Pagina's

zaterdag, oktober 28, 2006


Wat het nadenken van mensen aan vermogens wekt, weten we niet. Het is afhankelijk van wie zij zijn, van de wil en van intenties en soms is er een verborgen agenda. Het kan er op gericht zijn onachterhaalbaar kwaad te stichten of een manier te be­denken hoe goedheid is te veinzen terwijl hoofdzakelijk de eigen zakken gevuld worden. Van nature zijn we niet deugdzaam, maar het wonderlijke is dat we het wel willen worden.

We zijn nooit alleen maar deugdzaam, dan zouden we leven op alleen de top van het goede, onszelf overschatten, verwaand zijn en de eigen middelmatigheid niet kennen. Zo legt Comte-Sponville het ook uit waar hij refereert aan de eeuwenoude inzichten van Aristoteles. “Iedere deugd is een top tussen twee ondeugden: bijvoorbeeld moed tussen lafheid en overmoed of zachtmoe­dig­heid tussen woede en apathie.” En nu we eenmaal niet uitsluitend op de top leven, is nadenken over de deugden de afstand meten die ons ervan scheidt. Nadenken over het vak is een nadenken over de werkzame krachten ervan en over mijn tekortkomingen. Die bespiegelingen op zichzelf wekken nog geen deugdzaamheid; we kunnen rijk zijn aan kennis maar arm aan toewijding. Nadenken over het vak van hulpverlenen is zinvol en onmisbaar, maar het goede is niet louter voor de bespiegeling, het is iets wat we moeten doen. In het concrete doen en laten blijkt pas de moraliteit.

[A. Comte-Sponville, Kleine verhandeling over de grote deugden, Atlas]

Geen opmerkingen: