Pagina's

donderdag, oktober 26, 2006


De alleenspraak van Baart I
De helderheid


Als presentiebeoefenaar heb ik een zekere, nog oninge­vul­de bereidheid die op jou als behoeftige is gericht en die ik zonder veel poespas en voorwaarden aanbied, jij – de be­hoeftige - moet zeggen waartoe die bereidwilligheid ingezet zal worden en ik zal die wens respecteren. Ik laat bij de ander wat het doel van de inzet is. Mij is die manier van doen sym­pa­thiek omdat je zonder het woord te geven aan de ander nau­welijks kunt weten wat z/hij in zijn situatie, met zijn draag­kracht en ideeën, goed acht.
Het is overigens niet simpelweg even navragen. Sommige hulp­­zoekenden antwoorden niet, of fout of hebben bepaalde voor­stellingen, sjablonen, van wat ze de psycholoog of andere hulp­gever denken te moeten zeggen om geholpen te kunnen worden.
Er is wel vraagsturing en je gaat niet op eigen gezag maar aan de slag, maar tegelijk ligt het ook anders. De keuzemoge­lijk­he­den zijn beperkt. Je mag bijvoorbeeld niet vragen wat ze niet bieden, ook niet als dat jou het meest zou helpen en ze je het wel zouden kunnen geven. Als je te vaak iets vraagt wat zich buiten het aanbod bevindt, word je weggekeken. Dan moet je een deurtje (of loket) verderop gaan. En de presentie neemt hier een uitge­spro­ken standpunt in: voorop staat niet het aanbod of de hulpvraag, maar het verlangen van degene die behoeftig is, dáár moet contact mee gemaakt worden en het aanbod op worden afge­stemd. Dat verlangen is veel bre­der, of dieper, dan genezen, op­ge­lapt of gehuisvest willen wor­den. Niet, als het daarom (ook) gaat, dat ze dat niet willen, maar in principe dient dat ruimere verlangen de volle aan­dacht, gehoord en gehonoreerd te worden. Daarom gaat de pre­sentiebeoefenaar een betrekking aan met die ander, nodigt hem uit of gaat op bezoek, toont hem of haar toege­negen te zijn en bevestigt zo diens waardevolheid. Dát is het fun­da­ment: het steunt op de ‘uitdrukkingshandeling’ waarin de zorg­­gever zich laat kennen. Annelies van Heijst omschrijft dat zo. “Door er voor deze doodzieke te zijn, brengt de arts tot expressie dat deze persoon kostbaar is en dat z/hij met deze zieke verbon­den is. De zieke kan zich een kostbaar mens we­ten, omdát de arts de zieke op die manier nabij is. Zo bete­kent de arts iets, terwijl die niets meer kan doen.” Dit bete­kent niet dat we er een of-of-zaak van moeten maken. Het gaat niet om óf concreet geholpen worden óf om erkend of gezien te worden, om vriendelijkheid. Presentiebeoefenaren werken ook aan concrete zaken, onophou­delijk zelfs, maar de kwestie is hoe je dat doet, hoe je weten kunt dat dit werkelijk is wat de ander (en niet de professional) vraagt of verlangt. In het louter nastreven van concrete doelen gebeurt vaak dat je het zicht op de ander verliest en bijna verhardt tot een effi­ciënt uitvoeringsinstrument. Anders gezegd, de kwestie is dat een huis, inkomen of een goede baan soms niets bijdragen aan het goede leven en niet voorkomen dat men niet ver­kom­mert. Voor een goed leven moeten ook andere waarden wor­den verwe­zen­lijkt.
Ik kan het ook concreter maken. Presentie is een wijze van zorg bieden die dikwijls sterk afwijkt van wat normaal is in het re­guliere werk. De presentiebeoefenaar komt naar je toe, is in jouw leefwereld te vinden, sluit radicaal aan en staat open voor wat h/zij waarneemt. Dat verandert je bedoeling; je beweegt met de ander mee: waar jij moet gaan, daar gaat de presen­tie­beoefenaar, net zo snel of traag, maar altijd solidair, nabij, aan­spreekbaar. Het draait immers om de relatie: je wordt als zorgontvanger opgenomen in een aandachtige en liefdevolle betrekking waarin je je kunt laten zien zoals je bent, waar het om jou kan gaan en niet alleen over je pro­ble­men of tekorten. De hulp of zorg staat niet uitsluitend in het teken van op­los­singen, van verbeteren of repareren. Hieraan zie je dat het ge­bruikelijke kantelt. Hoe zien we de hulp­zoe­ker, als een ver­vuilde mankepoot waar niets mee te beginnen is of als een mens met zachte ogen bij wie het leven niet luk­ken wil? Hoe zien we het proces van hulpverlening, is het ge­woon dat deze man voor een consult komt of dringt het ook tot ons door hoeveel moeite hem dat gekost heeft of hoe moeilijk het kan zijn de juiste taal te gebruiken voor de ver­eiste hulp? Hoe zien we de zorg­ge­ver: als een deskundige die boven de moeilijk­he­den staat of als een hartelijk en compe­tent mens die naast de ander durft te staan en het herstel van wederkerigheid bevor­dert?
We kunnen in de presentie van alles aanpakken, doortastend zijn, maken en doen, maar ook heel goed laten, ruimte schep­pen, wach­ten wat op ons afkomt. Noem het de waakzame af­wach­tendheid. Het punt is, dat we niemand verlaten en trouw en betrouwbaar het leven delen dat aan onze zorg is toever­trouwd. De mens staat voor­op, niet het ding of de kwaal. Daarom spreken we van intense en liefdevolle verbon­den­heid. Dat is present zijn. Nu denkt menigeen dat dit een on­betaalbare schep is boven op wat gebruikelijk is. Maar men­sen willen meer dan het gebruikelijk concrete. Stel, iemand wil een brood. Ik besluit het te geven en smijt het hem toe. Hij is boos. Ik zeg, ‘wat zeur je nou, je wilde toch een brood?’ Het is duidelijk dat dit slechte hulp is. Hij vraagt niet alleen een brood, maar tegelijk om zijn eer te sparen, dat wil zeggen, om niet vernederd te worden. Je kunt denken, dat is een algemeen aanvaard inzicht. De man zou kunnen zeggen, ‘liever mijn eer dan jouw brood, hou het maar.’ Maar soms heeft hij niet te kiezen en kan hij niet afzien van het toegeworpen brood. Het is een doodsimpel voorbeeld dat volgens mij opgaat voor alle zorg die we de ander moeten geven en waar de ander om moet vragen (en als de ander het niet vragen kan, moet het in­gezien worden, opgemerkt). De kwintessens is, dat we niet al blij kunnen zijn als de vraag is afgehandeld want dat zou sug­ge­reren dat fatsoen een niet-noodzakelijk deel is van hulp of dat eerbetoon een extraatje is en dure hulp zou zijn. Als het ontvangen van hulp de ander vernietigend treft in diens ver­lan­gen om op een waardige wijze onder de mensen te zijn, dan is dat geen hulp.
Dat idee van het extraatje, van dure hulp, zit er nogal inge­bak­ken, maar dat is een onnadenkende gedachte. Overdenk dan het vol­gende eens. Fatsoenlijkheid in de betekenis van be­dacht zijn op andermans waardigheid kost niks méér. Dat is een instelling, alert zijn, empathie en handelen naar de kwets­baarheid van de ander. Zo weet de ander zich goed geholpen, zal zijn hulpvraag afne­men, maar andersom zal hij zijn zoek­tocht naar goede hulp voort­zetten en instantie na instantie af­klepperen: dát is kostbaar. Nog een punt. De gedachte van du­re hulp impliceert dat de reguliere praktijken efficiënt zijn en dat die efficiency maat­gevend is. Nou, natuurlijk onderken ik dat het huidige reguliere systeem met krapte te maken heeft, maar te zuinig ingericht, neen, dat is niet juist: we beta­len een hoge prijs, niet voor het werk zelf, maar voor de ra­ti­o­na­liteit waarmee het is ingericht. Dat blijkt uit om­slachtige en verkokerde processen, uit topsalarissen die Raden van Be­stuur opstrijken, uit investeringen in bakstenen, in interim-managers en adviseurs, om nog niet te spreken van de burn-outs, het gedemotiveerd raken, het onder druk staan met sco­res en leeg­gezogen worden. Het alles willen beheersen staat bovenaan. Bovendien, dat is een sterk punt ten gunste van de presentie, blijkt uit onderzoek dat we een vergelijkbare ‘case-load’ hebben. Presentie is niet kostbaar om­dat het aan­dachtig en traag is, dat moet zonneklaar zijn, - hoewel het eigen­lijk ook van secundair belang is zolang het maar doelmatig is. En ik zet hier nog bovenop, dat uit ons onderzoek óók blijkt, dat wij er vaak vroeg bij zijn en dus ook vaak ‘erger voorkomen’; het is een gok, maar ik denk dat zul­ke preventie veel oplevert.
Wat de klok slaat in onze cultuur is ‘kwaliteit’, ‘prestatie’ en ‘ex­­cellentie’, dat zijn turbomaatstaven en wat daar nu zo mis aan is – zie Menslievende zorg van Annelies van Heijst – dat is dat lij­den­de mensen en hun werkelijkheid daarin amper nog kunnen ver­schijnen. In onze cultuur domineert een bepaalde opvatting over hoe het leven eruit ziet als het leven gelukt is, als je gelukkig leeft. Dat is op zich niet erg, maar wat als het niet goed kan ko­men en er toch geleefd moet worden? Wat als het leven je slaat met grote, onomkeerbare verliezen en de cultuur dat als het ware nog eens overdoet en versterkt en je als een hopeloos geval ver­laat? Dan wordt er leed toegevoegd in plaats van vermindert, en dat terwijl de kern, of het hoogste doel, van alle zorgverlening is dat je de ander, die mede mens is, bijstaat in diens lijden en niet verlaat. Lijden dat niet weg te maken is, dat onverhelpbaar is, onhanteerbaar, is problema­tisch omdat mensen met zulk lijden kansloos heten, omdat er geen goede sier mee is te maken. Het is onrijmbaar met de tur­bomaatstaven die ik net noemde en waarvan zorg­profes­si­onals de knecht zijn. De wil om mensen bij te staan is nog steeds veelal de onderliggende gedachte, intentie of over­tui­ging, maar die wordt wel in toenemende mate ondermijnd, ze­ker in een verdergaande vermarkting van de zorg. Dat is geen cliché, want ziekenhuizen worden commerciële ven­noot­schappen met heuse aandeelhouders. Willem Barnard merkte lang geleden eens op, in Een dubbeltje op zijn kant (p. 100): “We moeten ons leven niet besteden aan de geld­win­ning, maar ons geld aan le­vens­winning.” En mijn boek over aan­dacht begint met een in wezen vergelijkbare zin: “Aan­dacht biedt de kiem van een relatie en daaruit zal een mens op­staan.” Aandacht is levenswinning, en ja, aandacht, zo kwets­baar als ze is, is een kernwoord van pre­sentie. Beperkt men zich in de zorg tot criteria, richtlijnen waar­van nauwelijks is te wijken en methodieken, dan wordt de natuur van aan­dacht, wat ze doet en aan vermogens heeft, niet langer be­grepen en is het gedaan met de aandacht. Ik moet het mis­schien wat preciezer zeggen. Aandacht is niet op te sluiten in richtlijnen of wat dies meer zij, maar dient persóónlijk ge­oefend te wor­den, telkens weer, waardoor de deugden die haar dragen, zo­als moed, toewijding, voorzichtigheid, haar ontwikkelen. Dus niet gevangen in richtlijnen of vakregels en dus ook met het gevolg, dat de aandachtgever zich minstens voor een deel onttrekt aan de plan­matige op efficiency gebaseerde leiding. Door in te zien dat de aandacht waar het om gaat onont­koom­baar gebonden is aan de persoon én diens inzet, zien we te­gelijk dat hij zélf op de agenda staat, dat hij zichzelf in het geding brengt om te kunnen aan­voe­len wat de ander toont. Dan zien we tevens dat dit als het ware de andere kant is van evi­dence based knowledge, want daarin gaat het om de wil tot be­heersen, (be)dwingen, controleren, denk maar aan de tijd­schrij­verij of aan de diagnose – behandel – combina­ties, de DBC’s. Dat zijn de culturele en bureau­cra­tische vanzelf­spre­kendheden van vandaag die elke neiging tot aandacht geven – zeker aan wie kansloos heet of zo geboekt staat – torpedeert of afstraft. Sommigen zullen mogelijk den­ken dat aandacht hier door mij gezien wordt als een religieuze zaak of spirituele kwes­tie. Het heeft er wel mee te maken, maar uiteindelijk is mijn on­derstreping van aandacht een poli­tiek pleidooi voor maat­schap­pelijk fatsoen, zodat er werkelijk oog is voor wie niet meer mee kan komen met het snelle en volle leven. Zodat de onverbe­terlijke, aan wie nauwelijks nog eer is te be­ha­len, niet onher­roepelijk wordt afgedankt. Dat is water naar de zee dragen, nutteloze bemoeienis waarmee je niet scoort maar opvalt als onprofessioneel, dat is iets voor vrijwilligers, voor zorgzame vrouwen en mantelzorgers. Dát is de politiek van de distan­tiëring. Weg van het tragische, van het onver­help­bare, er boven staan. Er middenin staan, deel­nemen aan het leven zoals het werkelijk geleefd wordt. Het alledaagse leven, om die nabijheid gaat het, dan maak je als presen­tie­be­oefenaar ook mee wat wel lukt, dat trots of vrolijk is of van licht gewicht; dat is goed voor de pre­sentiebe­oefe­naar zelf, maar minstens zo versterkend voor die ander die meer kan laten zien dan alleen zijn of haar problema­tische kant of die alleen aandacht krijgt als er weer iets in de soep loopt. Hulpverleners die alleen kunnen en mogen komen als er wat kapot is, hebben het zwaarder. Er valt niets te lachen of te vie­ren, maar er dient iets gerepareerd te worden en als h/zij de juiste treft of aan het gepaste loket is, dan is daar een re­cept voor, een methodiek, een traject … en uiteraard verloopt het dan zakelijker, strakker, formeler.

Geen opmerkingen: