
Sinds zestien maanden geen dagelijkse treinreiziger meer, geen wachten en geen observaties. Alleen de herinnering aan bijvoorbeeld ‘het perron en de morsige man’. Ik weet niet of hij alleenstaand is of ’s avonds, als over het perron weer dezelfde koude wind waait als ’s morgens, huiswaarts keert en een echtgenote op hem wacht. Hij is ruim 6o, conventioneel gekleed, rookt sigaren, leest het AD, blaast de as van zijn krant, en reist 1ste klas. Vermoedelijk hartpatiënt: dat dacht ik sinds het vroege voorjaar wanneer het al wel behaaglijk is maar de zon nog te zwak om een gezonde mens te doen transpireren. Maar vanaf dan tot de periode dat een warme sjaal en handschoenen onmisbaar zijn, blijkt de tocht van woonhuis naar station zo inspannend geweest dat hij, alvorens zijn krant tevoorschijn te halen en een sigaar op te steken, voorhoofd en hals moet droogmaken. Hij houdt er ook rekening mee want elke morgen pakt hij een schone en gestreken zakdoek, slaat die uit en wist dan het bezwete gezicht.
’s Morgens staat zijn gezicht vriendelijker dan ’s avonds. Als hij aankomt in Den Bosch en met de roltrap eenmaal boven is, wacht hij op een vrouw. Zij is niet veel jonger maar aantrekkelijk en ze zijn blij elkaar te zien. En altijd, welk ander reisdoel dan ook hen naar Den Bosch noopt, begint hun dag met koffie in het stationsrestaurant. Het is misschien wel het genoeglijkste gestolen half uur van de dag.
Er was ook steevast een ietwat sjofele heer die zo te zien alle seizoenen hetzelfde vale grijze jack draagt. Ik zag hem eerst aan voor de forens die al jarenlang hetzelfde werk- en reisritme volgt. Elke dag tegen zessen op dezelfde stoeptegel op perron 3, hij rookt een shagje en kijkt wat verveeld rond. Waar hij de kost mee verdient weet ik niet. Misschien is hij chef postbezorging, of is dat net teveel – maar in elk geval neigt hij iets meer naar ‘heer’ dan naar ‘een man om het even wat hij doet’. Hij is achter in de vijftig en heeft stijl asgrauw haar dat strak achterover gekamd eindigt in een staart, drie duim lang. Op zekere dag veranderde dit voorlopige beeld. Hij leek er niet te zijn, maar plots zag ik hem aan de overkant op perron 6. “Hij is geen forens, hij doet wat hij moet doen, maar hij komt niet voor de trein, hij is wel een beetje heer, maar nergens chef, hij komt overal op plekken waar het druk is. Hij is het type deftige thuisloze van welk er niet veel zijn en die ook onherkenbaar willen blijven.” Zo onopvallend mogelijk inspecteerde hij alle automaten, van snoep, drank en telefoon, op hopelijk vergeten muntstukken. Ik zag hem ook schielijk kijken in de afvalbakken, hetgeen gebeurt met een vluchtige indringende blik, met ogen die geoefend zijn in pijlsnel waarnemen want hij loopt er eigenlijk aan voorbij.
Andersoortige verstrooiingen zijn er ook. Op de perrons staan van die glazen wanden tegen de wind en dwars ervoor zijn aluminium schuin aflopende leunbalken gemaakt, op maat voor de billen en met gevoel kennelijk voor het menselijk verlangen. Dikwijls zie je jonge mensen in dezelfde bijna niets verhullende pose. Zij vindt alle steun tegen de balk en hij staat tussen haar benen, soms ook andersom, en zo is er steeds een opwindende nabijheid want bij vlagen kun je zien dat er bewegingen zijn in het kruis, eerst niets, dan traag maar trefzeker. Sommigen staan er alsof ze zijn vergeten waar ze zich bevinden, de buik wint het van (elk) verstand.
Elke dag op het station zie ik nagenoeg dezelfde mensen, sommigen alleen ’s morgens, anderen alleen ’s avonds. Zoals de man uit Dieren, ruw gebouwd, een vriendelijk maar zorgelijk gezicht, altijd met hetzelfde verfrommelde plastic tasje. Onwillekeurig probeer je mensen te plaatsen, ik dacht voor hem aan het type bouwvakker maar geloofde het niet. “Die gaat niet per trein, maar wordt opgehaald of gaat per brommer.”Vaak zat hij op het hoekje van een bank, hing met zijn onderarmen op de knieën en staarde naar de vloer. Op zekere dag leunde hij tegen de stationslantaarn, steevast in hetzelfde vaalgele jack en las een boek, een pocket. ‘Als ik weet wat hij leest, weet ik dan wie hij is?’ Ik draalde bij hem in de buurt, wachtend op het moment dat ik de omslag beter kon zien. Niemand zou het geloven. Hij las De dokter en het lichte meisje van Vestdijk. ‘Wie leest vandaag nog Vestdijk?’ Voor ik er erg in had, zei ik het hardop. Hij lachte. ‘Ik. Is van vroeger, mooi om weer te lezen.’ Plotseling is hij een ‘andere man’, een man niet met zorgelijke ogen, maar met een geest die nog brandt.
Of het meisje met de goddelijk mooie billen. Zelfs nu het aanmerkelijk kouder is en al zijn ze verborgen onder dikker textiel, weet ze het perron te betoveren. Het is niet alleen haar verleidelijke achterste, deze zich van heupwiegen bewuste deerne, het is ook en vooral die guitige snoet, en ze heeft een paar …, ja, dat ook. Ze arriveert dagelijks met de trein uit Roosendaal om 8.09 uur, stapt uit op perron 3b. Mijn ogen volgen haar tot ze opgaat in het grote gedrang bij de trappen naar beneden. Haar verschijning is een moment van geluk.
Het station, het zal om het even zijn welk en waar ook ter wereld, is een museum vol mooie waarnemingen. Sommige vrouwen zijn een tentoonstelling op zich. Vooral op de zonnigste dagen is het wachten op een trein vol van afleiding, vol verwondering over verschijningen zoals over de schoonheid van sommige landschappen.
Een slanke jongedame, het donkerblonde haar in een staart, blote benen en open pumps: ze is gekleed in een gebreide pull-over op een kort en wit dun-katoenen rokje. Een sexy gestalte – slechts een klein detail doet er afbreuk aan: ze draagt er een donkerkleurige string onder. Had het niet beter een witte kunnen zijn? Veel voortreffelijker is een bijna identiek beeld bij een andere jonge vrouw: gekleed in een lange broek, strak en zwart, en een licht doorschijnende bloes, geen beha. De vorm van haar kleine borsten was niet te zien maar wel haar zeer donkere tepelhoven ter grootte van een daalder. Gewaagd, maar voortreffelijk. Waar het contrast bij de een een foutje is, een slordigheid waar die ochtend even beter op gelet had kunnen worden, daar is het bij de ander een wonderlijk raffinement. Bij de een is het gedrag, bij de ander natuur. Beide vrouwen hadden een zeer knappe, serene, gezichtsuitdrukking en liepen kordaat over het perron.
Aan het eind van perron 3 stonden een man en vrouw, beiden midden dertig, bij elkaar op een manier die aanvankelijk het midden hield tussen een tête a tête en een nog veel intiemere bezigheid. Terwijl ieder voor zich langs de ander spiedde naar bewegingen op het perron, zag ik opeens de man een ogenblik door zijn knieën gaan en dan met onmiskenbaar een stoot omhoog. De panden van zijn jas trok hij nog strakker om haar heen. Zij bracht haar gezicht tegen het zijne, keek dan weer naar links en dan, als een zucht, met half open mond achterover. Ik keek op de klok: 16.54 uur. Een orgasme van enkele seconden, en nu nog 6 minuten om weer een beetje op orde te komen. Ze lachten, kusten elkaar, ze waren verlegen, trots ook.
Er kwam een man naar me toe die ik al lang ken als bedelaar. Ik wees zijn verzoek altijd af. Nooit zag ik iemand die zijn portemonnee trok. Dat hij het volhield om de andere avond weer op alle perrons op te duiken en iedere man of vrouw ongegeneerd vijftig eurocent te vragen, dat verbaasde me steeds. Maar ook verbaasde het me dat ik nooit iets wilde geven. Een paar keer dacht ik, als hij dadelijk weer langs komt dan stop ik hem toch iets toe. Maar hij kwam nooit een tweede keer. Zijn leven, zijn lijden hield mij bezig. Hoe is hij in dit verkeerde leven verzeild geraakt? Wanneer en waardoor werden de verkeerde keuzes gemaakt of was hij domweg op het verkeerde moment op de verkeerde plek? Was het onvermijdelijk geweest? Had hij iets kunnen doen, maar waarom liet hij dat na?
Hij is ongeveer 35 jaar. Lang, altijd hetzelfde gekleed maar niet ‘vies’. Heeft een manier ontwikkeld om zeer beleefd te zijn en net niet te wanhopig te kijken. Of hij drugs gebruikt, weet ik niet.
Op zekere dag was hij er weer. “Voor deze ene keer”, zei ik. Terwijl ik mijn portemonnee tevoorschijn haalde, probeerde hij van mijn zeldzame gulheid gebruik te maken.
“Het mag ook een eurootje zijn, dan ben ik eerder bij de 1.80 die ik nog nodig heb.” Ik zag meteen dat ik geen kleine munten had en gaf hem een twee-euromunt.
“Een exceptioneel moment”, zei hij en liep weg.
“Eigenlijk wel ja, maar geluk ermee.”
Een minuut of tien later werd hij door een paar stationwachters van het perron gejaagd. Maar hoe zal het over een paar dagen gaan, of volgende week? Zal hij mij passeren en denken dat het niet slim is opnieuw te vragen? Gewoon zoals altijd. Hij is een man die weg gaat, die zijn lijden aanvaardt en zolang hij niet is weggejaagd, zal hij elke man of vrouw beleefd maar vluchtig aanspreken.
Alberto Manguel (in diens Dagboek van een lezer) zat op een keer in de Parijse metro te lezen, toen een bedelaar die in elk rijtuig de gebruikelijke litanie afstak van ‘Mesdames et messieurs, het spijt me dat ik u moet lastigvallen’, plotseling de kranten die zijn gebedel moesten rechtvaardigen, neergooide en tegen ons schreeuwde: ‘Kijk naar me! Het enige dat ik van jullie wil, is dat jullie naar me kijken! Ik ben ook een mens, in ’s hemelsnaam! Kijk naar me, klootzakken, onder jullie winterjassen zijn jullie net zoals ik!’
6 opmerkingen:
Ik herken een hoop. Ik ben ook een fervente treinreiziger. Ik observeer… kijk, luister, voel, denk, lees af en toe een boek of krant, luister vrijwel nooit naar muziek want dat leidt af. Het maakt mijn andere zintuigen lui. Ik wil waarnemen, zonder oordeel, getuige zijn van deze wereld.
Prachtig Marius.
zo. ik heb lang moeten zoeken zeg hahaha ik wist dat dit logje ergens stond, ik had beter bij het begin kunnen beginnen met zoeken ipv bij het eind van 2oo6... maar goed hihi ooit ken ik de weg door je acrhief zo goed dat je mij kunt vragen waar en wanneer (dit is een grap !!!)
ik wou je iig een nummer sturen, al een tijdje geleden (we zaten hier toen in de 'zomer'vakantie) en ik kwam het mailtje laatst weer tegen en vroeg me af waarom ik je dàt nummer nou wou sturen... ik herinnerde me nog dat het iets te maken had met een log wat ik in je archief had gelezen... en nu weet ik het weer dus ! ga 'm alsnog sturen !
.
Goedenmiddag Marius,
Middag op het perron van dit huis.
De dag ligt nog vol onbekende sporen.
Perron 3 zit er niet in vandaag.
Zij was wat mistroostig vanmorgen en moet werken. 'De late' in hun vaktaal.
Vandaag wordt m'n stad overspoeld.
Zelfs de langste dag wordt ingepalmd door de commercie.
Misschien blijf ik wel in m'n eigen stationnetje.
Kijken naar treinen.
Die niet aankomen of vertrekken.
.
"Of het meisje met de goddelijk mooie billen. Zelfs nu het aanmerkelijk kouder is en al zijn ze verborgen onder dikker textiel, weet ze het perron te betoveren. Het is niet alleen haar verleidelijke achterste, deze zich van heupwiegen bewuste deerne, het is ook en vooral die guitige snoet, en ze heeft een paar …, ja, dat ook. Ze arriveert dagelijks met de trein uit Roosendaal om 8.09 uur, stapt uit op perron 3b. Mijn ogen volgen haar tot ze opgaat in het grote gedrang bij de trappen naar beneden. Haar verschijning is een moment van geluk."
Het is zondag vandaag, Marius,
en zonnig.
Ideaal weer voor 'perrongeluk'.
Dit dagboek van jou was wel erg erotisch. Inclusief orgasme.
Zo'n station nog niet gezien.
Verder dan de extase van 'in een klein stationnetje 's ochtends in de vroegte ...' een kinderliedje, ben ik niet geraakt.
En jij moest nog naar de 'Terminus'. En de pijn van het 'ontsporen'.
Uvi
... tja Uvi
Marius was/is Marius ...
Onweerlegbaar onweerstaanbaar. Een geschenk van de Goden !
Een reactie posten