Pagina's

vrijdag, oktober 27, 2006


Een dagboek als het landschap van een leven
Soms woedt er een innerlijke ‘oorlog’


Bij niet één schrijver rolt het boek, van welk genre ook, zomaar uit de pen of is er sprake van een niet te stuiten of door iets anders te onderbreken stroom van gedachten waardoor het werk in een kort bestek van tijd naar voldoening tot stand komt. Er is zelfs tot op het laatst een strijd met gedachten of invallen die al dan niet in lijn zijn met wat er reeds staat, of dat wat er staat niet rigoureus in de war kan schoppen, of een wending geeft aan het vaag tot scherper in beeld komende vervolg en waardoor eerdere passages hun aanvankelijke samenhang dreigen te verliezen en herschreven dienen te worden. Schrappen, schaven, polijsten – en dat al het liefst met de pen zodat het nog het meest bewerkbaar blijft. De tekstverwerker geeft met zijn ogenschijnlijk perfecte opmaak vaak vooral de suggestie dat wat er staat reeds goed is, al in onfeilbare staat verkeert.

Op de rode planeet Mars van de website van mijn broer staan vier beschrijvingen over de roman Hokwerda’s kind (2002). Lin is haar vaders oogappel, maar hij, een Fries, is een onbehouwen en onbetrouwbare autohandelaar. Een wrede sjacheraar. Toen ze tien was, scheidden haar ouders en vertrok zij naar Amsterdam. Een klein decennium later kruist de ondoorgrondelijke liefde haar weg, Marcus, Henri, Jelmer – maar over niets blijkt meer gelogen dan over de liefde.
Het boek wordt alom geprezen, een sprankelend meesterwerk, un livre sensationnel. Maar hoe is het ontstaan en wat doet zich voor in die innerlijke oorlog, hoe zijn al die stormen te bedwingen – hoe krijgt de meester het in de hand? Dát nu wordt in dit intieme boek, kortweg maar even ‘de heilbot’ genoemd, in een strijd van twijfel en zekerheid, uit de doeken gedaan, as a poet who shoud built us his work – want uiteindelijk ontstaat er iets zoals je dat tevoren niet had voorzien. Hokwerda’s kind, op zeker moment ook wel even getypeerd als ‘de geschiedenis van een moord’, is geboren uit "Rubberen roos", een kort verhaal voor het Z-magazine, de (nog steeds bestaande) Amsterdamse daklozenkrant.
Het dagboek 1997-2002 van Oek de Jong is een selectie uit de vele aantekeningen omtrent de geschiedenis van een geboorte, Hokwerda’s kind. De invallen, de vorderingen, de frustraties, de melancholie, de visioenen, de vuistregels van het schrijven, het lezen van Russische meesters aan wier werk wellicht de eigen schepping te scherpen zou zijn, zoals met name dat van Tolstoj en Tjechov, maar ook Dante, Flaubert, Baudelaire, Nietzsche, Greene, Stendhal en Kawabata. Het is tegelijkertijd een waar dagboek, een dagboek als een landschap van zijn leven waarin het ook gaat over zijn fascinaties voor de schilderkunst en de muziek, over zijn redacteurschap van de Revisor, over de obsceniteit van de media, over Tilly en de Meulenhoff-affaire over het leven en de sobere vrijmoedigheid tussen hem en Jeanne, zijn geliefde – zodat het hele proces van het schrijven van een roman, hetgeen hij na Opwaaiende zomerjurken en het ruim twintig jaar geleden verschenen Cirkels in het gras bijna verleerd leek, ergens op rust en vandaan komt, het alledaagse leven - een leven van luiheid, van stilstand, van obsessie, de kwelling van de stagnatie en dan weer werken als een locomotief, de euforie, van reizen en liefhebben. Zo ontstond van deze in zichzelf gekeerde man, deze veellezer, kunstminnaar, hardloper, zeiler en reiziger een nieuw boek, de wonderen van de heilbot.

Geen opmerkingen: