Pagina's

donderdag, oktober 26, 2006


De alleenspraak van Baart III
De inspiratie


Het probleem zit onder meer in de aard van pro­fessio­na­liteit van moderne zorggevers zoals ze aan de meeste op­­leidingen wordt aangeleerd. Er bestaat een hausse aan so­ciaaltechnische methodieken, interventiemodellen, stap­pen­plannen et cetera – als­of studenten wordt geleerd in­genieur te worden die straks overal aan het repareren slaat, die harde kennis benut en vertrouwt op het kompas van vakregels. Maar de sociale werkelijkheid is veel weerbarstiger en wis­pel­turiger dan in methodieken gevangen kan worden. Een me­thodische benadering is goed, maar tegelijkertijd gaat het om morele afwegingen, om emotionele betrokkenheid en aan­spreekbaarheid, en dus ligt er een sterk accent op het ver­mo­gen telkens te reflecteren op de ervaringen hier en nu want die spelen de grootste rol (practice based!). Het zijn ook geen hulp­verleningscontacten, maar zorgrelaties, daarin gebeurt wat er gebeuren kan. Het gaat dus om een professionaliteit die bijzon­dere eisen stelt aan een opleiding, vrijwel haaks op wat nu de realiteit is. En wat heel typisch is, dat is dat de door­gaans met hartstochtelijke motivatie binnengekomen student binnen de kortste keren in de schaduw daarvan te­rechtkomt: ze krijgen in­structies en modellen om handige methodiektoepassers te worden in plaats van vorming en te leren voelen en inzien hoe zich, van­uit die hartstocht die er op duidt ‘iets’ voor mensen te willen bete­kenen, persoonlijk te verhouden tot onrecht, chaos of onop­losbaar leed. Het ‘per­soonlijke’ staat niet tegenover professio­naliteit maar is, dient, daarin geïntegreerd te zijn, zoniet, dan blijf je zelf altijd buiten schot, dan sta je ongevoelig erboven, op ge­paste maar koude afstand. De Hongaar Imre Ker­tész raakt de kern van waar het in alle hulpverlening op aan­komt. Hij iden­ti­fi­ceert zich uiter­aard met diens literaire au­teur­schap (en niet met hulp­verle­ners), maar de es­sentie van de boodschap wordt er niet min­der helder van. “Als het je levensdoel is”, schrijft hij en zijn werk ge­tuigt ervan, “de con­di­tion hu­maine te be­schrij­ven, moet je ook je hart openen voor de mateloze ellende die in de­ze con­dition besloten ligt.” Presentie is dus een manier van zijn en doen, die slechts verwezenlijkt kan worden met gevoel voor subtiliteit, vakmanschap, met praktische wijsheid en lief­de­vol­le trouw, en niet louter competenties. Het vereist dus een ze­ke­re maturiteit, rijping, moed om onbegaande wegen te gaan, om het uit te hou­den waar menigeen de benen neemt, maar ook om je mond open te doen als dat nodig is en soms ris­kant. Dat bedoelde Foucault met ‘parrèsia’: een vrijmoe­dig­heid van spreken omwille van de waarheid. Dan blijft het mo­gelijk te kijken met de ogen van wie aangewezen is op zorg. En opnieuw, dat staat voortdurend onder hoogspanning. In de huidige fusiegolven, het samenvoegen tot ontzagwekkende eenheden van zorgverstrekkers, steeds onder een Latijnse naam die efficiënter heten te functioneren met een nieuwer­wets jargon en gevolgd worden door zogenaamde ‘ba­lance card systemen’: daar zie je vrouwen sneuvelen die voor­tref­fe­lijke zorg leverden maar wier plekken worden ingenomen door full blown managers en zijzelf ruimen het veld, opge­brand, niet ‘van deze tijd’. Hetzelfde zie je bij al die bestuurs­organisa­ties. Waar eerst een ambtenaar zat die je werksoort door en door kende, is het nu een komen en gaan van amb­te­naren en uiteinde­lijk weet niemand meer van toeten en bla­zen. Er wordt onophou­delijk gereshuffeld, volgt er weer een nieu­we generatie van for­mu­lieren en taskforces of een pro­duc­tenboek op grond waarvan je wordt afgerekend. Zo houd je de identiteit van het werk niet over­eind. Hetzelfde zie je ten aanzien van cliënten; een diagnose is niet meer de recon­struc­tie van het eigen verhaal, maar eerder van het schudden en tril­len van een onpersoonlijk sorteerapparaat, van tests en an­de­re rekenuitkomsten. Het is allemaal al gepro­grammeerd. Het verhaal van de cliënt wordt volkomen secundair en dus gaat het om kansrijke contacten, tenminste als je nog kunt worden gerekend tot de bij elk loket behorende categorieën of ziektebeelden. Zo kunnen mensen onmogelijk nog worden ge­kend en wordt er leed toegevoegd. Institutioneel geweld, dat is het, ingebakken in de regels van het spel. En er zijn wei­nig werkers die zich van de onredelijke aspecten daarvan kun­nen distantiëren, hoogstens valt nog de opmerking: ‘sorry me­vrouw, zo zijn de regels nu eenmaal.’ In hun hart stemmen ze er mis­schien niet mee in, maar het lijkt wel of ze voortdurend in ge­sprek zijn met de targets van hun baas, de voorwaarden, de verplicht gestelde methodiek et cetera, en dus gaat de hard­­heid meedogenloos door, en dus voelen cliënten zich in de steek gelaten, niet gehoord, vernederd en verlaten.
De presentiebeoefenaar spant zich in dat leven te leren te kennen, erbij aan te sluiten en met wat eruit opborrelt (veelal pijn, verla­ting, verwaarlozing, zoals uit ons onderzoek blijkt) aan de slag te gaan zoals dat daar op dat moment, met dat kind of met die me­neer of mevrouw, in die situatie kan. Im­pro­viseren, kunnen rea­geren op wat zich aandient, kunnen wer­ken met wat voorhanden is, precies daar waar je met hart, hand en hoofd moet zijn. Maar wat zien we, wat blijkt uit on­derzoek? De dokter wenst zich niet in te spannen om begrij­pelijk te zijn en ratelt maar door, de ad­vocaat praat conse­quent tegen een ander dan tegen de Marok­kaanse mevrouw die bij hem kwam om hulp en raad, de op­bouw­werker is niet van plan zijn bijbehorend taaltje eens los te laten en ook de GGz tolt maar rond in een labyrint van termen: signalering, aanmelding, screening, specialistische diagnostiek, traject­ont­wikkeling et cetera. Je wilde hulp, maar de toegang is vrijwel onmogelijk: de helper ligt achter een berg van jargon en re­stricties en gewichtigheden. Iedereen schuldig, niemand ver­antwoordelijk. Het is het absentïsme van het werk. Wie zwak staan, lijden er het meeste onder.
De presentie in de oppositie: het is een gelovige praxis, lijn­recht tegenover de treurige praxis die ik net schetste. Onder de pre­sen­tie liggen uitgesproken opvattingen over menselijke wa­ardigheid, over gemeenschappelijkheid, over lijden en het kwaad, over het menselijke verlangen, over het geschonken karakter van de wer­ke­lijkheid, over de kostbaarheid van het leven en de bescherm­waardigheid van het zwakke. De pre­sen­tie steunt ook op tal van analyses: van onze samenleving, van instituties, van de orde van het bestaan of van de deugden die humaniteit bevorderen. Daarin ligt bijvoorbeeld ook de op­roep om oog te hebben voor de zwak­sten en de vreemdeling, om rechtvaardig en barmhartig te zijn, om jezelf los te laten en gastvrij te zijn en het heiligste te leren (her)kennen in het meest alledaagse en geringste. Dat alles is, voor wie het zien wil en voor wie het niet afstotelijk is, een fundament van de presentie. En zeer geregeld hoor ik van zorgverleners dat zij deze`taal' herkennen en waarderen en als een remedie be­schou­­wen tegen wat ze kennelijk ervaren als (toenemende) schraalheid, verdwijning, vervreemding.
De presentiebeoefening vindt weliswaar zijn grond in het buurt­­pastoraat, maar sinds het boek Een theorie van de presentie en de zeer talrijke lezingen daarover blijkt de presentie inspirerend voor vele duizenden binnen en buiten de kerk, omdat het klaar­blij­kelijk een naam geeft aan al hun eenzame gezwoeg, een rug­ge­steun – het blijkt, dat hun gelijk is verwoord, terwijl die enor­me onderlaag van voortreffelijke werkers in gezond­heids­zorg en welzijn dacht alleen te staan, geen aanzien noch stem te hebben. Velen doen hun menslievende werk in het verbor­ge­ne, vullen de werkstaten en formulieren in zoals het be­hoort, maar overtreden de regels: om het gezin in de puree, de vereenzaamde weduwe, de thuis­wo­nende psychiatrische patiënt te kunnen geven wat zij werkelijk nodig hebben, met hart en ziel voor wie ze zich verantwoordelijk weten. Maar er is ook veel botheid, hardheid, domheid en onbe­holpen schof­terigheid, soms gecombineerd met futloze desin­te­resse. ‘Ik dien mijn tijd wel uit.’ Tegelijkertijd ontglipt me de overtui­ging niet, dat we verder komen door contact te blijven met het beste dat erin zit, door virtuoze practici te beschrijven en ze als stimulerende voorbeelden naar voren te schuiven. Dat is in elk geval motiverender en aantrekkelijker dan het ver­maan (hoewel de filosoof Margalit vindt dat we het goede niet hoeven te bevor­deren maar het slechte dienen te bestrijden. Maar de inspiratie is krachtiger dan welke vorm of stijl van geweld ook).
[Afbeelding van schilderij Monica van Kleef, Vriendschap.]

Geen opmerkingen: