Pagina's

zondag, december 31, 2006

Good morning Netherland. A new day! Are you ready? Happy New Year!
[Geplaatst op Oudjaarsavond met in gedachten morgenvroeg als de haan de enige is die zich aan de gewoonlijke tijd houdt. En morgenvroeg komt de Nieuwjaarslog, zoals meestal rond 09.30 uur. “Morningcall” by Mike Beeman.]

We bewegen in de tijd. Neem de tijd voor de ander
De zin van het leven is nergens te vinden, we moeten hem bedenken, voortbrengen, voortzeggen wellicht. Om samen te leven, op de best mogelijke manier, niet omdat het leven zin heeft, maar om wat het waard is. Als we ergens van houden, is geen enkele inspanning ons te veel. Het leven is een inspanning die de moeite waard is. Daarom willen we nadenken over hoe het lijden is te verminderen, hoe de vriendschap en de aanvaarding kunnen blijven of terugkeren. Als dat in de ‘bekommernis’ is, is dat in de relatie, in de ontmoeting. Alles zegt ons iets naargelang de liefde die we ervoor voelen.
We kijken vaak terug in ons leven, dat is te overzien, is ons bekend en veelal ook lief - die eigen geschiedenis, naar velen daarin met wie we verbonden zijn of waren, die ons door dik en dun steunen en zeker hen die we hebben moeten loslaten, die we missen maar nooit meer kwijt zullen zijn.
We kijken ook heel graag vooruit, met onze ambities, onze wensen, onze dromen. De hoop, het geloof en het vertrouwen durven dat altijd weer aan, ondanks de volstrekte onzekerheid. Die boezemt soms wel angst in, maar kan ons niet deren want het leven is de moeite waard om wat en wie we liefhebben.
Het jaar ligt nu geheel als een loper afgewikkeld. We zien wat het was, kijken vooruit en willen zien wat een nieuw jaar worden moet. I wish everybody mutual Love!

Ik bedank hartelijk al wie mij lezen! Het is heel aardig en stimulerend als er af en toe een blaadje wordt achtergelaten. Voor mij is deze weblog van grote betekenis en ik zal met genoegen het nieuwe jaar invullen, hopelijk van a tot z.
[Onbekend wie de beeldend kunstenaar is, maar dat het er om gaat dat er van je gehouden wordt, dat is vermoedelijk het verlangen van de meeste mensen, waar ook ter wereld.]

zaterdag, december 30, 2006


Drie vuurstromen

Brengen scherven geluk? Wat wordt er gezaaid in al die landen waar ik het gisteren over had?
Angst. En geoogst? Een ronduit miserabele toestand.
Ik herinner aan Mugabe van Zimbabwe, bejaard maar strak in het pak, door het Westen in de ban gedaan vanwege zijn mensonterende beleid, en al die an­dere ‘leiders’, krijgsheren, vorsten of presidenten die het aan niets ontbreekt. Al die lieden. Heersen en verkrachten, tot méér dan zich zó laten gelden zijn ze niet in staat. De grijp- en graaicultuur. Het zijn, zo denk ik althans, gewetenloze schur­ken, mensen die geen gram van deugdzaamheid kennen, niet over de kwaliteit beschikken die strookt met de waar­dig­heid die zij ontlenen aan hun hoe dan ook verworven positie. Ze wonen in paleizen en worden bewaakt als goudmijnen. Ze vragen zich niet af hoe ze hun land kunnen ontwikkelen, maar hoe ze aan de macht kunnen blijven.
Pas­cal (1623-1662), een van de grote schrijvers van het christendom: “De begeerte van het vlees of de begeerte van het oog of een hovaardig leven is het enige op aarde. Onzalige, ver­vloek­te aarde, die door deze drie vuurstromen eerder verschroeid dan bevloeid wordt.” Het zijn dus de zinnelijke lust en de heerszucht. Ze weten zich voortdurend omringd door het leger en door veiligheidsmensen omdat ze zich ook bedreigd weten. (Dat zijn ook de enigen die beloond worden opdat ze loyaal blijven.) Zou hun angst even echt zijn als het besef niet rechtvaardig te zijn?
[“Hubris”, na hoogmoed de val, by Volba Dalsich Stranek.]

vrijdag, december 29, 2006

[Een schilderij van Tetiana Gorbachenko,
speciaal voor Chrisje en voor alle liefhebbers van poezen.]
Onder dezelfde hemel

Onpeilbare ellende.
In Kenia, Darfur (een provincie in Sudan zo groot als Frankrijk), in Ethiopië, in Somalië. Wie zal al deze bedreigde mensen wan­neer eens verzadigen? Het lijden is daar verbijsterend. Het is ver van ons bed, en toch zitten we er middenin. Menselijkheid of enige genade, van wiens zijde ook, is er niet te bekennen, al­leen maar weerloze medemensen. Hier, in de Westerse cultuur, zijn we dik, krachtig en toch even broos maar dat willen we niet weten. Het ‘ik’ moet het goed hebben. An­derzijds: “Afrika’s krachten hebben Amerika gebouwd, omdat drie eeuwen lang miljoenen mensen als slaven over de Atlan­ti­sche oceaan werden gevaren”, schrijft Kapuscinski. Afrika’s krachten.
Van ‘wiens zijde’ is trouwens niet helemaal waar. Er zijn, zoals in Noord­-Kenia, veel bevlogen, inheemse, hulpverleners. Zij vervoerden dit voorjaar en de hele zomer met te weinig en verouderde vrachtwagens die om de haverklap panne hadden water naar de meest verlaten gebieden. Maar behalve de versleten trucs zijn ook de wegen erbar­melijk, dus was de aanvoer van water een logistieke nachtmerrie. Drieënhalf miljoen Kenianen, voornamelijk no­maden, werden acuut met de dood bedreigd. Een radeloos volk in meedogenloze omstandigheden. Er heerste de ergste droogte uit de geschiedenis, waarin kamelen, toch de meest geharde dieren, bijna beurtelings omvielen en stierven. Zelfs die, evenals de vele geiten en lastdieren waarvan de nomaden leven. In zo’n massale veesterfte, vee waarvan de nomaden afhankelijk zijn, is het nauwelijks voor te stellen dat het leven – dat wij nu vieren - er gewoon doorgaat, dat er kinderen worden geboren hoewel er voor hen vrijwel zeker geen toekomst is. Zij leven onder dezelfde hemel als ik, maar toch onder het dak van de hel.
[Photo by Michael Shalter, een (van de vele) slavernijmonument(en). Nog steeds worden kinderen in Afrikaanse landen als Ivoorkust en Ghana gedwongen om zonder betaling te werken op cacaoplantages; kleine bedrijfjes krijgen 30 eurocent per kg, wij betalen 8 euro per kg. Ryszard Kapuscincki, Ebbenhout, Arbeiderspers. Wat betekent het om mens te zijn? Mensheid? Menselijke waarden? Lees het prachtige boek van Felipe Fernández-Armesto, Dus jij denkt dat je een mens bent?, Bert Bakker. Over beide boeken schreef ik al eerder.]

donderdag, december 28, 2006

Marcel Jouhandeau. Een Frans romanschrijver en essayist – op een Franse website tel ik 32 titels, buiten zijn dagboeken die achtentwintig delen telt (overigens blijkt bij Portnoy dat hij meer dan tachtig titels op zijn naam heeft staan) – die decennialang in Parijs woonde en bevriend was met Cocteau, Paulhan, en ook Montherlant kende en André Gide. Hij was een intrigerende, contrastrijke persoonlijkheid, ongetwijfeld gevoed door zijn ‘dubbele natuur’, de worsteling met zijn homoseksuele neigingen (zoals ook kenmerkend voor de Amerikaanse schrijver John Cheever). Mystiek en nuchterheid, goed en kwaad, genotzucht en smart, onbarmhartige spot en inlevingsvermogen streden in hem om de voorrang.
Hij had een superieure pen. Zijn omvangrijke journaals vormen een wervelend, ernstig en humoristisch geheel, waaruit Ethel Portnoy een mooie, lezenswaardige, selectie heeft gemaakt voor de uitgave van de Arbeiderspers. Het centrale thema hierin is zijn huwelijk met de danseres Elise Apremont. Het is een van de grote slechte huwelijken, ook al hield het meer dan dertig jaar stand. Hun liefdesaffaire was hartstochtelijk geweest, tot hun seksleven abrupt eindigde toen Elise een vriendje van Jouhandeau met een mes probeerde te lijf te gaan.
Bijzonder is, dat de achtentwintig delen van de dagboeken zijn geschreven van zijn zeventigste tot zijn zevenentachtigste. Het is het werk van de ouderdom, maar volgens Ethel Portnoy is het meest opvallende ervan de jeugdigheid. “Jouhandeau werd wel rijper, maar hij veranderde niet, tot het laatst bleef hij die eeuwige optimist, onstuitbaar nieuwsgierig naar het leven, met een onverminderd vermogen om lief te hebben en verliefd te worden. Niet de eigenschappen van een oude man die zich van de wereld heeft afgewend.”
Hij genoot een uitstekende gezondheid, had een slank lichaam waar hij trots op was, en was een vroom, zij het onconventioneel, katholiek, en hij was altijd verliefd op een of andere jongeman – terwijl hij een vrij teruggetrokken leven leidde. Het ‘geheim’ zat er in dat hij tot na zijn tachtigste een maison close bezocht.
Elise. Haar karakter lijkt op het onvergetelijke beeld waarin ze de knop van een rododendron openwrikt omdat de bloei haar te langzaam te gaat … Zij maakte vaak heftige scènes en plein public, de media smulden ervan. Een eenzame, maar levendige vrouw. Sommigen zeiden tegen Jouhandeau: “vous êtes un Saint, dat u het met haar uithoudt”, maar zonder haar had zijn bestaan veel minder luister gekend. Zij voerden samen een bepaald spektakel op, ellendig zonder elkaar, maar samen des duivels. Een furie, een monster noemt hij haar. (Later begon zij haar eigen memoires te schrijven, maar van geen ervan is een vertaling.)
Zijn dagboeken zijn onthullend. Hij is een veelzijdige, bijna volledige mens en hij toont zich in al zijn tegenstrijdigheden en zwakheden. Ik heb hem gelezen als een innemend man.
Si je perdais ma bibliothèque, j'aurais toujours le métro et l'autobus. Un billet le matin, un billet le soir et je lirais les visages.If I were to lose my library, I would always have the metro and the bus. A ticket in the morning, a ticket at night and I would read the faces. - Marcel Jouhandeau
[Marcel Jouhandeau (1888-1979 en niet, zoals vermeld, 1974); Nr. 157 1989 Privé-Domein Dagboeken, Arbeiderspers. Foto door Carl van Vechten.]

woensdag, december 27, 2006

De taal, kleinood van een volk
Er zijn vele schrijvers over wie je nooit meer iemand hoort. Van velen is het werk ook niet meer verkrijgbaar, tenzij het bij toeval wordt aangetroffen in een stoffige doos ergens op een zolder die vandaag of morgen bij het heengaan van de nog enig overgebleven bewoner nieuwsgierig, als ik het was, wordt ontruimd. Nog zeldzamer zal het zijn dat de werken die ik zo in mijn gedachten heb, worden gevonden in de metershoge ‘varia’ die voor boekenkasten in antiquariaten ligt opgestapeld waardoor de boekenzaak ook op slag de naam ‘boekenzaak’ verliest, niet waardig is. Zo zijn veel antiquariaten nog slechts uitdragerswinkeltjes (vele, ook mooie, zijn ‘verhuisd’ naar internet). Niet alleen zijn de titels van die honderden opgetaste boeken dan onzichtbaar, ook de boeken daarachter, nog netjes in de kasten, zijn aan het oog onttrokken – en wie de proef op de som neemt en enkele seizoenen achtereen de winkel nog durft bezoeken – soms ga ik er welbewust naar toe, maar heb ik, bijna over de drempel, plots geen zin meer -, weet dat de stapels niet slinken en op zeker moment ongezien en onherroepelijk meegaan met het ‘oud papier’. De kans dat er werk in is beland van Jacques den Haan of Dirk de Witte of Roger van de Velde, is vele malen groter dan een van de juwelen van de Arbeiderspers, al zou ik in dit verband niet willen zeggen, ‘er is werk en er is belletrie’.– en om morgen iets te zeggen over Marcel Jouhandeau, “niet elk werkstuk is een slagveld geweest voordat het een overwinning werd”.
[Foto Antiquariaat Brabant, ’s Hertogenbosch. Overigens zou ik willen wijzen op het onderhoudende geestige Winkeldagboek van Hans Engberts & René Hesselink, Uitg. Fagel (2003), met een bijdrage van gastschrijver Wim Hazeu. Zie
www.hinderickxenwinderickx.nl]

dinsdag, december 26, 2006

Is er liefde zonder lijden? Leven zonder lijden noemen we mooi, maar
is het ook voedzaam? Al “wie mooi wil zijn, moet pijn lijden”, zei men vroeger. Dan
hebben we het nog maar over de buitenkant.
Het ene lijden is het andere niet,
maar velerlei lijden is te overwinnen.
[Afbeelding: “Love wounded” by Simeon Solomon.]

maandag, december 25, 2006

If more people looked for their similarities
than their differences,
the world would be a better place.
Christmas, every year a time of wondering.
And yes, I love the emotion of beauty, harmony and miracles.
[Afbeelding: Het blijft traditioneel, we vieren immers het leven, “Moderne Maria” door Sharon Hudson.]

zondag, december 24, 2006

Bezieling of bedwelming?

‘Levenslust’, ik schreef er al eerder over, is een begrip met grote aantrekkelijkheids­waarde, daar wil een mens graag in schuilen. De levenslustige – “ja, zo iemand zoek ik, die is sterk en biedt houvast” lees je in sommige advertenties - lijkt een beschermengel. Het is een krachtig begrip dat heel bepaalde associaties oproept, zoals ‘blijmoedigheid’, ‘Bourgondisch’, ‘veiligheid’, ‘geborgenheid in het opgewekte dat niet kan sneuvelen’, het is een troostbiedend gemoed dat ook zichtbaar is op te merken aan iemands uit­stra­ling, een emotie die sterk en blijvend is en direct als zodanig wordt herkend, - terwijl ze misschien wel een masker is waar­achter onvermoede onzekerheden of angsten schuilgaan en die met stil en ongezien, onopvallend, geweld worden onderdrukt om voor de ander die zich er zo aan vastklemt en erdoor gestreeld wordt en zich erin koesteren kan en de levenslustige daardoor in staat stelt het masker op z’n plaats te houden ‘want dat is zijn wereld, zijn houvast’, niet door de mand te vallen, om niet te tonen ‘ook maar een mens te zijn’. Wat zou dát kunnen tegen­vallen: de levenslustige die onherkenbaar wordt wanneer hij terugvalt in verdriet of matheid of hoe het tegendeel ook is te benoemen. Ik ben geen aartspessimist, maar wel ernstig van aard (en die twee worden nogal eens verward met elkaar): het lijkt een geaardheid die botst met de veel gehoorde oproep vooral opti­mis­tisch te blijven wanneer het leven tegenzit, maar een hevig opti­misme is vaak zo versluierend. (Is zij waarachtig, is zij bezieling of bedwelming, dat optimisme bedoel ik – is het werkelijkheid of illusie?)
[“The spirit-bird” van Herman Smoorenburg. De valk verwijst naar de ziel die de illusie van de alledaagse werkelijkheid van zich wil afschudden. De valk is een mannelijk zonnesymbool, een zielegids – de schelp en de maan verwijzen naar de vrouwelijke eigenschappen van ontvankelijkheid en openheid.]

zaterdag, december 23, 2006


Het onomkeerbaar eenzaamste moment
Twee dagen voor kerstmis.
Tranen van verdriet, van tevredenheid en trouw.
Hoe zij op bed lag. Mooi, ontroe­rend mooi, met haar oorspronkelijke gezicht van liefde. Hoe vreemd is de dood. Ooit moet ze heel gelukkig zijn geweest dat juist nu haar gezicht op z’n mooist lijkt te­rug­gekeerd. Zo bewees zij zichzelf, na 86 jaar, haar laatste eer. We wisten het, het drong langzaam tot ons door, we zullen haar nooit meer zien en met haar praten. Nooit meer. “Je kunt het leven, die éne enkele koetsrit, niet over­­doen wanneer het eenmaal voorbij is”, schrijft de Turkse schrijver Orhan Pamuk in De witte vesting. “Dit is het eind van het kluwen, meer zit er niet op”, zei De Montaigne.
Zonder de dood geen leven. Ooit eindigt alles. Alle vragen, alle proble­men, alle geluk.

Cremeren, nog slechts een urn vol as, gewichtloos vergeleken bij de mens die er uit gebouwd was – het is maar het lichaam, het stoffelijke, de geest is al lang elders. Wáár, dat weet men gewoonlijk niet. Is de geest bij God? Ik weet het evenmin, maar geloof vast dat de geest als het ware bij ons is komen inwonen en dat het de herinnering is waar ze verblijft. Zo herinneren wij haar in allerlei gedaanten en die ge­daanten zullen in de loop der tijd ook weer veranderen. Het geheugen is het leven. Wat zouden we zijn zonder? Chateau­briand: ‘ons bestaan zou niet méér zijn dan de opeenvolgende ogenblikken van een voortdurend wegvloeiend heden; het ver­leden zou wegvallen.’ Elk afscheid betekent de geboorte van een herinnering (Dali). Coetzee schrijft in De langzame man. “Zij in wier leven je wordt geboren gaan niet heen. Je draagt ze met je mee, zoals je hoopt dat jij zult worden meegedragen door hen die na jou komen.”
De dood is het ogenlik dat we het leven kunnen overzien omdat er niet méér van zal komen.
[IM Riet Christ-van Haaften 23.XII-2005. We gedenken haar vandaag, en petite famille, zoals we dat elk jaar weer zullen doen. Afbeelding "Gods love", van wie onbekend.]

vrijdag, december 22, 2006

Wat aan je hart ligt
Levenslust vind ik eerlijk gezegd een wat beladen term, wat overtrokken, alsof ontkend moet worden hoe de werkelijk­heid in elkaar zit. Zou ‘levensmoed’, of ‘geestkracht’, niet realistischer zijn? Of is levenslust beminnenswaardiger? Doen we ons voor zoals we werkelijk zijn? Doen wij altijd overdacht wat het beste is? So­crates: “Wie iets doet, doet het altijd ter wille van het goede.” Dat is wel heel idealistisch gedacht. Dikwijls slui­­ten denken en doen niet op elkaar aan. We doen niet, of te wei­nig, wat we werkelijk vinden. Kennen wij onszelf?
Een andere overweging: haal de woorden uit elkaar, leven en lust, en mijn eerste gedachte gaat naar de bekoringen, ingesloten in de liefde maar soms ook in donkere altijd persoonlijke en geheime mijmeringen over de gretigheid – dan is het een onstuimig begrip - maar mijn tweede voor mij overwinnende gedachte is, een afo­risme eigenlijk, is dat ‘liefde en lust de vleugels zijn van grote da­den’. Dan is levenslust denk ik een even sterk als inspirerend be­grip, in de vereniging een oase van energie, en heeft het niets weg van wens- of droombeelden. (Daarom schreef Nathan me terecht, dat levenslust liefde voor het leven is.)
Zo dacht ik toen ik tijdens een avondwandeling de maan heel kalm, in een van stilte door­trokken atmosfeer, boven een bosweide zag oprijzen, en zo denk ik nu nog.
Levenslust betekent voor mij geestkracht en dat het erom gaat wat je raakt, wat aan je hart ligt, zozeer dat het bepalend is voor je ervaringen en je perceptie van de wereld. Ik geloof dat het een regel is van Sandor Marai, ‘ik houd van het verstand dat tot het hart spreekt’.
[“Yours with heart and soul” by Stefan Blondal. Overigens, het is GlobalOrgasm-day.)]

donderdag, december 21, 2006


Definitely not a world that is ruled by ethics

In ‘de hoorn des overvloeds’, het decadente, grenzeloos con­sumerende en aan uiterlijkheden hangende Westen met veel schijnrijkdom, met televisieloterijen, alles soms volkomen langs de werkelijkheid heen, waarin iedereen streeft naar een gouden ‘cv’, waar met gemak een bootje van een ton wordt gefinan­cierd – André Gide zou zeggen, “ingegraven in het materialisme als een zwijn in een modderpoel” -, met zijn bloedeloze ethiek van de winst, is veel ellende en ach­terstand, maar zó de zweep over het leven, zoals in Darfur, dat kennen wij niet. Neen, “het dikke-ik neemt wat het nodig denkt te hebben, en dat is heel wat”, schrijft Harry Kunneman. Natuurlijk is dit mondaine Westen “geen wereld waar het leven goed is”, schrijft Möring. “Ook hier zijn ziektes, hier is verdriet, hier zijn bedrog en duisternis en pijn en misdaad. Maar het geld verbergt dat allemaal. Hier lijken vooral bezit en aanzien te tellen, en aanzien verkrijgt men hier vooral door wat men be­zit en schijnt te zijn.”
[Marcel Möring (2006), Lijdenslust, p. 69. Het ge­noemde dikke-ik is van prof. dr. Harry Kunne­man: Voorbij het dikke-ik. Bouwstenen voor een kritisch humanisme, SWP 2005. Afbeelding: “wise man”, een beeld van anti-individualistisch (leren) denken –
www.websophia.com.]

woensdag, december 20, 2006

De hel van Dante of het hart van het kwaad

De hoorn van Afrika is dit jaar, vanaf het voorjaar, opnieuw bedreigd door een hu­ma­ni­taire ramp wegens langdurige extreme droogte. De Hoorn is een schiereiland aan de uiterste oostpunt van Afrika, waar de Rode Zee uitmondt in de Indische Oceaan. In dit gebied liggen de staten Ethiopië, Kenia, Somalië, Eritrea en Djibouti en de aarde lijkt hier een onafzienbare vruchte­lo­ze woestijn. Regen van betekenis valt er al twee jaar niet meer en vooral de 1,5 mil­joen kinderen beneden de vijf jaar lij­den aan ondervoeding en ernstige ziektes. Beelden benemen je de adem. (Maar ‘hier’: we zijn in staat ze binnen een mi­nuut te vergeten.) Het is er eigenlijk een levend kerkhof, maar niemand kiest waar hij wordt geboren.
De droogte heeft geleid tot sterfte onder het vee, het misluk­ken van oogsten en het opdrogen van waterbronnen. Door­dat het vee doodgaat en er niet geoogst kan worden, neemt de ondervoeding bij kinderen alleen maar toe. Daarnaast vormt mazelen een grote bedreiging. In het getroffen gebied is het aantal tegen mazelen in­geënte kinderen laag en deze ziekte kan dodelijke gevolgen heb­ben voor kinderen die al door ondervoeding verzwakt zijn.
De mensen zijn er thans nog onverminderd slecht aan toe. Deze week hebben hulporganisaties om veiligheidsredenen (banditisme en ander direct geweld) meer dan 250 hulpverleners uit vijf districten van Darfur teruggetrokken.
[Persfoto Darfur – Weekly.ahram.org.eg. We wijzen het vaak af, ‘Oh, het bekende tafereel uit Afrika, die plaatjes zie ik al mijn hele leven.’ Precies. Ik weet het ook niet, maar dit is onze wereld.]

dinsdag, december 19, 2006

Elke weg is goed, als die maar een hart heeft ….
Alle dagen doen we zonder enig nadenken deuren open en dicht. (Doe je dit bijvoorbeeld vijf keer per dag en ben je 50 jaar, dan heb je dat, geteld vanaf je 45ste, al ruim tweeën­tach­tig­dui­zend keer gedaan.) De virtuele deuren binnen onszelf kunnen eveneens open en dicht. Nieuws­gierigheid, ambitie, moed, reflectie, compassie, vertrouwen, humor, geraakt of ont­roerd zijn kloppen er aan, soms is het de overmoed of naïviteit. Achterdocht, kwetsuren, ver­ne­dering, vrees en antipathie houden hem angstvallig dicht – met lijden, isolement en on­aan­raakbaarheid als onwrikbaar slot, en daarbinnen een loshangende of moeilijk vindbare sleutel van verlangen. Het moeilijke is dat de twee deuren op een geheimzinnige wijze verbonden zijn. ‘Volg je hart.’ ‘Gebruik je verstand.’ ‘Mijn intuïtie zegt …’ ‘Laat je hart spreken.’ ‘Strijk over je hart.’ ‘Heb het hart niet dat je het doet.’ ‘Wat haal je je in je hersens?’ ‘Kom bij zinnen!’ 'Wat bezielt je toch?'
Soms dien je hart en verstand te scheiden, heel soms het verstand op nul. Hoe luister je naar je hart? Wat voel je? Is het betrokkenheid. Begeerte? Een schot in de roos? Soms betreur je het je verstand niet even geraadpleegd te hebben. ‘Impulsief’ ligt aan je hart?
[‘Elke weg is goed, als die maar een hart heeft’, is meen ik een regel van Carlos Castaneda (1925-1998), een Amerikaanse schrijver van Peruviaanse afkomst. Als die weg ‘maar een hart heeft’, is het dan ook niet zo dat gevoelens en gedachten zijn samengevallen? Afbeelding: “Mental door” by Misha Godrin.]

maandag, december 18, 2006


Ode aan de Tereza’s van deze tijd
(A Short Memorie, 1994.) Op het postkantoor stond een korte rij voor het loket. Voor mij stond een jonge slanke vrouw. Sober gekleed. Haar wat bleke gezicht, omrand met lang zwart haar, had een stille, een droevige maar niet hopeloze uitstraling. Ze had de armen over elkaar en in haar rechterhand hield ze tussen duim en vingers een brief. In een mooi bijna gepenseeld handschrift kon ik zien dat de brief geadresseerd was aan mensen in Sarajevo.
“I’m deeply sorry what’s happening over there, in Bosnia. What a terrible war.” “Why do you say this?”, vroeg ze met zachte stem. “I saw a part of the address on that letter in your hand and, quite impulsive, I wanted to say something.”
“It’s a letter to my family, but I don’t know whether they live or ….” “What an awful fear.” “Yes. They fight only for the status quo, but actually there never is a status quo, except in the minds of political imbeciles.” Ze wilde nog wat zeggen, maar de juffrouw achter het loket tikte met de pen tegen de ruit. ‘Where is the democratic spirit’, dacht ik. ‘Where are the leaders?’ Toen ze klaar was en zich omdraaide om de kleine hal te verlaten, keken we elkaar aan. “Thank you” – en ze wilde doorlopen. “Please, wait a moment.” Een paar seconden tederheid. De juffrouw achter het loket keek me met een ongeduldige blik aan, haar ogen zeiden, ‘schiet op, ik heb pauze’. Terwijl ze mijn papieren van het zwarte loketlaatje griste, keek ik om. Ze stond bij de uitgang. Gelukkig, ze wachtte.
Ze heet Tereza en is Kroatische. Haar Servische vriend is soldaat en heeft ze al een jaar niet meer gezien. Ze wil hem vergeten. Vroeger speelde de etnische afkomst geen enkele rol, maar nu – en nu nog – is het allesbepalend. Haar liefste en trouwste vriendin, behorend tot de moslims, was voor de ogen van haar moeder verkracht en vermoord, - by Servians. Onvergefelijk. Vorig jaar december is ze gevlucht. Samen met haar familie woonde ze in Dubrovnik, waar haar ouders een hotel hadden en waar iedereen zich elke zomer het lazarus had gewerkt. Het hotel is verwoest. Haar twee broers zijn gesneuveld en haar ouders wonen nu bij familie in Sarajevo. Tereza wilde dat niet.
Na een bange, hongerige tocht wist zij een schipper te overreden haar mee te nemen en zo bereikte ze enkele dagen later Italië. Met een Duitse familie reisde zij naar Keulen en van daaruit had ze contact opgenomen met familie in Nijmegen. Ze voelt zich daar echter niet veilig omdat haar neef steeds avances maakt zodra diens vrouw even niet in de buurt is. Daarom vertrekt ze overmorgen naar de broer van haar moeder. Die heeft een hotel in Frankfurt.
“You’ve lost a whole social world.” “Yes.” “I can see it in your eyes. Don’t think you’re hiding yourself for the war, you’re looking for a new perspective. You are strong.” “Maybe.” “Goodbye Tereza. I wish you love and wisdom.” Voor het eerst in dit kleine uur keek ze gelukkig. Een paar seconden. Toen namen we afscheid.
[Een ode aan de Tereza’s is een ode aan alle ontheemden. “Memories” by Robert Dowling.]

zondag, december 17, 2006

Een meisjesgeschiedenis, la tristesse
Het boekje waarvan ik op 26 oktober een korte impressie gaf, zal in de tweede helft van januari 2007 verschijnen. Evenals Roemeens decor - de vier vertellingen van Frans Brinkman - uitgegeven door Cabinet Cuvinte, - dat vertaald kan worden, zo begreep ik, als 'kantoor van papier', maar Cuvinte, klinkt dat niet als 'met de wind mee'? Geen onheilspellende klank, maar vertrouwd. Het komt op ons toe.
Liefde in een spoor van wanklanken, een mooie uitgave (wordt het) in het formaat van 13 x 20 en met een door Rob Groot verzorgd omslag van de Groningse beeldend kunstenaar Lammert Boerma.
[Litho "Met de wind mee" van Leo Bloeme.]

Ledigheid is de vijand van de ziel


Voor de heilige Benedictus is het klooster een school om de Heer te dienen. De monnik die niets dierbaarders heeft dan Christus en die met volle geestdrift van zijn ziel … hij leert in de liturgie, in het broederlijke leven en in de handenarbeid God te zoeken. Als we zien in hoeveel gedaanten en met hoeveel overgave de mens het leven dient en vormgeeft, gaat het de macht van de mens te boven te bepalen of er één zou zijn die de ware is.
[Beeldhouwer-monnik (Benedictijn) in de Abdij Saint-Joseph de Clerval in Flavigny-sur-Ozerais.]

zaterdag, december 16, 2006


Op doorreis

In het gedicht van gisteren houdt zich een deel van mijn werkelijkheid schuil. De onwetendheid en de onmacht soms om met een last om te gaan en daarin anderen niet teveel tot last te zijn. Beeld en toon zijn wat treurig, maar het is ook meditatie en een roep naar mijzelf, ‘verlos je uit het gevang’. Ik moet nog een paar straten om lopen en kom er wel uit. ('De langste reis is de reis naar binnen', Dag Hammarskjöld.)
[Schilderij: “Moment perdu” van Marko Klomp.]

vrijdag, december 15, 2006

Bewustwording ...

Ik loop door een straat, er is een diep gat in het trottoir.
Ik val erin en zeg tegen mezelf: “Ik ben verloren … maar het is mijn schuld niet”,
en het duurt heel lang voor ik eruit ben.

Ik loop door dezelfde straat met dat diepe gat in het trottoir.
Ik doe alsof ik het niet zie en ik val er weer in.
Ik kan niet geloven dat dit me weer gebeurt en ik zeg: “Het is mijn schuld niet …”,
en het duurt nog lang voordat ik eruit ben.

Ik loop door dezelfde straat met dat diepe gat in het trottoir.
Ik zie dat het er is en ik val er weer in … Het is een gewoonte,
mijn ogen zijn open, ik weet waar ik ben, en ik zeg: “Het is mijn schuld.”
Ik kom er direct weer uit.

Ik loop door dezelfde straat met dat diepe gat in het trottoir,
ik loop eromheen.

Ik loop door een andere straat.

[Bron: Sogyal Rinpoche, Het Tibetaanse Boek van Leven en Sterven. ‘Mijn les’ eruit is, dat de straat, het gat er in en het eindelijk er omheen lopen een metafoor is voor elk ander persoonlijk fenomeen, bijvoorbeeld hoe je kunt omgaan met emoties waartegen je steeds aanloopt. Los van alles een fraaie afbeelding van Buddha door Coert Eckhardt.]

donderdag, december 14, 2006

Het menselijke oordeel
Pinochet is dood en op een geheime plaats gecremeerd. José Zalaquett, een bekende mensenrechtenadvocaat in The New York Times: “The humiliation Pinochet has gone through is probably a better outcome than any trial could have achieved.” En in Le Monde werd gewezen op de symboliek van de overlijdensdag, 10 december: de Internationale Dag van de Mensenrechten. Behalve het kwade geweten achter ontvoeringen, martelingen en het vermoorden van critici bleek (pas) in 2004 dat hij vele miljoenen dollars naar buitenlandse rekeningen had doorgesluisd. Pinochet, die zelf ooit in een interview heeft gezegd dat “De geschiedenis leert dat het altijd slecht afloopt met dictators”, zag ik onlangs als 91-jarige man gegriefd en verontwaardigd de camera inkijkend nog van zich afbijten: “Hoe durft men te denken dat ik me heb verrijkt. Ik ben in de eerste plaats Christen.” Deze buitelingen in het bewustzijn lijken me merkwaardig zelfvervreemdend, zielig, tragisch en menselijk tegelijk.
(Gelezen op Focus on Jerusalem: To the inquisitor who asks, “Why does God allow evil?”. I suggest the following question: “Are you not a participant in evil?” Wouldn't God need to destroy all of us to allay the evil that lurks just beneath our own facade?)
[“Angst en vervreemding” door Jeroen Brugman.]

woensdag, december 13, 2006

Een anekdote. Haar deugd met veel wijn opgewarmd
Ergens in Bretagne woonde een weduwe. Zij was van goede huize, gastvrij maar ook gereserveerd, rijk en kuis van naam, - maar ook een onweerstaanbare dame, nooit uitdagend en toch hoogst verleidelijk. Ze beheerde met verve de haar nagelaten boerderij. Tot haar verwondering ontdekte ze op zekere dag de eerste tekenen van zwangerschap. Tegen de buurvrouwen in het Franse gehucht zei ze dat als ze een man zou hebben ze zeker zou denken zwanger te zijn. Dat leek wel slim, maar het was moeilijk vol te houden naarmate haar almaar boller wordende buik onmiskenbaar duidde op zwangerschap. Er was roddel en achterklap, wie haar zag, wendde zich van haar af en deed alsof Claire Lampaul niet was gezien.
Er was geen twijfel meer mogelijk. Haar schoonheid werd opnieuw gevormd. Op zondagmorgen liet ze daarom in de kerk na de preek omroepen dat ze beloofde vergeving te schenken aan de man die haar in deze staat had gebracht en met hem te trouwen als hij daarmee instemde. Iedereen keek haar aan. Zij bloosde, hield de handen gevouwen over haar buik en bleef roerloos afwachten of deze onverwachte bekendmaking een dapper mens deed opstaan. En ja, een knecht die bij haar op het land werkte, vatte moed, stond op en verklaarde, nauwelijks zijn schuchterheid overwinnend terwijl hij met beide handen een versleten pet voor zijn kruis hield, dat hij deze vrouw, Claire-Marie Lampaul de Corneillan, op een feestdag, toen zij zich rijkelijk te goed had gedaan aan de wijn, bij de haard had aangetroffen. Zij was verzwolgen door de wijn en lag in zo’n aanstootgevende houding dat hij haar had kunnen nemen zonder haar uit de diepe slaap te wekken.
En zij leefden nog lang en gelukkig.
[Uit de 16de eeuw, verteld naar Michel de Montaigne. Het schilderij is van Gerard Staals.]

dinsdag, december 12, 2006

Religie is een mogelijkheid, geen voorwaarde om tot goed leven te komen

“Zoals geloven beminnen is, zo is beminnen bidden.” Het is van Antoine Bodar, een motto naar m’n hart want ik heb steeds gezegd dat bidden vaak zo smal, zo letterlijk, wordt verstaan, terwijl het een uitdrukking is van je levenshouding. Het staat bij Bodar weliswaar in één zin, maar het zijn twee statements die niet noodzakelijk verbonden zijn. Ik respecteer het atheïsme van een vriend – en hoewel ik hem allerminst in verband wil brengen met de bezorger vandaag van het motto – maar als ik zie hoe hij leeft, zie ik een gelovige houding, een bewogen en nadenkend mens, het kaf van het koren scheidend, als iemand met een sterke moraal. Zeggen ongelovig te zijn, zegt niets over deugdzaamheid. Atheïsten hebben niet een verkeerd of vijandelijk mensbeeld, of een levensvisie die ‘gecorrigeerd’ moet worden. Er bestaat over en weer geen 'verklaring van dwaasheid'.
[“Faith in a world of connections” by Anthony Kelly.]

maandag, december 11, 2006

Chaos versus orde
Terwijl ik naar waarheid kan zeggen te zijn opgegroeid in een ordelijk en conservatief milieu, is het in mijn kabinet – het geheugen, de kast waarin de verhalen over mijn leven liggen opgeborgen – soms een ware wanorde. Wanneer ik terugdenk aan de tientallen laatjes waarin alles wordt bewaard of het waag een ervan open te trekken, spreekt er eerder verwarring uit dan harmonie, eerder innerlijke eenzaamheid dan zorgeloosheid en geluk. Had ik steeds de juiste keuzes gemaakt? Was het niet weer vaak te laat deze te herzien? Was er altijd samenhang? Trok ik altijd de juiste lessen uit vergissingen? Hoe vaak hebben valkuilen zich niet herhaald? Dwaalwegen en doodlopende stegen genoeg. (Het is dus niet zo dat bij ‘normale’ mensen alles op orde is en bij daklozen een en al wanorde.) Ik voelde me dikwijls gevangen tussen de veel hardere realiteit en de meer romantische voorstellingen van het leven, tussen een niet begrijpen van menselijk gedrag en de wens overal waar ik hardheid of onrecht bespeurde tussenbeide te komen, soms in daden, vaker in het stille schrift van woordelijk verzet.
[Tree of memories, sort of collage, I suppose – painter unknown.]

zondag, december 10, 2006

De optocht
Dit is nu een schilderij waar ik het liefst op een bankje ervoor ga zitten, stil zijn, kijken, de tijd nemen, de tijd die lijkt stil te staan, nadenken over de mensen die de schilder in zijn werk heeft samengebracht. Het lijkt een bijna anonieme wereld, over mensen die moeilijk zijn thuis te brengen. Ze horen wel bij elkaar, al die mensen, maar of het een feestelijkheid is of droevigheid die zij vieren, ik weet het niet. Vandaag de dag zou die ene trom mogelijk doen denken aan een stille tocht, maar het lijkt een verhaal uit een ver verleden, over afwezige, op elkaar lijkende, eenzame, en ook onwerkelijke mensen. Toch gaat het over ons, het is van een van ons. In rudimentaire gestalten de verbeelding van een stoet mensen, in een prachtige ongebruikelijke kleurzetting, een die velen vermoedelijk te neerslachtig van toon zullen vinden, maar ik zou het doek hier een goede plaats geven.

[“De optocht” van Roland Devolder. 10 december: de dag van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, 1948 – 2006.]

zaterdag, december 09, 2006

Het onbenijdenswaardige bestaan V
Zolang lichamelijke en psychische gezondheid op peil blijven, is er – zo denken velen - niets aan de hand en lijkt er levenslang garantie op een onkwetsbaar, glansrijk bestaan. Wanneer de eisen in persoonlijk of maatschappelijk opzicht te complex worden of wanneer de ogenschijnlijke vanzelfsprekendheid over het geordende leven doorbroken wordt, veelal pas dan verandert dat ‘imago van perfectie’. Grote of onverwachte tegenslag, thuis of op het werk, leidt wel vaak (in tijd meestal te overzien) tot ‘moeite met leven’, maar heeft relatief zelden die fatale afloop zoals thuislozen dat hebben ondervonden.
Het leven van de meeste mensen wordt gekenmerkt door een zekere continuïteit: er zit een lijn in van verleden naar toekomst, het verschaft ons veiligheid en het biedt ons de mogelijkheid naar eigen keuze te handelen. Wie zich verplaatst in de omstandigheden van dak- en thuislozen, weet dat hun levens alleen maar discontinuïteit kennen, oponthoud, geen veiligheid en allerminst vrijheid, maar juist een grote en vreeswekkende mate van afhankelijkheid en kwetsbaarheid. De ernst van het verlies van eigen territoria kan alleen tot ons doordringen in het besef hoe groot en centraal het belang is dat ieder mens eraan hecht. Hoe lang kunnen we het zonder eigen huiselijke sfeer stellen, koffie noch boeken of om het even wat dat voor ons van waarde is binnen handbereik en dagelijks schone kleren? Hoe lang houden we het vol zonder het besef dat er op je wordt gerekend? We zitten hier behaaglijk binnen en denken we dan niet met angst en beven aan hen die noodgedwongen buiten zijn? Op zwerftocht door weer en wind omdat ze zoveel tegen wil en dank verbruid hebben – direct in het oog, soms buiten het zicht van lantaarnpalen, onvindbaar, als verloren schoonheid.
[Afbeelding: scène uit de onvergetelijke film Les amants de Pont-Neuf, 1991, geregisseerd door Leon Carax. Een schitterende, ontroerende en levensechte weergave van het thuislozenbestaan. Niet romantisch, maar rauw neergezet zoals de werkelijkheid van het leven in de marge is. Wantrouwen, eenzaamheid, angst, eigenbelang.]

vrijdag, december 08, 2006

Het onbenijdenswaardige bestaan IV
Het hebben van persoonlijke relaties (niet noodzakelijkerwijs een vaste partner, al is dat voor vrijwel elke dakloze een van de idealen die hij koestert) leert ons niet alleen onze afhankelijkheid ervan, maar ook het verschil met andere relaties, het leert ons hoe relaties te onderhouden en het zegt iets over onze plaats in een sociaal verband, onze gehechtheid eraan.
Het hebben van een huis betekent niet slechts de waarborg van onderdak, maar voorziet ons in een onmisbaar privé-domein dat we zorgvuldig moeten beheren (en verdedigen). Het hebben van een baan of het volgen van een opleiding reguleert ons dagelijks leven, geeft er (naast hobby’s) inhoud aan en perspectief. Het ‘hebben’ van deze territoria vormt onze identiteit, appelleert aan onze verantwoordelijkheid en is in de meeste gevallen ook bepalend voor de zingeving aan ons bestaan. Territoria zijn ons bestaan (een mooi begrip, territoria, zo’n twintig jaar geleden geïntroduceerd en uitgewerkt door Paul Heydendael). Wanneer we voor niemand en nergens meer nodig zijn, valt niet alleen elke ordening weg, maar verdwijnen identiteit, zingeving en toekomst in het niets.
Alles dat met het beschikken over territoria ‘gegeven’ lijkt, verdwijnt als sneeuw voor de zon wanneer men ze verliest. Het verlies stuurt alles in de war. Men is niet alleen de persoonlijke ambitie of betekenisgeving aan het eigen leven kwijt, maar ook de zorg voor dit eigen leven, en de hulpverlening weet er evenmin nog raad mee. “Dat tekent de discontinuïteit en bedreigt in hoge mate de identiteit”, zegt Heydendael. Het meest ernstige is dat er geen anderen meer zijn met wie hij wezenlijk deelt. In dat opzicht is de thuisloze man of vrouw een woestijn in zichzelf.
[Schilderij “Verantwoordelijkheid, verbondenheid en zingeving” van Koen Lemmens.]

Het onbenijdenswaardige bestaan III

Wat bindt mij aan thuislozen? Het is een identiteitsvraag waarbij het gaat om een begrip van ‘wie’ ik ben en waarin – immers, wat mij bindt – zowel ik en de ander een plaats hebben.
Wat mij bindt, is niet zomaar af te doen met ‘het oog op het menselijke’ of met ‘solidair willen zijn met kwetsbare mensen’. Het is deels misschien een raadsel, dat te maken heeft met natuurlijke aanleg, gerichtheid of interesse in de psychologie van het leven. Waarom was het niet de techniek, de kunst, de handel of de politiek? Maar de basale gerichtheid en ontwikkeling zal ook gevoed zijn door biografische ervaringen van de eigen kwetsbaarheid en waarvan (later) is ingezien dat deze evengoed tot de normaliteit van het leven behoort als begrippen die daar schijnbaar tegenover staan, zoals gezondheid, kracht en succes. Neem ik het, door het blijvend op te nemen voor kwetsbare mensen, ook voor mezelf op?
Wat mij aan hen gehouden heeft, is de (h)erkenning van de (innerlijke) strijd om een bondgenootschap tussen ‘ik en de ander’ die zo wezenlijk is voor de ontwikkeling en het behoud van een eigen bestaan dat ik me er niet meer van kan afwenden. Bij veel thuislozen is deze strijd op dramatische wijze in het geding en ik geloof dat wat mij aan hen bindt, is te omschrijven als een niet te herroepen delen in de strijd om de essenties van het bestaan.
[Schilderij “Eenzaamheid” van Salman Al-Basri.]

donderdag, december 07, 2006


Van het donker naar het licht
Alhoewel vaak wordt gezegd, dat we fantasie en werke­lijk­heid niet met elkaar dienen te verwarren, betekent de fan­tasie toch soms de hunkering naar een bepaalde wer­ke­lijkheid. De heimelijkheid van een verlangen wordt daar­om mogelijk wel eens ten onrechte gezien als de onschuld van de fantasie. Dat niet­te­min, als verweer, wordt volgehouden dat het slechts fantasie is, komt door het taboe op openhartigheid over men­se­lijke begeerten. Alles dat wij ons op dit kleine maar overal doordringende vlak verbeelden, is de uitdruk­king van een verlangen; we weten echter - en mis­schien is dat een gelukkig feit - dat vele verlangens niet te vervullen zijn. En zelfs dit, som­mige verlangens laten we het liefst onvervuld, omdat we niet weten of een bepaald ver­lan­gen uiteindelijk toch niet alleen toebehoort aan de geest. Misschien is het een kwestie van in­nerlijke vrijheid, ande­ren zullen denken, het is een kwestie van hygiëne, van in­nerlijke beschaving en dat alle zondige gedachten moeten worden onderdrukt. Het seksuele deel van ons bestaan blijft vaak een en al geheimzinnig­heid. (Maar over de betekenis van de verstrooiing is nog lang niet alles gezegd, en allerminst over het grote belang van de fantasie, de verbeelding.)
[“The living memory” by Marica Tanphaichitr]

woensdag, december 06, 2006

Het onbenijdenswaardige bestaan II
Toekomst in troebele waas. Wanorde op zich is nauwelijks een maat. Sommige mensen wonen in een huis waar het een janboel is en toch aangenaam, waar de zichtbare slordigheid niet een uitdrukking is van een eigen ondoordringbare chaos. Bij anderen lijkt de werkkamer op een verzameling achteloos neergesmeten paperassen, terwijl dat niets zegt over de mate van helderheid en doelmatigheid waarmee de ‘bewoner’ zijn of haar werk doet. Sommige wanorde is kennelijk functioneel en authentiek. Bij thuislozen is die niet functioneel, maar ondermijnend geworden. Ik schreef hier al eerder … in de ziel van een mens, daar is dus de wanorde te situeren, als een groot innerlijk letsel waardoor de mens niet meer kan participeren, het gewicht van dit letsel is er te zwaar voor. Zoals het iemand vanwege het gewicht van zijn lichaam onmogelijk kan zijn om bij een ernstig beenletsel meteen weer te gaan lopen.
[Schilderij “Homeless” by Colin Harbut.]

dinsdag, december 05, 2006


Warmhartige aandacht
Niets is zo onverdraaglijk als de verlatenheid, de onmacht, de wanhoop, de verveling, het ontbreken van hartstocht, afleiding, betrokkenheid, beroofd van zinnen, versteend van verdriet.
Ik moet denken aan een regel bij Montaigne: “Geen enkele wind waait gunstig voor de schipper die geen haven van bestemming heeft.” Horatius meent “dat rede en wijsheid onze zorgen wegnemen, niet het huis aan zee met een wijds uitzicht.” Mooie, maar in deze context ‘gezochte wijsheden’. We weten dat niemand zichzelf kan ontvluchten, ook al zoeken mensen soms in verre landen wat ze in hun hart kunnen vinden. We weten wat zorg en begrip verdient, aandacht en troost, dat vooral.
[Schilderij van Hans Leiendecker, De troost.]

maandag, december 04, 2006


Het onbenijdenswaardige bestaan I
Woorden als daklozen, thuislozen of zwervers worden vrijwel meteen geassocieerd met de zelfkant van de samenleving: met tragiek, eenzaamheid, vernedering, heimwee, uitsluiting, verloren of hulpeloosheid en vrijwel nooit met er tegenoverliggende begrippen als vrijheid, eigen keuze, nodig zijn, erkenning, humor of redzaamheid – ofschoon die ene er (soms) uitspringt: humor. Het contrast wordt scherper wanneer we ons realiseren welke betekenissen het woord ‘thuis’ heeft: veiligheid, geborgenheid, warmte, privacy, ‘my home is my castle’ – veel thuislozen koesteren het, soms, als een droom die hen heilig is: “Op zekere dag heb ik weer een huis, a place that opens with a key.” De tragiek is echter voor zeer velen dat op die dag hun omvattende verlies pas echt wordt onderstreept en zij er vaak weer gauw vandaan gaan want de verlatenheid blijft hen parten spelen, de onderliggende verlangens onaangeroerd. Dat onuitgesproken diep gewortelde verdriet gaat mij aan het hart.
Het is vooral de bestaanswanorde die opvalt, die desoriënteert, en meestal zo omvangrijk is dat het moeilijk wordt de in jaren ontstane chaos om te zetten in orde. Was het maar zoals de wanorde op de zolder van een huis – maar het is in de ziel van een mens en in de structuur van diens leven dat is losgeraakt van een groter weefsel en dus weinig samenhang meer kent. Sociale samenhang is echter een bestaansnoodzaak.
[Schilderij “Homeless” by Gerdal Kominik.]
De psychiater en ik
“Dat zware hoofd, die pijnlijke nek, kun je het beschrijven? Een soort loden last?”
“Als je de pijn voelt van een loden last, misschien is het dat. Ik dacht zelf aan een volledig met touwen ingesnoerd zitten, geen kant meer op kunnen.”
“Jij bent vrij, dat kan het toch niet zijn.”
“Het is ook niet het beeld van vastgebonden zijn, maar de pijn die het doet vastgebonden te zijn.”
“En dat continu?”
“Hmm. En misschien ook het weten niet meer verlost te worden.”
“Ik kan je geen andere nek geven, geen nek zonder schroeven, maar je kunt hier wel terecht! Zo lang je wilt.”
[Schilderij “De genade” van Cornelis Monsma.]

zondag, december 03, 2006

God schiep de moeder omdat hij niet overál kan zijn

Elk jaar nadert de wintermorgen
van de diepste stilte,
die van droefenis is gebouwd.

Het zwijgende en aan ieders oog
onttrokken afscheid en het donkere gestommel
dat haar het huis doet verlaten.

Geen laatste woord is
haar gegund, nog warm van de slaap
verlaat zij geschrokken kinderharten.

Die vroege wintermorgen is nooit
verdwenen, altijd trappelt hij van het koudste
en meest duistere onbegrip.

We weten waar in moeders aarde
zij is geborgen, maar hier, dicht bij ons
mensenhart, daar, in die stilte is zij gebleven.

[ IM Mimi Nuy-Sterenberg 3.XII.1972 -“Mother Earth” van Johanna Leipold.]

zaterdag, december 02, 2006

“Ziedaar uw broeder”
Jezus, de Zoon van God, zei: “de Vader en ik zijn Een”. Dat betekent niet dat beiden Dezelfde zijn, maar dat ‘ik ben zoals Hij de mens bedoelt’ – Jezus, de door God gezonden mens, gezonden door wie wij niet kennen - en in het Wees gegroet staat, “heilige Maagd Maria, Moeder van God”, dat waar­schijn­lijk betekent ‘door God, hoewel onnatuurlijk bevrucht, tot moeder geroepen’? Waarom zou of kon Jozef niet de ware vader zijn, terwijl de Kerk alle seksualiteit heiligt als die van één vrouw en één man, omdat alleen die twee het leven kun­nen vermenigvuldigen?
“Nou, dat is nu precies de moderne res­pons”, schrijft Karin Melis in Trouw, “op het tafereel van de man en de vrouw: hier is iets meer aan de hand, daar moet ik het mijne van weten. Iets wat aan de gangbare kaders ont­snapt, moet begrepen worden, met de nadruk op ‘grijpen’.”
En het ‘uitverkoren volk’ dat ons altijd geleerd werd? Is dat het chauvinisme van die tijd, omdat Jezus geboren is in Na­zareth, terwijl Jezus in zijn latere levensstijl een ‘uitver­koren levenswijze’ bedoelde?
[Kloppen tekst en beeld? Ja, het gaat om het geloof dat niet (be)gegrepen kan worden. Geloven doe je met je hart, niet met je verstand. Je moet geraakt worden. Schilderij is van Hans G. Leiendecker.] (Zie ook de notitie vandaag in het zeer lezenswaardige dagboek van Gerard van Eijk: http://www.van-eijk.net/~gerard/dagboek/index.html)

vrijdag, december 01, 2006

Allen even broos
“Dit is een zeldzaam moment. Weet je, al jarenlang zit ik in mijn eentje op een kamer de meest complexe fiscaal-juridische kwesties uit te pluizen. Dat is fascinerend, maar ook de meest saaie, droge, gortdroge kost die er bestaat, het is materie die bovendien met de dag verandert. Als rechter, eens in de zoveel tijd houd ik zitting, moet ik de best steekhoudende argumentatie zien te formuleren.”
“Je bent een geoefend kluizenaar.”
“Precies. Ik weet niet wat gevoelens zijn. Er is een grote sociale onhandigheid. Die kamer, die rationaliteit, beschermt me.”
“Ook tegen eenzaamheid? Wil je die kamer niet liever verlaten?” (De moed verzaakt soms een leven lang.)
“Het is er veilig nu.”
“Zeggen dat je ertegen gewapend bent, is ook een vermogen. Wat is veiligheid? Het goede doet je slecht.”
Een nomade in zijn hart. Wat is kracht, wat is zwakte, het irrationele? Emoties? Is er geen begeerte? Dwingt begeerte je niet tegen het verstandelijke in te gaan?
Is het wijs niet te doen wat je kan verlossen? Is leven sterven?
(Je mist meer in het leven dan je meemaakt.)
[Ervaring kasteel Slangenburg. Schilderij Vladimir Zunuzin, Loneliness.]