’ – een van de lelijkste en in­humane be­grippen die er be­dacht zijn, ik associeerde het altijd met een soort slacht­huis – de nodige for­mu­lieren te hebben afgewacht is, om met Louis Ferron te spreken, “als een worm in de appel van hun ver­driet”. Ik be­sef hoe mateloos in­ge­wikkeld dit is en zon­der nu te stellen dat een mens, wie dan ook, recht heeft op ge­luk, maar wat en wie zijn wij dan? Gelukzoekers.
Maar een recht op zo­iets ba­saals als rechtvaardigheid, eerlijke ver­deling, dat is er voor iedereen. Het is een recht op eerherstel voor al deze mensen die levenslang de verliezende rol lijken te moeten vervullen, hoewel Ryszard al op de eerste pagina schrijft dat “zij on­danks de vele ontberingen hun leven dragen met verba­zing­wekkende volharding en optimisme”.
Al denkt een groot deel van de mensheid er anders over – langs grote delen van de grens met Mexico komt over een lengte van ruim 1100 km een metershoog hekwerk om de geluksmigratie tegen te gaan (om maar een actueel voorbeeld te noemen van bedenkelijk protectionisme) -, ik ben ervan overtuigd dat er anders over hen geoordeeld zou kunnen worden als men zich ook maar even zou verdiepen in de geschiedenis van het Afri­kaanse continent.
“Maar dat is nu juist het punt”, schrijft Ryszard. Afrika heeft geen geschiedenis. Er zijn nergens documenten van, niets staat op papier, er is geen archief. “Afgezien van het islami­tische noorden heeft Afrika nooit een schrift gekend, de ge­schiedenis was altijd mondelinge overlevering, de legende die van mond tot mond ging, de collectieve mythe die men zon­der het te weten samen onder de mangoboom schiep, in het diepe avondlijke donker waarin alleen de trillende stemmen van de oudsten waren te horen, omdat vrouwen en kinderen aandachtig luisterden en zwegen.”

donderdag, oktober 26, 2006


“Ook al omhels je de dood niet, je schudt hem toch minstens eens per maand de hand. Zo kun je bovendien hopen dat hij je nog eens zal verrassen zonder waarschuwing vooraf; dat je, in het ver­trouwen dat alles nog bij het oude is – want je stond al zo vaak aan de haven – op een ochtend met je vertrouwen en al over de wa­teren des doods bent gezet” (Michel de Montaigne).

[Gelezen op p. 151, “Over de ervaring”, in het boek van Joep Dohmen (2002), Over levenskunst. De grote filosofen over het goede leven, Ambo. Montainge, Frans filosoof te Toulouse (1533-1592); hij was ruim vijftien jaar ver­bonden aan het ge­rechtshof in Bordeaux, van welke stad hij ook enkele jaren bur­germeester was. Als filosoof meende hij aanvan­kelijk zich vooral met de dood te moeten bezighouden om niet on­voorbereid te staan en ook het lot in eigen hand te kunnen ne­men. Hij distan­tieerde zich hiervan want om het leven niet te be­derven is het beter je voor­al niet teveel met einde ervan bezig te houden. Mon­taigne was een man met een typisch humanistische geest, welke zich in zijn essays uit in een bemoeienis met het ge­wone dage­lijk­se leven. Blaise Pascal, dertig jaar later geboren, vond eveneens dat de mens niet teveel over zichzelf moest na­denken, maar daarvan afgeleid diende te worden, bijvoorbeeld door een of andere aangename passie, kortom, door wat men ver­strooiing noemt (zie Dohmen, p. 171). “Zonder afleiding is er geen vreugde en met afleiding geen verdriet.”]
De afbeelding hierboven betreft een schilderij van Lammert Boerma. Het citaat van Montaigne is geen uitdrukking van somberheid, maar is precies wat elke mens hoopt, op een ochtend ongemerkt met je vertrouwen en al over de wateren te zijn gezet - al is er ook op te merken dat dit iets zegt over onze vrees voor het lijden.

De alleenspraak van Baart IV
De kunst van het aansluiten


Modern management heeft het niet gemakkelijk. Presen­tiebeoefenaren merken telkens weer op, dat werkers ge­makkelijk afgesneden raken van wezenlijke ervaringen, onmis­bare verhalen en vormende verwarringen. Op dat punt leren we in de presentiebeweging het nodige van Geert van der Laan, van Hans Kröber en Annemiek Stoppelaar en van Mintz­berg. Deze laatste veegt de vloer aan met de idee van general management. Wat er nodig is, zegt hij, is een geënga­geer­de en betrokken mana­gementstijl, zorgmanagers die aandacht hebben voor zorgverle­ners, de patiënten en de primaire zorg­processen. Zij kennen ze door en door maar kunnen er op re­flecteren als betrokken bui­tenstaanders. Het vurige pleidooi van de presentie om nauwgezet en trouw aan te sluiten bij het geleefde leven, het alledaagse, de plekken waar mensen wo­nen, de taal die ze spreken en vooral bij het verlangen dat hen gaande houdt, zal in z’n uitwerking dan een remedie zijn te­gen mismatches. Want dat is het professionele probleem van de mislukte aansluiting, van het falende bereik: soms is dat een financiële of methodische kwestie, maar veel va­ker ligt het ingewikkelder. Dan is er in principe weinig mis met de methodiek zelf, maar des te meer met de cultuur, de werelden waarin de zorggever en de zorgontvanger verkeren en het perspectief dat zij op het goede leven, op normaliteit en het ethos hebben. In feite wortelt dit soort mismatch in enerzijds afstand tot de leefwereld van de hulpzoekenden en anderzijds in het niet se­rieus nemen van de redelijkheid van de eigen perspectieven daarvan.
Ik ken een filosoof die zijn ervaringen als maatje van een chro­­nisch psychiatrische patiënt beschrijft met wie hij gere­geld een middag optrekt. Op de terugkombijeenkomsten is het telkens weer een kwestie: hoeveel moet je weten van de ziekte­geschie­denis of het ziektebeeld van de patiënt? Daarom worden er verha­len verteld over schizofrenie, depressiviteit en manies, maar de ethicus heeft daar geen behoefte aan, en ik geef hem groot gelijk. De ander laat wel zien wie hij is, wat hem pleziert of overstuur maakt; daar hoef ik geen boekje voor te lezen of bronnen buiten hem voor te raadplegen. En het maat­je moet leren daar passend op te reageren door grenzen te stellen, het te verduren of door na­vraag te doen. Je moet niet aan de leiband lopen van de psycho­pathologie, dan word je een soort pseudo-hulpverlener in plaats van een maatje. We moeten (juist) voorkomen dat nieuwe impul­sen weer inge­kap­seld raken in traditionele modellen, zoals op veel plekken bin­nen psychiatrische ziekenhuizen met de rehabi­litatie is ge­beurd, toch een emancipatiebeweging van belang. Jean Pierre Wilken en ik zijn daar druk mee doende, in de zin dat we na­gaan hoe de presentietheorie een vernieuwing en verdieping kan zijn voor de psychosociale rehabilitatie. Een vernieuwing omdat de rehabilitatie ongewild heeft ingeboet aan vernieu­wings­kracht en verdieping omdat de presentie met name op het in de rehabilitatie zo belangrijke betrekkingsniveau een theo­retische onderbouwing levert.
Zowel de rehabilitatie- als de presentiebeweging moeten prin­ci­­pieel blijven en de praktijk vanuit de eigen basisprincipes kri­­tisch blijven beoordelen en vervolgens krachtig reageren als de prak­tijk weinig meer te maken heeft met wat de ‘tegen­be­wegingen’ bedoelden. Steeds opnieuw de vraag stellen: wat is presentie wel en wat is het niet? De presentiebe­nade­ring kan een belangrijke bijdrage leveren aan de vernieuwing van al­lerlei beroeps­velden, zonder de suggestie te wekken dat ze een vervanging moet wor­den van bestaande praktijken. Een be­lang­rijke waarde van de pre­sentiebenadering is, dát zal inmid­dels duidelijk zijn, de aandacht die deze vestigt op de kwaliteit van de intermenselijke relaties, en dat zij mensen, ieder bin­nen hun eigen context, aan het denken houdt over hun eigen han­delen. Dat uiteindelijk kan en zal leiden tot vernieuwing van het handelen zelf.

Deze Alleenspraak (MN) is een samenvatting van de publicatie Tweespraak (AB), door mij hier bezorgd onder het motto: ‘De regel die gebroken wordt, is levendig
.’

De alleenspraak van Baart III
De inspiratie


Het probleem zit onder meer in de aard van pro­fessio­na­liteit van moderne zorggevers zoals ze aan de meeste op­­leidingen wordt aangeleerd. Er bestaat een hausse aan so­ciaaltechnische methodieken, interventiemodellen, stap­pen­plannen et cetera – als­of studenten wordt geleerd in­genieur te worden die straks overal aan het repareren slaat, die harde kennis benut en vertrouwt op het kompas van vakregels. Maar de sociale werkelijkheid is veel weerbarstiger en wis­pel­turiger dan in methodieken gevangen kan worden. Een me­thodische benadering is goed, maar tegelijkertijd gaat het om morele afwegingen, om emotionele betrokkenheid en aan­spreekbaarheid, en dus ligt er een sterk accent op het ver­mo­gen telkens te reflecteren op de ervaringen hier en nu want die spelen de grootste rol (practice based!). Het zijn ook geen hulp­verleningscontacten, maar zorgrelaties, daarin gebeurt wat er gebeuren kan. Het gaat dus om een professionaliteit die bijzon­dere eisen stelt aan een opleiding, vrijwel haaks op wat nu de realiteit is. En wat heel typisch is, dat is dat de door­gaans met hartstochtelijke motivatie binnengekomen student binnen de kortste keren in de schaduw daarvan te­rechtkomt: ze krijgen in­structies en modellen om handige methodiektoepassers te worden in plaats van vorming en te leren voelen en inzien hoe zich, van­uit die hartstocht die er op duidt ‘iets’ voor mensen te willen bete­kenen, persoonlijk te verhouden tot onrecht, chaos of onop­losbaar leed. Het ‘per­soonlijke’ staat niet tegenover professio­naliteit maar is, dient, daarin geïntegreerd te zijn, zoniet, dan blijf je zelf altijd buiten schot, dan sta je ongevoelig erboven, op ge­paste maar koude afstand. De Hongaar Imre Ker­tész raakt de kern van waar het in alle hulpverlening op aan­komt. Hij iden­ti­fi­ceert zich uiter­aard met diens literaire au­teur­schap (en niet met hulp­verle­ners), maar de es­sentie van de boodschap wordt er niet min­der helder van. “Als het je levensdoel is”, schrijft hij en zijn werk ge­tuigt ervan, “de con­di­tion hu­maine te be­schrij­ven, moet je ook je hart openen voor de mateloze ellende die in de­ze con­dition besloten ligt.” Presentie is dus een manier van zijn en doen, die slechts verwezenlijkt kan worden met gevoel voor subtiliteit, vakmanschap, met praktische wijsheid en lief­de­vol­le trouw, en niet louter competenties. Het vereist dus een ze­ke­re maturiteit, rijping, moed om onbegaande wegen te gaan, om het uit te hou­den waar menigeen de benen neemt, maar ook om je mond open te doen als dat nodig is en soms ris­kant. Dat bedoelde Foucault met ‘parrèsia’: een vrijmoe­dig­heid van spreken omwille van de waarheid. Dan blijft het mo­gelijk te kijken met de ogen van wie aangewezen is op zorg. En opnieuw, dat staat voortdurend onder hoogspanning. In de huidige fusiegolven, het samenvoegen tot ontzagwekkende eenheden van zorgverstrekkers, steeds onder een Latijnse naam die efficiënter heten te functioneren met een nieuwer­wets jargon en gevolgd worden door zogenaamde ‘ba­lance card systemen’: daar zie je vrouwen sneuvelen die voor­tref­fe­lijke zorg leverden maar wier plekken worden ingenomen door full blown managers en zijzelf ruimen het veld, opge­brand, niet ‘van deze tijd’. Hetzelfde zie je bij al die bestuurs­organisa­ties. Waar eerst een ambtenaar zat die je werksoort door en door kende, is het nu een komen en gaan van amb­te­naren en uiteinde­lijk weet niemand meer van toeten en bla­zen. Er wordt onophou­delijk gereshuffeld, volgt er weer een nieu­we generatie van for­mu­lieren en taskforces of een pro­duc­tenboek op grond waarvan je wordt afgerekend. Zo houd je de identiteit van het werk niet over­eind. Hetzelfde zie je ten aanzien van cliënten; een diagnose is niet meer de recon­struc­tie van het eigen verhaal, maar eerder van het schudden en tril­len van een onpersoonlijk sorteerapparaat, van tests en an­de­re rekenuitkomsten. Het is allemaal al gepro­grammeerd. Het verhaal van de cliënt wordt volkomen secundair en dus gaat het om kansrijke contacten, tenminste als je nog kunt worden gerekend tot de bij elk loket behorende categorieën of ziektebeelden. Zo kunnen mensen onmogelijk nog worden ge­kend en wordt er leed toegevoegd. Institutioneel geweld, dat is het, ingebakken in de regels van het spel. En er zijn wei­nig werkers die zich van de onredelijke aspecten daarvan kun­nen distantiëren, hoogstens valt nog de opmerking: ‘sorry me­vrouw, zo zijn de regels nu eenmaal.’ In hun hart stemmen ze er mis­schien niet mee in, maar het lijkt wel of ze voortdurend in ge­sprek zijn met de targets van hun baas, de voorwaarden, de verplicht gestelde methodiek et cetera, en dus gaat de hard­­heid meedogenloos door, en dus voelen cliënten zich in de steek gelaten, niet gehoord, vernederd en verlaten.
De presentiebeoefenaar spant zich in dat leven te leren te kennen, erbij aan te sluiten en met wat eruit opborrelt (veelal pijn, verla­ting, verwaarlozing, zoals uit ons onderzoek blijkt) aan de slag te gaan zoals dat daar op dat moment, met dat kind of met die me­neer of mevrouw, in die situatie kan. Im­pro­viseren, kunnen rea­geren op wat zich aandient, kunnen wer­ken met wat voorhanden is, precies daar waar je met hart, hand en hoofd moet zijn. Maar wat zien we, wat blijkt uit on­derzoek? De dokter wenst zich niet in te spannen om begrij­pelijk te zijn en ratelt maar door, de ad­vocaat praat conse­quent tegen een ander dan tegen de Marok­kaanse mevrouw die bij hem kwam om hulp en raad, de op­bouw­werker is niet van plan zijn bijbehorend taaltje eens los te laten en ook de GGz tolt maar rond in een labyrint van termen: signalering, aanmelding, screening, specialistische diagnostiek, traject­ont­wikkeling et cetera. Je wilde hulp, maar de toegang is vrijwel onmogelijk: de helper ligt achter een berg van jargon en re­stricties en gewichtigheden. Iedereen schuldig, niemand ver­antwoordelijk. Het is het absentïsme van het werk. Wie zwak staan, lijden er het meeste onder.
De presentie in de oppositie: het is een gelovige praxis, lijn­recht tegenover de treurige praxis die ik net schetste. Onder de pre­sen­tie liggen uitgesproken opvattingen over menselijke wa­ardigheid, over gemeenschappelijkheid, over lijden en het kwaad, over het menselijke verlangen, over het geschonken karakter van de wer­ke­lijkheid, over de kostbaarheid van het leven en de bescherm­waardigheid van het zwakke. De pre­sen­tie steunt ook op tal van analyses: van onze samenleving, van instituties, van de orde van het bestaan of van de deugden die humaniteit bevorderen. Daarin ligt bijvoorbeeld ook de op­roep om oog te hebben voor de zwak­sten en de vreemdeling, om rechtvaardig en barmhartig te zijn, om jezelf los te laten en gastvrij te zijn en het heiligste te leren (her)kennen in het meest alledaagse en geringste. Dat alles is, voor wie het zien wil en voor wie het niet afstotelijk is, een fundament van de presentie. En zeer geregeld hoor ik van zorgverleners dat zij deze`taal' herkennen en waarderen en als een remedie be­schou­­wen tegen wat ze kennelijk ervaren als (toenemende) schraalheid, verdwijning, vervreemding.
De presentiebeoefening vindt weliswaar zijn grond in het buurt­­pastoraat, maar sinds het boek Een theorie van de presentie en de zeer talrijke lezingen daarover blijkt de presentie inspirerend voor vele duizenden binnen en buiten de kerk, omdat het klaar­blij­kelijk een naam geeft aan al hun eenzame gezwoeg, een rug­ge­steun – het blijkt, dat hun gelijk is verwoord, terwijl die enor­me onderlaag van voortreffelijke werkers in gezond­heids­zorg en welzijn dacht alleen te staan, geen aanzien noch stem te hebben. Velen doen hun menslievende werk in het verbor­ge­ne, vullen de werkstaten en formulieren in zoals het be­hoort, maar overtreden de regels: om het gezin in de puree, de vereenzaamde weduwe, de thuis­wo­nende psychiatrische patiënt te kunnen geven wat zij werkelijk nodig hebben, met hart en ziel voor wie ze zich verantwoordelijk weten. Maar er is ook veel botheid, hardheid, domheid en onbe­holpen schof­terigheid, soms gecombineerd met futloze desin­te­resse. ‘Ik dien mijn tijd wel uit.’ Tegelijkertijd ontglipt me de overtui­ging niet, dat we verder komen door contact te blijven met het beste dat erin zit, door virtuoze practici te beschrijven en ze als stimulerende voorbeelden naar voren te schuiven. Dat is in elk geval motiverender en aantrekkelijker dan het ver­maan (hoewel de filosoof Margalit vindt dat we het goede niet hoeven te bevor­deren maar het slechte dienen te bestrijden. Maar de inspiratie is krachtiger dan welke vorm of stijl van geweld ook).
[Afbeelding van schilderij Monica van Kleef, Vriendschap.]

De alleenspraak van Baart II
De somberheid


Gemodelleerd naar het marktmodel leidt er vanzelf toe – denk even terug aan de commerciële vennootschappen – dat de zorg vooral geïnteresseerd is in kansrijken en in de koopkrachtige hulpvraag en zich dus ook afkeert van hope­lo­ze gevallen. Moet er winst gemaakt worden, dan ga je in zee met wie dat kan en luk­ken zal, alleen dan sta je straks in de top tien van succesvolle in­stanties of ziekenhuizen. Zorg moet goed, klantvriendelijk en betaalbaar zijn, maar dat op zich heeft niets van doen met het marktdenken. In de markt gaat het om scoren, concurreren, pres­teren, om expansie, om reductie van kostenposten en risico­fac­toren. Dat is helder. Maar zorg bieden is heel wat anders, het is geen product zoals fietszadels of bonbons dat zijn en waar effi­ciënte produc­tie­lijnen waarborgen bieden voor de juiste en vaste ‘uitkomst’, voor kwaliteit en concurrerend succes. Goede zorg moet tel­kens opnieuw, in deze situatie, bij deze man, mevrouw of bij dit kind worden uitgevonden. Daar is geen ‘routeplanner’ voor en de ‘uitkomst’ staat ook lang niet altijd vast. Het pre­sentie­den­ken stelt daarom tegenover het marktmodel het mo­del van de men­selijke betrekking, de weldadige relatie die met aandacht en verstand wordt beheerd.
Achter dat marktmodel, dat doordringt in alle sectoren van zorg en welzijn, zitten geen ‘foute mensen’. Dat zou een naïe­ve en zelfs foute gedachte zijn. Maar het is een aan elkaar han­­gend geheel geworden van mechaniekjes, van in elkaar hakende func­ties, complexe ketens van verantwoor­de­lijk­he­den, van contro­lerende instanties et cetera. Het is een kluwen van zich geleidelijk maar nu razendsnel ontwikkelende krachten; het staat bol van de spanning. (Denk aan wat er deze zomer, juli 2006, gebeurt bij die reuzen van organisaties als de thuis­zorg; er is enerzijds sprake van mogelijk frauduleus ritselen met geld omdat het profijtelijk zou zijn, anderzijds zijn de te­korten zodanig opgelopen dat er een patiëntenstop wordt in­ge­steld. Het werk stagneert, zit muurvast in een zelf geweven knutselwerk.) Sociologisch verklaarbaar, maar mo­reel uit­ge­spro­ken dubieus want iedereen ziet en neemt onmid­dellijk aan dat deze kolossale fabriek ongelooflijk veel tijd aan zich­zelf moet besteden, zoals dat in elk bedrijf gaat dat trans­pa­rant wil zijn en rationeel met middelen omgaat. Al die bu­reau­cra­tische procedures zijn zo tijdrovend dat ze het eigen­lijke werk ernstig bemoeilijken, belemmeren of vertragen, een­vou­dig omdat alles volgens de logica van de organisatie zo moet.
Ik ben het eens met Annelies van Heijst: het is fantastisch dat die interventiezorg bestaat, alle uren en alle dagen per week. Stel je voor dat je nergens heen zou kunnen wanneer je tegen de muur oploopt van de pijn, dus in dat opzicht is het een ze­gen. Sterker nog, het is eigenlijk de presentiekwaliteit van de in­terventiezorg. Maar laten we ons niet vergissen of mislei­den. In veel gevallen gaat nog geen een derde van de beschik­bare en duur ingekochte tijd naar de uitvoering, naar de hulp en bijstand van mensen die er beroerd aan toe zijn. Nog treu­riger is het dat de situatie – de ‘fabriek’, de monsterfusies – het hoogst verleidelijk maakt je te distantiëren van het echte werk, de hardnekkige, soms onoplos­bare en deprimerende pro­blemen, zeker als je telkens wordt voor­gehouden dat het echte werk ‘problemen oplossen’ en verbeteren is. Geen eer te behalen aan het multiproblem-gezin, aan de chro­nisch psy­chiatrisch patiënt, de getraumatiseerde man uit Somalië of de stilletjes voor zich uitstarende demente, terwijl juist hun eer op het spel staat. Ze zijn er hoor, de werkers die niet bezwij­ken voor de verlokking te vluchten in de interne logica van de organi­satie en zich te verheffen boven de eigen besognes. Denk maar aan de ja-cultuur die Hans Becker heeft geïn­tro­duceerd, aan Doortje Kal die ruimte heeft gemaakt voor kwar­tiermaken, Detlef Petry die met zijn ongeneeslijke pa­tiënten op pad gaat, Bram Bakker die niets te veel is om de ander te bereiken of Ricus Dul­laert die indertijd achter de drugsverslaafden op de Wallen aan­ging. Maar namen noemen is ook zoiets, ja, afdoende zou zijn te wijzen op buurt- en straatpastores, de Vlaamse straathoekwerkers, de speel­tuin­werkers, de so­ciaal-verpleegkundigen die eindeloos trouw blijven omzien naar zorgmijders. Die snappen iets van de morele betekenis van tragiek en de ethische strekking van mededogen. Morele reflectie is de bron van goede zorg, natuurlijk, naast aller­lei praktische bekwaamheden en vak­kennis, maar dit alles in een bedding van een praktische wijsheid.
Meer gedetailleerd: goede zorgpraktijken zijn een geïntegreerd geheel van op de situatie van behoeftigheid afgestemde en voor die situatie ook heel passende manieren van doen en ze­ker ook van laten en maat weten te houden, van contextueel interpreteren en in één vloeiende beweging door beoordelen, van aanvoelen en anticiperen, van ernstig zijn en spanning bre­ken, van je laten zien, je rol met toewijding vervullen, van een verstandhouding opbou­wen en je ervaringen beschikbaar hebben, van je verantwoorde­lijk­heden durven nemen en te­gelijk bij de ander te laten wat van hem of haar is. Een goede praktijk vloeit dus, heeft samenhang, is een relationeel be­heerd samenspel, is gericht op welk goed er op het spel staat en is dáár ook op gericht. Dit alles is verenigd in ver­schillende soorten kennis: boekenkennis, ervaringskennis, mo­rele en exi­stentiële kennis – inzichten en ervaringen die je nodig hebt om als een goed mens zo goed mogelijk te kunnen leven. Het zal duidelijk zijn dat zulke praktijken bepaald niet hetzelfde zijn als het verrichten van allerlei instrumentele zorghan­de­lin­gen. Of er in het huidige maatschappelijke klimaat nog ruim­te zal zijn voor dergelijke prakrijken, daar rijst de twijfel, maar er is in elk geval een groot verlangen naar. Maar zie de ijzige nacht over het werk van vandaag, het moet zo’n beetje afge­lo­pen zijn met alles: met asielzoekers, met TBS-verloven, met spij­belaars, met zorg­mijders en zorgshoppers, met gebruikers van de publieke ruimte, met krom Nederlands spreken, met bui­tenlandse bruiden, met ar­beidsongeschikt zijn, met boer­ka’s op straat en wat al niet meer. Steeds meer mensen be­twij­felen of Nederland nog langer een fatsoenlijke staat mag he­ten, die sferen uit elkaar weet te houden, die persoonlijke en institutionele vernedering weet te vermijden en de groeiende wrok in bepaalde lagen van de bevolking in toom weet te hou­­den. Het klinkt hier al luid in door: presentie is niet alleen een praktische menslievende manier van doen, maar impli­ceert vooral ook een cultuurkritiek. We maken ons niet alleen sterk voor andere zorg, maar zeker ook voor waarden die almaar verder onder druk staan en waaraan een zogenaamd duf luchtje hangt, zoals barmhartigheid, mededogen, begaan-zijn en wederkerigheid. Denk vooral niet dat je slap en zwak zou zijn en geen goede resultaten zou halen als je aandachtige en vriendachtige weder­kerigheid herstelt, in plaats van au­to­ritair, paternalistisch en afstandelijk op te treden. Dan zie je meestal het omgekeerde, het werkt voor geen meter. Hard zijn en ste­vig ingrijpen, op kleine zowel op grote schaal, is zelden suc­ces­vol.

De alleenspraak van Baart I
De helderheid


Als presentiebeoefenaar heb ik een zekere, nog oninge­vul­de bereidheid die op jou als behoeftige is gericht en die ik zonder veel poespas en voorwaarden aanbied, jij – de be­hoeftige - moet zeggen waartoe die bereidwilligheid ingezet zal worden en ik zal die wens respecteren. Ik laat bij de ander wat het doel van de inzet is. Mij is die manier van doen sym­pa­thiek omdat je zonder het woord te geven aan de ander nau­welijks kunt weten wat z/hij in zijn situatie, met zijn draag­kracht en ideeën, goed acht.
Het is overigens niet simpelweg even navragen. Sommige hulp­­zoekenden antwoorden niet, of fout of hebben bepaalde voor­stellingen, sjablonen, van wat ze de psycholoog of andere hulp­gever denken te moeten zeggen om geholpen te kunnen worden.
Er is wel vraagsturing en je gaat niet op eigen gezag maar aan de slag, maar tegelijk ligt het ook anders. De keuzemoge­lijk­he­den zijn beperkt. Je mag bijvoorbeeld niet vragen wat ze niet bieden, ook niet als dat jou het meest zou helpen en ze je het wel zouden kunnen geven. Als je te vaak iets vraagt wat zich buiten het aanbod bevindt, word je weggekeken. Dan moet je een deurtje (of loket) verderop gaan. En de presentie neemt hier een uitge­spro­ken standpunt in: voorop staat niet het aanbod of de hulpvraag, maar het verlangen van degene die behoeftig is, dáár moet contact mee gemaakt worden en het aanbod op worden afge­stemd. Dat verlangen is veel bre­der, of dieper, dan genezen, op­ge­lapt of gehuisvest willen wor­den. Niet, als het daarom (ook) gaat, dat ze dat niet willen, maar in principe dient dat ruimere verlangen de volle aan­dacht, gehoord en gehonoreerd te worden. Daarom gaat de pre­sentiebeoefenaar een betrekking aan met die ander, nodigt hem uit of gaat op bezoek, toont hem of haar toege­negen te zijn en bevestigt zo diens waardevolheid. Dát is het fun­da­ment: het steunt op de ‘uitdrukkingshandeling’ waarin de zorg­­gever zich laat kennen. Annelies van Heijst omschrijft dat zo. “Door er voor deze doodzieke te zijn, brengt de arts tot expressie dat deze persoon kostbaar is en dat z/hij met deze zieke verbon­den is. De zieke kan zich een kostbaar mens we­ten, omdát de arts de zieke op die manier nabij is. Zo bete­kent de arts iets, terwijl die niets meer kan doen.” Dit bete­kent niet dat we er een of-of-zaak van moeten maken. Het gaat niet om óf concreet geholpen worden óf om erkend of gezien te worden, om vriendelijkheid. Presentiebeoefenaren werken ook aan concrete zaken, onophou­delijk zelfs, maar de kwestie is hoe je dat doet, hoe je weten kunt dat dit werkelijk is wat de ander (en niet de professional) vraagt of verlangt. In het louter nastreven van concrete doelen gebeurt vaak dat je het zicht op de ander verliest en bijna verhardt tot een effi­ciënt uitvoeringsinstrument. Anders gezegd, de kwestie is dat een huis, inkomen of een goede baan soms niets bijdragen aan het goede leven en niet voorkomen dat men niet ver­kom­mert. Voor een goed leven moeten ook andere waarden wor­den verwe­zen­lijkt.
Ik kan het ook concreter maken. Presentie is een wijze van zorg bieden die dikwijls sterk afwijkt van wat normaal is in het re­guliere werk. De presentiebeoefenaar komt naar je toe, is in jouw leefwereld te vinden, sluit radicaal aan en staat open voor wat h/zij waarneemt. Dat verandert je bedoeling; je beweegt met de ander mee: waar jij moet gaan, daar gaat de presen­tie­beoefenaar, net zo snel of traag, maar altijd solidair, nabij, aan­spreekbaar. Het draait immers om de relatie: je wordt als zorgontvanger opgenomen in een aandachtige en liefdevolle betrekking waarin je je kunt laten zien zoals je bent, waar het om jou kan gaan en niet alleen over je pro­ble­men of tekorten. De hulp of zorg staat niet uitsluitend in het teken van op­los­singen, van verbeteren of repareren. Hieraan zie je dat het ge­bruikelijke kantelt. Hoe zien we de hulp­zoe­ker, als een ver­vuilde mankepoot waar niets mee te beginnen is of als een mens met zachte ogen bij wie het leven niet luk­ken wil? Hoe zien we het proces van hulpverlening, is het ge­woon dat deze man voor een consult komt of dringt het ook tot ons door hoeveel moeite hem dat gekost heeft of hoe moeilijk het kan zijn de juiste taal te gebruiken voor de ver­eiste hulp? Hoe zien we de zorg­ge­ver: als een deskundige die boven de moeilijk­he­den staat of als een hartelijk en compe­tent mens die naast de ander durft te staan en het herstel van wederkerigheid bevor­dert?
We kunnen in de presentie van alles aanpakken, doortastend zijn, maken en doen, maar ook heel goed laten, ruimte schep­pen, wach­ten wat op ons afkomt. Noem het de waakzame af­wach­tendheid. Het punt is, dat we niemand verlaten en trouw en betrouwbaar het leven delen dat aan onze zorg is toever­trouwd. De mens staat voor­op, niet het ding of de kwaal. Daarom spreken we van intense en liefdevolle verbon­den­heid. Dat is present zijn. Nu denkt menigeen dat dit een on­betaalbare schep is boven op wat gebruikelijk is. Maar men­sen willen meer dan het gebruikelijk concrete. Stel, iemand wil een brood. Ik besluit het te geven en smijt het hem toe. Hij is boos. Ik zeg, ‘wat zeur je nou, je wilde toch een brood?’ Het is duidelijk dat dit slechte hulp is. Hij vraagt niet alleen een brood, maar tegelijk om zijn eer te sparen, dat wil zeggen, om niet vernederd te worden. Je kunt denken, dat is een algemeen aanvaard inzicht. De man zou kunnen zeggen, ‘liever mijn eer dan jouw brood, hou het maar.’ Maar soms heeft hij niet te kiezen en kan hij niet afzien van het toegeworpen brood. Het is een doodsimpel voorbeeld dat volgens mij opgaat voor alle zorg die we de ander moeten geven en waar de ander om moet vragen (en als de ander het niet vragen kan, moet het in­gezien worden, opgemerkt). De kwintessens is, dat we niet al blij kunnen zijn als de vraag is afgehandeld want dat zou sug­ge­reren dat fatsoen een niet-noodzakelijk deel is van hulp of dat eerbetoon een extraatje is en dure hulp zou zijn. Als het ontvangen van hulp de ander vernietigend treft in diens ver­lan­gen om op een waardige wijze onder de mensen te zijn, dan is dat geen hulp.
Dat idee van het extraatje, van dure hulp, zit er nogal inge­bak­ken, maar dat is een onnadenkende gedachte. Overdenk dan het vol­gende eens. Fatsoenlijkheid in de betekenis van be­dacht zijn op andermans waardigheid kost niks méér. Dat is een instelling, alert zijn, empathie en handelen naar de kwets­baarheid van de ander. Zo weet de ander zich goed geholpen, zal zijn hulpvraag afne­men, maar andersom zal hij zijn zoek­tocht naar goede hulp voort­zetten en instantie na instantie af­klepperen: dát is kostbaar. Nog een punt. De gedachte van du­re hulp impliceert dat de reguliere praktijken efficiënt zijn en dat die efficiency maat­gevend is. Nou, natuurlijk onderken ik dat het huidige reguliere systeem met krapte te maken heeft, maar te zuinig ingericht, neen, dat is niet juist: we beta­len een hoge prijs, niet voor het werk zelf, maar voor de ra­ti­o­na­liteit waarmee het is ingericht. Dat blijkt uit om­slachtige en verkokerde processen, uit topsalarissen die Raden van Be­stuur opstrijken, uit investeringen in bakstenen, in interim-managers en adviseurs, om nog niet te spreken van de burn-outs, het gedemotiveerd raken, het onder druk staan met sco­res en leeg­gezogen worden. Het alles willen beheersen staat bovenaan. Bovendien, dat is een sterk punt ten gunste van de presentie, blijkt uit onderzoek dat we een vergelijkbare ‘case-load’ hebben. Presentie is niet kostbaar om­dat het aan­dachtig en traag is, dat moet zonneklaar zijn, - hoewel het eigen­lijk ook van secundair belang is zolang het maar doelmatig is. En ik zet hier nog bovenop, dat uit ons onderzoek óók blijkt, dat wij er vaak vroeg bij zijn en dus ook vaak ‘erger voorkomen’; het is een gok, maar ik denk dat zul­ke preventie veel oplevert.
Wat de klok slaat in onze cultuur is ‘kwaliteit’, ‘prestatie’ en ‘ex­­cellentie’, dat zijn turbomaatstaven en wat daar nu zo mis aan is – zie Menslievende zorg van Annelies van Heijst – dat is dat lij­den­de mensen en hun werkelijkheid daarin amper nog kunnen ver­schijnen. In onze cultuur domineert een bepaalde opvatting over hoe het leven eruit ziet als het leven gelukt is, als je gelukkig leeft. Dat is op zich niet erg, maar wat als het niet goed kan ko­men en er toch geleefd moet worden? Wat als het leven je slaat met grote, onomkeerbare verliezen en de cultuur dat als het ware nog eens overdoet en versterkt en je als een hopeloos geval ver­laat? Dan wordt er leed toegevoegd in plaats van vermindert, en dat terwijl de kern, of het hoogste doel, van alle zorgverlening is dat je de ander, die mede mens is, bijstaat in diens lijden en niet verlaat. Lijden dat niet weg te maken is, dat onverhelpbaar is, onhanteerbaar, is problema­tisch omdat mensen met zulk lijden kansloos heten, omdat er geen goede sier mee is te maken. Het is onrijmbaar met de tur­bomaatstaven die ik net noemde en waarvan zorg­profes­si­onals de knecht zijn. De wil om mensen bij te staan is nog steeds veelal de onderliggende gedachte, intentie of over­tui­ging, maar die wordt wel in toenemende mate ondermijnd, ze­ker in een verdergaande vermarkting van de zorg. Dat is geen cliché, want ziekenhuizen worden commerciële ven­noot­schappen met heuse aandeelhouders. Willem Barnard merkte lang geleden eens op, in Een dubbeltje op zijn kant (p. 100): “We moeten ons leven niet besteden aan de geld­win­ning, maar ons geld aan le­vens­winning.” En mijn boek over aan­dacht begint met een in wezen vergelijkbare zin: “Aan­dacht biedt de kiem van een relatie en daaruit zal een mens op­staan.” Aandacht is levenswinning, en ja, aandacht, zo kwets­baar als ze is, is een kernwoord van pre­sentie. Beperkt men zich in de zorg tot criteria, richtlijnen waar­van nauwelijks is te wijken en methodieken, dan wordt de natuur van aan­dacht, wat ze doet en aan vermogens heeft, niet langer be­grepen en is het gedaan met de aandacht. Ik moet het mis­schien wat preciezer zeggen. Aandacht is niet op te sluiten in richtlijnen of wat dies meer zij, maar dient persóónlijk ge­oefend te wor­den, telkens weer, waardoor de deugden die haar dragen, zo­als moed, toewijding, voorzichtigheid, haar ontwikkelen. Dus niet gevangen in richtlijnen of vakregels en dus ook met het gevolg, dat de aandachtgever zich minstens voor een deel onttrekt aan de plan­matige op efficiency gebaseerde leiding. Door in te zien dat de aandacht waar het om gaat onont­koom­baar gebonden is aan de persoon én diens inzet, zien we te­gelijk dat hij zélf op de agenda staat, dat hij zichzelf in het geding brengt om te kunnen aan­voe­len wat de ander toont. Dan zien we tevens dat dit als het ware de andere kant is van evi­dence based knowledge, want daarin gaat het om de wil tot be­heersen, (be)dwingen, controleren, denk maar aan de tijd­schrij­verij of aan de diagnose – behandel – combina­ties, de DBC’s. Dat zijn de culturele en bureau­cra­tische vanzelf­spre­kendheden van vandaag die elke neiging tot aandacht geven – zeker aan wie kansloos heet of zo geboekt staat – torpedeert of afstraft. Sommigen zullen mogelijk den­ken dat aandacht hier door mij gezien wordt als een religieuze zaak of spirituele kwes­tie. Het heeft er wel mee te maken, maar uiteindelijk is mijn on­derstreping van aandacht een poli­tiek pleidooi voor maat­schap­pelijk fatsoen, zodat er werkelijk oog is voor wie niet meer mee kan komen met het snelle en volle leven. Zodat de onverbe­terlijke, aan wie nauwelijks nog eer is te be­ha­len, niet onher­roepelijk wordt afgedankt. Dat is water naar de zee dragen, nutteloze bemoeienis waarmee je niet scoort maar opvalt als onprofessioneel, dat is iets voor vrijwilligers, voor zorgzame vrouwen en mantelzorgers. Dát is de politiek van de distan­tiëring. Weg van het tragische, van het onver­help­bare, er boven staan. Er middenin staan, deel­nemen aan het leven zoals het werkelijk geleefd wordt. Het alledaagse leven, om die nabijheid gaat het, dan maak je als presen­tie­be­oefenaar ook mee wat wel lukt, dat trots of vrolijk is of van licht gewicht; dat is goed voor de pre­sentiebe­oefe­naar zelf, maar minstens zo versterkend voor die ander die meer kan laten zien dan alleen zijn of haar problema­tische kant of die alleen aandacht krijgt als er weer iets in de soep loopt. Hulpverleners die alleen kunnen en mogen komen als er wat kapot is, hebben het zwaarder. Er valt niets te lachen of te vie­ren, maar er dient iets gerepareerd te worden en als h/zij de juiste treft of aan het gepaste loket is, dan is daar een re­cept voor, een methodiek, een traject … en uiteraard verloopt het dan zakelijker, strakker, formeler.

De poëzie van de verbeelding

Ze lag al driekwart van de dag achter mij op bed te lezen terwijl ik stil en ijverig mijn manuscript aan het lezen en corrigeren was. Een zeer kalm verbond tussen twee mensen die elkaar bezig laten met waar ze op dat moment in verzonken lijken. Het raam staat open, buiten is het even stil en behaaglijk als binnen. Ik ben gekleed, maar zit blootsvoets achter mijn bureau. Zij is gekleed in een luchtige jurk, waaronder mooie blote benen een deel zijn van de lokroep.
“Ik houd van je”, doorbrak zij zacht dit zwijgen. Ik keek om met een eenvoudige lach. Het flitste door me heen dat ik verrast werd, dat dit het mooiste en meest wenselijke is wat je als mens horen wilt, maar hoe gek en strijdig daarmee ook dat het op slag mijn gedachtegang zou verstoren als ik mijn pen zou neerleggen en tegemoet zou gaan naar die twee armen die ze tegelijkertijd naar me uitstrekte. Maar het menselijke is onweerstaanbaar, al bleef aan mij de keus om dit zachtmoedige maar duidelijke gebaar van liefde met een korte omhelzing te beantwoorden, en dan weer verder te gaan? Terwijl ik mijn stoel naar achter schoof en op haar toeliep, wist ik nog niet hoe deze plotselinge betovering zou verlopen. Zou ik me in die onweerstaanbaar naar mij gestrekte armen sluiten, dan sluit ik me in de hartstocht. Kan ik het niet beter laten bij de verstrooiing die ik op andere momenten zoek en nodig heb, terwijl de vervulling dan niet voor de hand ligt? Maar is de liefde, verenigt in lust, niet het enige dat telt? Mijn hemel, wie praat er zo? Is dat nog leven?

Kruizen der aarde is niet het boek geworden dat ik in gedachten had, maar een op zichzelf staand deel in mijn reeks van particuliere dagboeken. Of laat ik zeggen, het is onvoltooid en wacht zijn tijd nog af. De eerder hier geplaatste observatie het station als museum is er uit afkomstig, evenals het fragment over Charles, de man die zo tragisch en onontwarbaar verstrikt raakte in zijn verbeelding, in zijn verlangen, in zijn lijden.
Behalve dat het boek niet rijp is en te sterk een verzameling impressies is geworden met een uitvoerig notenapparaat, bevat het ook zeer persoonlijke reflecties waar ik met te weinig distantie vorm aan heb gegeven.
In verscheidene tekstdelen komt de zorg aan bod, en dan ook onvermijdelijk de man die mij op dit (gedachte)terrein nieuwe impulsen gaf, Andries Baart.


Welnu, vorige maand vond het eerste grote presentie-congres plaats met als thema ‘Aansluiting’. En bij aansluiting gaat het niet om toe­val, maar om toewijding. Als aanloop daarheen is door Andries Baart een bijzonder boekje geschreven, getiteld Tweespraak. Vier ge­sprekken over het ene goed van presentie, zo subliem qua helderheid dat het op zichzelf staat, ook zónder een congres. (Toen ik die titel zag, dacht ik mijn ‘boek’ de titel Alleenspraak te geven, maar dat is een titel van Jos Joosten in de serie Gel­der­se Cahiers, een serie die intussen ter ziele is gegaan. Maar goed, deze Tweespraak is veel interessanter, en verkrijgbaar via de site van Presentie.) Terecht zag ik er naar uit want het is een goed format dat hij koos en zijn hele tekst is consequent goed, toegankelijk en verhel­de­rend geschreven, opnieuw met de meesterhand. Het is een tekst van verderstrekkende betekenis dan zoals bedoeld. Tweespraak is als het ware een vragenvuur aan zichzelf aan de hand van telkens korte ‘sprekende’ casus.
Andries heeft zich verbazend knap verplaatst in de houding van critici, stelt zich de meest cruciale vragen en geeft be­knopte maar heldere en niet zomaar uit te wissen uitleg - met consequente vasthoudendheid, oprechtheid en geloof­waar­digheid, niét met de arrogantie over alles zéker te zijn. Het is een tekst van fundamenteel belang omdat tal van wezenlijke kwesties vanuit verschillende gezichtshoeken aan de orde ko­men en met het oog op zorg, solidariteit en politieke lobby is de compactheid even­eens van niet te onderschatten betekenis.
Ik heb er een zo samenhangend mogelijke samenvat­ting van gemaakt, onvermijdelijk niet kort, maar hopelijk (ook) verhelderend, soms in eigen bewoording of met een door mij gekozen ci­taat, maar zo nauwkeurig mogelijk in het spoor van Andries Baart – het is zijn gedachtegoed. Tweespraak verandert bij mij van vorm en heet De alleenspraak van Baart, onder het motto: ‘De regel die gebroken wordt, is le­vendig’. Ik kom er in vier nieuwe berichten op terug.

* Omslag: een afbeelding van Lammert Boerma, beeldend kunstenaar in Borgercompagnie, Kruisafname, een beeltenis die behalve respect voor de dood, de vermindering van lijden en compassie symboliseert.
* Verzorging omslag: Rob Groot