
Ebbenhout 1
Voor mij is “Ebbenhout” een indrukwekkend en inspirerend boek van Ryszard Kapuscinski, die ook wel de chroniqueur van het alledaagse Afrika wordt genoemd. Hij beschrijft daarin onder meer hoe de koloniale penetratie, welke zich sinds de 15de eeuw gedurig uitbreidde en duurde tot in de tweede helft van de 20ste eeuw, de meest pijnlijke sporen achterliet in het geheugen en bewustzijn van de Afrikaan, en “een diep in het hart geënt besef van onrecht.” De auteur herinnert ons vooral aan het schandaligste, wreedste, tijdperk: de meer dan driehonderd jaar durende handel in Afrikaanse slaven. “Driehonderd jaar met razzia’s, ontvoeringen, achtervolgingen en hinderlagen, georganiseerd door de blanken. Miljoenen jonge Afrikanen werden – onder ellendige omstandigheden, samengepropt op schepen – gedeporteerd, ze staken de oceaan over, om daar in het zweet des aanschijn de rijkdom en macht van de Nieuwe Wereld op te bouwen.”
De morele vraag die hier voor mij uit oprees, is of mede in het licht van dit ogenschijnlijk vergeten historisch perspectief het niet volkomen legitiem is, aanvaardbaar, minstens hoogst begrijpelijk, dat zoveel Afrikanen uit allerlei landen daar hier in het Westen op zogenaamd economische gronden asiel aanvragen. Maar dat motief, zodra het helder is, wordt ongeldig genoemd. Velen zijn, zoals wijzelf, op doorreis, zij, terecht hopend op betere vooruitzichten, worden zonder genade teruggestuurd. “Dat zijn gelukzoekers.” Ze komen in de hoop hier te overleven, in de hoop dat het hier beter is – en daarin hebben ze gelijk, het is hier beter, oneindig veel beter dan waar ze vandaan komen, wat ze hoopvol achter zich lieten – maar al die verwachtingen blijken te hoog gespannen. No second life. Er lijkt nergens plaats eindelijk eens een nieuw hoofdstuk aan hun leven te kunnen toevoegen. Hen weigeren en terugsturen, na eerst een hele poos in een ‘verwijdercentrum’ – een van de lelijkste en inhumane begrippen die er bedacht zijn, ik associeerde het altijd met een soort slachthuis – de nodige formulieren te hebben afgewacht is, om met Louis Ferron te spreken, “als een worm in de appel van hun verdriet”. Ik besef hoe mateloos ingewikkeld dit is en zonder nu te stellen dat een mens, wie dan ook, recht heeft op geluk, maar wat en wie zijn wij dan? Gelukzoekers.
Maar een recht op zoiets basaals als rechtvaardigheid, eerlijke verdeling, dat is er voor iedereen. Het is een recht op eerherstel voor al deze mensen die levenslang de verliezende rol lijken te moeten vervullen, hoewel Ryszard al op de eerste pagina schrijft dat “zij ondanks de vele ontberingen hun leven dragen met verbazingwekkende volharding en optimisme”.
Al denkt een groot deel van de mensheid er anders over – langs grote delen van de grens met Mexico komt over een lengte van ruim 1100 km een metershoog hekwerk om de geluksmigratie tegen te gaan (om maar een actueel voorbeeld te noemen van bedenkelijk protectionisme) -, ik ben ervan overtuigd dat er anders over hen geoordeeld zou kunnen worden als men zich ook maar even zou verdiepen in de geschiedenis van het Afrikaanse continent.
“Maar dat is nu juist het punt”, schrijft Ryszard. Afrika heeft geen geschiedenis. Er zijn nergens documenten van, niets staat op papier, er is geen archief. “Afgezien van het islamitische noorden heeft Afrika nooit een schrift gekend, de geschiedenis was altijd mondelinge overlevering, de legende die van mond tot mond ging, de collectieve mythe die men zonder het te weten samen onder de mangoboom schiep, in het diepe avondlijke donker waarin alleen de trillende stemmen van de oudsten waren te horen, omdat vrouwen en kinderen aandachtig luisterden en zwegen.”
Geen opmerkingen:
Een reactie posten