Pagina's

vrijdag, oktober 27, 2006


Ebbenhout 1

Voor mij is “Ebbenhout” een indrukwekkend en inspirerend boek van Ryszard Kapu­scinski, die ook wel de chro­ni­queur van het alledaagse Afrika wordt genoemd. Hij beschrijft daarin onder meer hoe de koloniale pe­ne­tratie, welke zich sinds de 15de eeuw gedurig uitbreidde en duurde tot in de tweede helft van de 20ste eeuw, de meest pijnlijke sporen ach­terliet in het ge­heu­gen en bewustzijn van de Afri­kaan, en “een diep in het hart geënt besef van onrecht.” De auteur herinnert ons vooral aan het schandaligste, wreedste, tijdperk: de meer dan drie­hon­derd jaar du­rende handel in Afri­kaanse slaven. “Driehonderd jaar met razzia’s, ontvoeringen, achtervol­gin­gen en hinder­la­­gen, georganiseerd door de blanken. Mil­joe­nen jonge Afri­kanen werden – onder ellendige om­stan­dig­heden, sa­mengepropt op schepen – gedeporteerd, ze staken de oce­aan over, om daar in het zweet des aanschijn de rijk­dom en macht van de Nieuwe Wereld op te bou­wen.”

De morele vraag die hier voor mij uit oprees, is of me­de in het licht van dit ogenschijnlijk ver­geten historisch per­spectief het niet volkomen legitiem is, aanvaardbaar, min­stens hoogst be­grijpelijk, dat zoveel Afrikanen uit al­ler­lei lan­den daar hier in het Westen op zogenaamd eco­­nomi­sche gron­den asiel aanvragen. Maar dat motief, zodra het helder is, wordt ongeldig ge­noemd. Velen zijn, zoals wijzelf, op door­reis, zij, terecht hopend op betere voor­­uitzichten, wor­den zonder genade teruggestuurd. “Dat zijn ge­lukzoekers.” Ze komen in de hoop hier te over­leven, in de hoop dat het hier beter is – en daarin heb­ben ze gelijk, het is hier beter, on­ein­dig veel beter dan waar ze vandaan komen, wat ze hoopvol achter zich lie­ten – maar al die verwachtingen blijken te hoog ge­span­nen. No second life. Er lijkt nergens plaats eindelijk eens een nieuw hoofd­stuk aan hun leven te kunnen toevoegen. Hen wei­ge­ren en terugsturen, na eerst een hele poos in een ‘ver­wij­dercentrum’ – een van de lelijkste en in­humane be­grippen die er be­dacht zijn, ik associeerde het altijd met een soort slacht­huis – de nodige for­mu­lieren te hebben afgewacht is, om met Louis Ferron te spreken, “als een worm in de appel van hun ver­driet”. Ik be­sef hoe mateloos in­ge­wikkeld dit is en zon­der nu te stellen dat een mens, wie dan ook, recht heeft op ge­luk, maar wat en wie zijn wij dan? Gelukzoekers.
Maar een recht op zo­iets ba­saals als rechtvaardigheid, eerlijke ver­deling, dat is er voor iedereen. Het is een recht op eerherstel voor al deze mensen die levenslang de verliezende rol lijken te moeten vervullen, hoewel Ryszard al op de eerste pagina schrijft dat “zij on­danks de vele ontberingen hun leven dragen met verba­zing­wekkende volharding en optimisme”.
Al denkt een groot deel van de mensheid er anders over – langs grote delen van de grens met Mexico komt over een lengte van ruim 1100 km een metershoog hekwerk om de geluksmigratie tegen te gaan (om maar een actueel voorbeeld te noemen van bedenkelijk protectionisme) -, ik ben ervan overtuigd dat er anders over hen geoordeeld zou kunnen worden als men zich ook maar even zou verdiepen in de geschiedenis van het Afri­kaanse continent.
“Maar dat is nu juist het punt”, schrijft Ryszard. Afrika heeft geen geschiedenis. Er zijn nergens documenten van, niets staat op papier, er is geen archief. “Afgezien van het islami­tische noorden heeft Afrika nooit een schrift gekend, de ge­schiedenis was altijd mondelinge overlevering, de legende die van mond tot mond ging, de collectieve mythe die men zon­der het te weten samen onder de mangoboom schiep, in het diepe avondlijke donker waarin alleen de trillende stemmen van de oudsten waren te horen, omdat vrouwen en kinderen aandachtig luisterden en zwegen.”

Geen opmerkingen: