
Ryszard Kapuscinski is een fenomenaal geheugen-schrijver, zo duid ik hem allereerst omdat zijn boek, dat behalve boeiende observaties bevat, een schatkist is vol gedetailleerde bijzonderheden, zonder ook maar een enkele bronvermelding en zonder ook maar ooit de gedachte op te wekken dat hij er zelf van alles heeft bij verzonnen. Hij is de authentieke bron, de bron van verbijsterende realiteiten en die is hij geworden omdat hij zich, als een van de weinigen, consequent distantieerde van de exclusieve enclaves voor journalisten uit het westen, intuïtief wetend dat je dan hooguit de illusie kon koesteren of kon voorwenden ook maar iets van de Afrikanen te snappen.
Geen bronvermeldingen dus. Maar behalve reizen en nadenken en haarfijn schrijven, moet hij ontzaglijk veel gelezen hebben. Hij noemt zo terloops ook wel een paar namen, bijvoorbeeld E. Evans-Pritchard’s monografie over de Nuer, M. Gluckman over de Zoeloes en G.T. Basden over de Ibo. “Dat waren tenminste mensen, grote antropologen, die begrepen dat er geen ‘Afrikaanse cultuur’ bestaat, maar dat de essentie van Afrika de verscheidenheid is.” Maar, zo betoogt hij verderop, in het huidige Europa, met zijn neiging tot rationele reductie en tot etiketteren, propt men alles wat Afrikaans is het liefst in één hokje en volstaat men met gemakkelijke stereotypen. “Daarom bleef ik weg van die veilige en luxueuze wijken voor reporters. Ik wilde steevast leven in een Afrikaanse stad, aan een Afrikaanse straat, in een Afrikaans huis, ook al beschouwde men iemand met zulke ideeën als volkomen getikt, als vragen om rampspoed, moeilijkheden van allerlei aard tot moord aan toe.” En het heeft hem ook ellende gebracht, malaria en hallucinaties, en voor beproevingen gesteld waar collega’s zich voor afsloten, voor behoedden en geen flauw benul van hebben, - maar evengoed denken Afrika ‘te hebben leren kennen’. Maar goed, ik hield dit vol, ondanks de plunderingen van de kamers waar ik ‘woonde’, ondanks alle andere kwellende onzekerheden en angsten, ik doorstond ze en leerde ook inzien dat diefstal zien als vernedering en bedrog een soort psychische luxe is. Ik meed dus opzettelijk de paleizen, de prominenten en dus alle opschepperij. Ik wilde met vrachtwagens meerijden, met nomaden door de woestijn trekken en bij boeren logeren in de tropische savanne.”
Afrika is zo’n gevarieerde kosmos, dat Ebbenhout eigenlijk onmogelijk is samen te vatten. Kapuscinski zegt ook dat het geen boek is over Afrika, “maar over een aantal mensen daar”, en de tijd die hij, dan hier dan daar, met hen doorbracht. Zijn observaties zijn ware ambachtelijke composities, hij schrijft vasthoudend, gegrepen, trefzeker.
[Journalist en wereldreiziger uit Polen; hij deed zijn werk onder moeilijke en vaak behoeftige omstandigheden want zijn Poolse opdrachtgever, het persagentschap PAP, betaalde hem een uiterst schraal honorarium. Het stemde hem wel eens jaloers naar collega’s maar hij bezweek niet voor de verleiding, zeker wetend dan zijn ziel verkocht te hebben aan de waan van de dag, geplooid in onbenul, in dikdoenerij, in minachting en nihilisme. Nee, hij hield zich onafhankelijk, aan een persoonlijke en professionele gedragscode om onbelemmerd en ongemanipuleerd te reflecteren over alle mogelijke informatie en invallen – met een grote passie voor het Afrikaanse continent. Kapuscinski studeerde geschiedenis in Warschau, is van 1932, en kreeg talloze oeuvreprijzen en eredoctoraten. Andere boeken zijn: Reizen met Herodotos, Lapidarium en Imperium.]
Geen opmerkingen:
Een reactie posten