
Eeuwen en eeuwen later, als de grootste wijsgeren uit het Oude Griekenland hun erfenis, waar wij nog dagelijks uit putten, al lang in bewaring hebben weten te stellen, laat deze God een middelaar geboren worden. Het is Jezus. Een zoon van God, maar een mens onder de mensen.
Victor Hugo riep uit: Hij bestaat. Hij bestaat. Hij bestaat uit alle macht. “Wat schiet ik ermee op”, zegt André Gide, “als ik niet weet welke Hij bestaat?”
Is, of was, God een man? Daar kan men emotioneel blijkbaar geen afstand van doen. “De Heer is een gesneden beeld geworden”, zegt Manuela Kalsky, “terwijl elk beeld tekortschiet God te omschrijven – misschien zoals Paul Tillich deed, ‘God is de grond van ons bestaan’.” In HP/De Tijd deze zomer las ik een korte dialoog tussen Sandra Warmerdam en Lida van de Water.
Sandra: “De Godin. Ze is de aarde en het universum. Ik zie de Godin in jou en in mezelf.”
Lida: “Vroeger, ver voor de Grieken en Romeinen, beschouwden mensen het vrouwelijke als dat wat leven geeft, als de schepping, de oorsprong. Later werd God de toornige god uit het Oude Testament, met een paus als afgezant die zegt hoe het moet. Die God is dood.”
Sandra: “Een stervende man aan een kruis spreekt toch niet meer aan? Dan is een levenverwekkende vrouw als Godin veel inspirerender.”
Geen opmerkingen:
Een reactie posten