Pagina's

vrijdag, oktober 27, 2006

De nog altijd moeilijk te doorgronden menselijke geest voert sinds mensenheugenis oorlogen, beraamt snode plan­nen, con­cen­treert zich op ijdelheden en trekt vreemde, dat wil zeggen uiteen­lopende en onbe­grij­pelijk vernietigende sporen in het leven. Hij worstelt met belangen, onderwerpt zich uit vrees en egoïsme, strijdt tegen de tirannie, maar wijdt zich ook aan de vereniging, aan de barmhartigheid, aan de liefde, aan kunst en nijverheid.
Eeuwen en eeuwen later, als de grootste wijsgeren uit het Ou­de Griekenland hun erfenis, waar wij nog dage­lijks uit putten, al lang in bewaring hebben weten te stellen, laat deze God een middelaar geboren worden. Het is Jezus. Een zoon van God, maar een mens onder de mensen.
Victor Hugo riep uit: Hij bestaat. Hij bestaat. Hij bestaat uit alle macht. “Wat schiet ik ermee op”, zegt André Gide, “als ik niet weet welke Hij bestaat?”

Is, of was, God een man? Daar kan men emotioneel blijkbaar geen afstand van doen. “De Heer is een gesneden beeld ge­wor­den”, zegt Manuela Kalsky, “terwijl elk beeld tekortschiet God te omschrijven – misschien zoals Paul Tillich deed, ‘God is de grond van ons bestaan’.” In HP/De Tijd deze zomer las ik een korte dialoog tussen Sandra Warmer­dam en Lida van de Water.
Sandra: “De Godin. Ze is de aarde en het universum. Ik zie de Godin in jou en in mezelf.”
Lida: “Vroeger, ver voor de Grieken en Romeinen, be­schouw­den mensen het vrouwelijke als dat wat leven geeft, als de schepping, de oorsprong. Later werd God de toornige god uit het Oude Testament, met een paus als afgezant die zegt hoe het moet. Die God is dood.”
Sandra: “Een stervende man aan een kruis spreekt toch niet meer aan? Dan is een levenverwekkende vrouw als Godin veel inspirerender.”

Geen opmerkingen: