Pagina's

donderdag, oktober 26, 2006


De alleenspraak van Baart II
De somberheid


Gemodelleerd naar het marktmodel leidt er vanzelf toe – denk even terug aan de commerciële vennootschappen – dat de zorg vooral geïnteresseerd is in kansrijken en in de koopkrachtige hulpvraag en zich dus ook afkeert van hope­lo­ze gevallen. Moet er winst gemaakt worden, dan ga je in zee met wie dat kan en luk­ken zal, alleen dan sta je straks in de top tien van succesvolle in­stanties of ziekenhuizen. Zorg moet goed, klantvriendelijk en betaalbaar zijn, maar dat op zich heeft niets van doen met het marktdenken. In de markt gaat het om scoren, concurreren, pres­teren, om expansie, om reductie van kostenposten en risico­fac­toren. Dat is helder. Maar zorg bieden is heel wat anders, het is geen product zoals fietszadels of bonbons dat zijn en waar effi­ciënte produc­tie­lijnen waarborgen bieden voor de juiste en vaste ‘uitkomst’, voor kwaliteit en concurrerend succes. Goede zorg moet tel­kens opnieuw, in deze situatie, bij deze man, mevrouw of bij dit kind worden uitgevonden. Daar is geen ‘routeplanner’ voor en de ‘uitkomst’ staat ook lang niet altijd vast. Het pre­sentie­den­ken stelt daarom tegenover het marktmodel het mo­del van de men­selijke betrekking, de weldadige relatie die met aandacht en verstand wordt beheerd.
Achter dat marktmodel, dat doordringt in alle sectoren van zorg en welzijn, zitten geen ‘foute mensen’. Dat zou een naïe­ve en zelfs foute gedachte zijn. Maar het is een aan elkaar han­­gend geheel geworden van mechaniekjes, van in elkaar hakende func­ties, complexe ketens van verantwoor­de­lijk­he­den, van contro­lerende instanties et cetera. Het is een kluwen van zich geleidelijk maar nu razendsnel ontwikkelende krachten; het staat bol van de spanning. (Denk aan wat er deze zomer, juli 2006, gebeurt bij die reuzen van organisaties als de thuis­zorg; er is enerzijds sprake van mogelijk frauduleus ritselen met geld omdat het profijtelijk zou zijn, anderzijds zijn de te­korten zodanig opgelopen dat er een patiëntenstop wordt in­ge­steld. Het werk stagneert, zit muurvast in een zelf geweven knutselwerk.) Sociologisch verklaarbaar, maar mo­reel uit­ge­spro­ken dubieus want iedereen ziet en neemt onmid­dellijk aan dat deze kolossale fabriek ongelooflijk veel tijd aan zich­zelf moet besteden, zoals dat in elk bedrijf gaat dat trans­pa­rant wil zijn en rationeel met middelen omgaat. Al die bu­reau­cra­tische procedures zijn zo tijdrovend dat ze het eigen­lijke werk ernstig bemoeilijken, belemmeren of vertragen, een­vou­dig omdat alles volgens de logica van de organisatie zo moet.
Ik ben het eens met Annelies van Heijst: het is fantastisch dat die interventiezorg bestaat, alle uren en alle dagen per week. Stel je voor dat je nergens heen zou kunnen wanneer je tegen de muur oploopt van de pijn, dus in dat opzicht is het een ze­gen. Sterker nog, het is eigenlijk de presentiekwaliteit van de in­terventiezorg. Maar laten we ons niet vergissen of mislei­den. In veel gevallen gaat nog geen een derde van de beschik­bare en duur ingekochte tijd naar de uitvoering, naar de hulp en bijstand van mensen die er beroerd aan toe zijn. Nog treu­riger is het dat de situatie – de ‘fabriek’, de monsterfusies – het hoogst verleidelijk maakt je te distantiëren van het echte werk, de hardnekkige, soms onoplos­bare en deprimerende pro­blemen, zeker als je telkens wordt voor­gehouden dat het echte werk ‘problemen oplossen’ en verbeteren is. Geen eer te behalen aan het multiproblem-gezin, aan de chro­nisch psy­chiatrisch patiënt, de getraumatiseerde man uit Somalië of de stilletjes voor zich uitstarende demente, terwijl juist hun eer op het spel staat. Ze zijn er hoor, de werkers die niet bezwij­ken voor de verlokking te vluchten in de interne logica van de organi­satie en zich te verheffen boven de eigen besognes. Denk maar aan de ja-cultuur die Hans Becker heeft geïn­tro­duceerd, aan Doortje Kal die ruimte heeft gemaakt voor kwar­tiermaken, Detlef Petry die met zijn ongeneeslijke pa­tiënten op pad gaat, Bram Bakker die niets te veel is om de ander te bereiken of Ricus Dul­laert die indertijd achter de drugsverslaafden op de Wallen aan­ging. Maar namen noemen is ook zoiets, ja, afdoende zou zijn te wijzen op buurt- en straatpastores, de Vlaamse straathoekwerkers, de speel­tuin­werkers, de so­ciaal-verpleegkundigen die eindeloos trouw blijven omzien naar zorgmijders. Die snappen iets van de morele betekenis van tragiek en de ethische strekking van mededogen. Morele reflectie is de bron van goede zorg, natuurlijk, naast aller­lei praktische bekwaamheden en vak­kennis, maar dit alles in een bedding van een praktische wijsheid.
Meer gedetailleerd: goede zorgpraktijken zijn een geïntegreerd geheel van op de situatie van behoeftigheid afgestemde en voor die situatie ook heel passende manieren van doen en ze­ker ook van laten en maat weten te houden, van contextueel interpreteren en in één vloeiende beweging door beoordelen, van aanvoelen en anticiperen, van ernstig zijn en spanning bre­ken, van je laten zien, je rol met toewijding vervullen, van een verstandhouding opbou­wen en je ervaringen beschikbaar hebben, van je verantwoorde­lijk­heden durven nemen en te­gelijk bij de ander te laten wat van hem of haar is. Een goede praktijk vloeit dus, heeft samenhang, is een relationeel be­heerd samenspel, is gericht op welk goed er op het spel staat en is dáár ook op gericht. Dit alles is verenigd in ver­schillende soorten kennis: boekenkennis, ervaringskennis, mo­rele en exi­stentiële kennis – inzichten en ervaringen die je nodig hebt om als een goed mens zo goed mogelijk te kunnen leven. Het zal duidelijk zijn dat zulke praktijken bepaald niet hetzelfde zijn als het verrichten van allerlei instrumentele zorghan­de­lin­gen. Of er in het huidige maatschappelijke klimaat nog ruim­te zal zijn voor dergelijke prakrijken, daar rijst de twijfel, maar er is in elk geval een groot verlangen naar. Maar zie de ijzige nacht over het werk van vandaag, het moet zo’n beetje afge­lo­pen zijn met alles: met asielzoekers, met TBS-verloven, met spij­belaars, met zorg­mijders en zorgshoppers, met gebruikers van de publieke ruimte, met krom Nederlands spreken, met bui­tenlandse bruiden, met ar­beidsongeschikt zijn, met boer­ka’s op straat en wat al niet meer. Steeds meer mensen be­twij­felen of Nederland nog langer een fatsoenlijke staat mag he­ten, die sferen uit elkaar weet te houden, die persoonlijke en institutionele vernedering weet te vermijden en de groeiende wrok in bepaalde lagen van de bevolking in toom weet te hou­­den. Het klinkt hier al luid in door: presentie is niet alleen een praktische menslievende manier van doen, maar impli­ceert vooral ook een cultuurkritiek. We maken ons niet alleen sterk voor andere zorg, maar zeker ook voor waarden die almaar verder onder druk staan en waaraan een zogenaamd duf luchtje hangt, zoals barmhartigheid, mededogen, begaan-zijn en wederkerigheid. Denk vooral niet dat je slap en zwak zou zijn en geen goede resultaten zou halen als je aandachtige en vriendachtige weder­kerigheid herstelt, in plaats van au­to­ritair, paternalistisch en afstandelijk op te treden. Dan zie je meestal het omgekeerde, het werkt voor geen meter. Hard zijn en ste­vig ingrijpen, op kleine zowel op grote schaal, is zelden suc­ces­vol.

Geen opmerkingen: